14 van de 22

In Volkskrant Magazine van 3 februari 2024 lees ik een interview met filosofe Stine Jensen. In dit magazine vertelt ze eerst over de scheiding van haar ouders en hoe trots ze was toen ze zelf een gezin stichtte. Direct daarna volgt echter de zin: Toen het daarna alsnog misging voelde dat als een nederlaag.

Op een dag kwam haar dochter thuis van school met de mededeling dat ze het in de klas hadden gehad over scheiden. Toen uit die gesprekken was gebleken dat 14 van de 22 kinderen gescheiden ouders hadden was Jensen verbijsterd. Zo verbijsterd dat ze er de Podcast ‘Scheiden met Stine’ over maakte.

Vervolgens benoemt ze het maatschappelijke probleem woningnood: ‘Dan gaat het altijd in één adem over migranten en studenten. Maar bedenk ook eens dat gescheiden mensen voor een verdubbeling van het aantal benodigde woningen zorgen.’ En dit is één van de dingen die ik heb benoemd in een pitch over ‘hulp die nodig is bij de geboorte van een gezin’.

Dit is mijn antwoord op de vraag die Jensen stelt in het interview: ‘Wat is er aan de hand?’ Antwoord: er is hulp nodig bij de geboorte van een gezin. Dat geldt bij een oorspronkelijk gezin en in veel gevallen ook bij een samengesteld gezin (wanneer daar een gezinslid bijkomt dat familie is van twee gezinnen die geen familie van elkaar zijn). Bij een oorspronkelijk gezin is er voor het eerst een kind. In een samengesteld gezin is er een verschil in het aantal kinderen van de geliefden wanneer één van de twee voor het eerst een ouder wordt. In beide gevallen verandert de dynamiek in de bestaande relaties…altijd. En is de impact groot.

Er is hulp in de vorm van een oudercursus, een cursus waarin ouders al tijdens de zwangerschap ondersteuning en begeleiding kunnen krijgen. Een cursus waarin je met andere aanstaande ouders je vragen en onzekerheden kunt delen. Er is alle reden om het te doen.

En de reden om het niet te doen? Het beschouwen als bemoeienis, niet ‘verplicht’ willen worden, denken dat andere ouders het nodig hebben (maar jullie niet), het al zo druk hebben…

En als je het niet zo zou beschouwen maar als ondersteuning waar je gewoon recht op hebt? Ik hoop dat het ooit overal, gratis wordt aangeboden en net zo gewoon wordt als de hulp van de verloskundige en het consultatiebureau. Dan kunnen we ook eindelijk zien wat het scheelt in kosten voor jeugdzorg, in aantal woningen dat nodig is maar vooral in gemoedsrust voor gezinnen.

In wat het voor onze maatschappij zou betekenen.

You’re still the one

Soms word ik geraakt door een zin in een liedje, dat het dan voor mij heel speciaal maakt. In 2000 zat ik een jaar op zangles en had voor de ‘uitvoering’ al het liedje Desperado gekozen van de Eagles, toen mijn aandacht werd getrokken door de zin  ‘They said, I bet, they’ll never make it’ in Shania Twains ‘You’re still the one’ uit 1999. Ik vind het een prachtig nummer en besloot dat te zingen op die muziekschool avond.

Destijds was het voor Shania Twain en haar man een soort statement. Hij was 17 jaar ouder dan zij en critici dachten dat zij hem ‘gebruikte’ voor haar carrière. Maar zij hield oprecht van hem en zo kwam dit lied tot stand.

Bij ons was dat een beetje anders. Wij waren jong en trouwden, nadat ik uit een mislukt huwelijk van een jaar was gestapt. Dat mijn liefste een jaar later met mij ons huwelijk aanging vond menigeen onbegrijpelijk. Misschien spraken ze het, vertaald, wel net zo uit als in het liedje…en ergens begreep ik het wel.

Voor de mooie en geweldige zangeres liep het jaren later alsnog stuk. Haar man verliet haar voor haar beste vriendin rond de tijd dat zij, als gevolg van een tekenbeet, de ziekte van Lyme had opgelopen. Zij vond later weer het geluk, en trouwde, met de man die door deze vriendin was verlaten. En zo liep het voor de zangeres alsnog goed af.

‘We’re still together, still going strong’ is ook een zin uit dat liedje en na bijna 42 jaar samen kun je dat over ons zeggen. Doordat we nog redelijk jong waren, en de korte tijd dat we elkaar kenden toen wij al ouders werden, ging onze relatie vanaf het begin niet persé van een leien dakje. Dat we in alles van elkaar verschillen is nu een voordeel, maar in onze ontwikkeling samen is het een flinke verstoring geweest.

De liefde was er vanaf het begin, dat weet ik zeker. En voor mij blijft gelden: ‘You’re still the one I run to. The one that I belong to, you’re still (and always will be) the one I want for life. You’re still the one that I love, the only one I dream of. You’re still the one I kiss goodnight.’

En: ‘I’m so glad we made it, look how far we’ve come my baby…’

Eten moeten we allemaal

Vroeger ‘deden’ we visites. De visite kwam rond 8 uur, dan serveerden we koffie met koek of taart en daarna gingen we over op fris en hapjes, later vooral bier, wijn en hapjes. Koffie met iets erbij dat ging nog wel, maar daarna was ik de draad kwijt. We haalden van alles in huis en vervolgens wist ik niet wanneer ik wat op tafel zou zetten, of hoe. In bakjes, op bordjes, plankjes, met of zonder sausjes, het wilde bij mij gewoon niet soepel gaan.

Op enig moment bedacht ik daar wat op. We nodigden mensen uit voor het avondeten. Ik noemde dat (beetje hoogdravend maar vooral goed bedoeld) vrijdagavonddiner. We begonnen met een klein voorgerecht, het hoofdgerecht was een lekker stukje vlees met opgebakken aardappelen en groente, een toetje na en daarna koffie of thee met chocolaadjes als afsluiting.

Het eten was leuk en lekker maar wat bijzonder was waren de gesprekken die we met de mensen voerden tijdens en tussen al dat eten door. Met onze vrienden kwamen we soms tot onverwacht intieme gesprekken en de mensen die wat verder van ons af stonden leerden we een beetje beter kennen. Destijds vroeg ik de mensen daarna iets in ons gastenboekje te schrijven en dat boekje is voor mij van onschatbare waarde.

Tijdens corona stierven die leuke avondjes een stille dood. Na corona werden heel veel dingen anders. Maar gaandeweg pakten we sommige dingen toch weer op. We begonnen bijvoorbeeld weer met wat meer mensen verjaardag te vieren en tijdens een van die verjaardagen kwam ik op het idee om ook die eetavondjes weer op te pakken. Tenslotte komen we op verjaardagen en andere bijeenkomsten vaak niet tot echte gesprekken. Aangezien we nog steeds midden in de stad wonen is zondagavond daar een geschikte avond voor.

We doen het nu wat eenvoudiger qua eten. We eten snert of stamppot. Beiden zijn eerder klaar te maken of voor te bereiden. We beginnen om vijf uur met thee, koffie of een drankje en zitten vroeg in de avond aan tafel. Na het hoofdgerecht volgt een toetje en daarna koffie of thee met chocola, voor mij blijft dat de ultieme afsluiting.

We hebben nu vier keer zo’n avondje gehad en het blijkt alweer zo waardevol. Mooie gesprekken met mooie mensen in een heel ontspannen sfeer, toch anders dan in een druk restaurant. En wat wij altijd weer zeggen: eten moeten we toch.

Verwijten en verwachtingen, en teleurgesteld worden

‘Het woord verwijten moet je verbannen uit je vocabulaire,’ zei ik vroeger. En ik zei het net zo streng, als het eruitziet. Als jonge moeder had ik mijn hoofd en handen meer dan vol. Voor het gezin zorgen, werken en studeren ging mij allemaal redelijk af. Maar er is één ding dat ik, tot op heden, niet voor elkaar krijg. Bij mij is het altijd een rommeltje. Ik heb het daarom nooit vreemd gevonden dat mijn kinderen niet konden opruimen, ik kon het ze gewoon niet voordoen.

Uit die tijd stamt mijn ‘strenge’ zin. Vooral mijn man vond het niet zo prettig dat er altijd overal post lag, tijdschriften, gelezen boeken, (nog) niet opgeruimde kleding enz. Maar het was niet allemaal van mij en ik maakte een poosje stapeltjes die dan door ieder van ons moest worden opgeruimd…en dat werkte ook niet echt. Toen bedacht ik dat ik ze kon laten kiezen, ruim het zelf op of wacht tot ik het doe…maar zeur er niet over/ verwijt mij niet. Dat gold voor mijn kinderen en ook voor mijn man. Dat werkte goed en los van opruimen werkt het ook goed. Wat er ook is, we kunnen erover praten en hoeven elkaar niet te verwijten.

Verwachtingen is een iets ander verhaal maar raakt hier ook wel aan. Als je veel verwacht en er wordt vervolgens niet aan die verwachting voldaan, dan kun je je teleurgesteld voelen. En teleur stellen, zei ik vroeger ook heel streng, dat doe je zelf. ‘Maar mamma,’ zei mijn dochter een keer, ‘iemand kan toch wel eens teleurgesteld zijn? En mag je dan nooit iets verwachten, van niemand?’

Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel dat bij zowel verwachten als teleur stellen er verantwoordelijkheid betrokken is. Als je van je kind dingen verwacht (die je hem niet hebt gevraagd) en vervolgens teleurgesteld bent wanneer het niet is gebeurd, dan leg je bij hem een verantwoordelijkheid neer die bij jou hoort. Het kan ook zijn dat je dat gebeurt bij je vriend, bij je collega, bij je partner of bij je ouder.

Maar ik vind het wel goed om erbij stil te staan. Wat je van elkaar kunt verwachten en waarom, en waarom je iemand iets zou verwijten. Dat laatste heb ik in mijn leven zoveel mogelijk ontweken en dat bevalt me goed.

Verjaardagsbrieven

Onze beide kinderen zouden geboren worden op Valentijnsdag. Omdat de oudste acht dagen te vroeg werd geboren en de jongste daadwerkelijk op die dag kwam, zijn ze dicht ‘op elkaar’ jarig. Jarenlang vierden wij een week na elkaar twee soortgelijke verjaardagen waarbij familie, wanneer ze een dag niet konden komen, altijd een tweede kans had. Maar de meesten kwamen gewoon twee keer en dat was reuzegezellig.

In hun tienertijd, ze schelen drie jaar en zijn dus jarenlang samen tieners geweest, vond de jongste alle aandacht alleen voor haar op een verjaardag wat overweldigend, en vierde graag haar verjaardag samen met haar zus. Dat waren ook geweldige, heel drukke verjaardagen omdat ook hun vrienden en vriendinnen op die dag kwamen meevieren.

Dit alles veranderde toen ze ouder werden en niet langer thuis woonden. Ze kwamen ver uit elkaar te wonen en ik weet dat ze hun best doen elkaars verjaardagen mee te vieren. En meestal lukt dit. Wij zijn er altijd bij op hun verjaardagen, zelfs als dat, in het geval van hun vader, door werk maar heel even kan zijn.

Ik ben altijd al een brievenschrijver geweest en op een dag begon ik de meisjes voor hun verjaardag een brief te schrijven. In de brief schrijf ik een felicitatie en spreek mijn bewondering en liefde voor hen uit. Verder schrijf ik iets over de omstandigheden waaronder zij en wij het afgelopen jaar hebben geleefd. Ik zeg ook meestal iets over hun kinderen, die ook alweer een jaar ouder zijn geworden. De brief krijgen ze, samen met de kaart en de cadeautjes, op hun verjaardag overhandigd.

Toen kwam er een jaar dat ik het in die maand zo druk had met studie dat ik nergens anders tijd voor had. Misschien was het niet perse tijd als wel spanning wat me belemmerde, vanwege de enige pitch die ik in mijn leven deed. De brieven schoten erbij in wat ik, me verontschuldigend, op hun verjaardag vertelde. Stiekem dacht ik: ‘Ach, zo’n brief, die schrijf ik ze op andere tijden ook wel,’.

Een paar weken later kreeg ik van onze jongste dochter een brief waarin ze schreef dat ze het heel jammer vond dat ik dit jaar geen verjaardagsbrieven had geschreven.

Voor haar was het altijd een herinnering aan het jaar dat zij net had afgesloten. Ze bleek dat erg te waarderen en ik vond het heel prettig dat te lezen. Natuurlijk schreef ik ze beiden alsnog een verlate verjaardagsbrief en zal dat dus altijd blijven doen.

Kwaliteit van leven

‘Ja, maar Ro’m, ken jij dan iemand die het niet moeilijk heeft met zichzelf?’ Ik ben met mijn zus naar een voorstelling en voordat die begint spreken we over mensen die we kennen die het moeilijk hebben, met zichzelf, met issues die spelen in hun leven. We spreken met compassie want elk van deze mensen gunnen we dat ze zich vaker goed voelen.

Ik wil mezelf noemen maar realiseer me dat, hoewel ik me ten opzichte van vroeger  al veel vaker goed voel, ik het zelf ook wel eens moeilijk heb. En ik ben gezond van lijf en leden. Mijn frustraties zijn de kleine, voor mij nog steeds moeilijk te accepteren, irritaties die ik altijd zal hebben omdat veel mij niet lukt in een eerste poging. Ik doe meestal eerst iets fout, maak de verkeerde keuze, weet in mijn hoofd de logische, maar kies toch de onlogische actie.  ‘Doe dat dan niet!’ zou je zeggen, maar zo werkt het niet.

Onze kleindochter met diabetes maakt het moeilijk voor mij om te zeggen dat het ‘goed’ gaat als mensen het overbekende: ‘Alles goed?’ vragen. Want met haar gaat het soms beter en soms minder, maar ‘goed’ is dat voor haar niet te noemen. Ze slaat zich er goed doorheen en dat wekt altijd weer mijn bewondering.

En ik mis onze geliefden van wie we door de jaren heen afscheid hebben moeten nemen. Onze ouders, nichtje, zusje en broers. De angst slaat mij soms om het hart dat het ook iemand zou kunnen worden van ons gezin. Voordat we echt oud zijn, bedoel ik.

Ooit vroeg ik één van mijn broers, van wie ik wist dat hij het regelmatig moeilijk had,  hoeveel procent hij zou noemen van 100 wanneer hij zijn kwaliteit van leven moest aangeven. Tot mijn schrik zei hij toen 20. Om mij vervolgens gerust te stellen door te zeggen dat het nu niet meer zo vaak zo laag was omdat hij, sinds hij kleinkinderen had gekregen, toch wat langer wilde blijven om ze te zien opgroeien. Zijn leven is altijd moeilijk gebleven en ik weet dat daar aandacht aan geven, hem toch goed heeft gedaan.

Ik moest daar vanmiddag aan denken toen ik terugdacht aan het gesprek met mijn zus en ik voelde dankbaarheid dat wij elkaar hebben om kwesties met elkaar te delen die me soms verdrietig maken.

Wij zijn gezond en hebben elkaar. Onze kinderen hebben een goed leven met hun gezinnen. We zullen nooit zonder zorgen zijn, maar die horen ook bij het leven. Gelukkig bevindt mijn percentage van kwaliteit van leven zich ruim boven de 70, misschien wel 80 en toch antwoorden wij meestal op de vraag: ‘Alles goed?’ ‘Het meeste is goed.’ En grappig genoeg doet dat vaak wenkbrauwen in verwondering optrekken.

Misschien is een betere vraag wel: ‘Hoe gaat het met je, vandaag?’ en dat we dan echt in gesprek komen.

Voor jezelf

Ik was 23 toen ik mijn man leerde kennen. Een 23 jarige met verlatingsangst dat zich uitte in een jaloezieprobleem. En vanwege het feit dat ik in het enneagram een type 4 blijk te zijn, ook nog eens een 23 jarige die zich al te gemakkelijk afgewezen voelde. Het was lastig (een understatement) voor mij, maar ook zeker voor mijn man. Door mijn gedrag was onze relatie erg onstabiel wat voor ons en de kinderen die wij kregen, geen goede basis was.

Gelukkig besloten we samen al snel dat het goed zou zijn hulp te zoeken en even zo gelukkig kon ik al snel bij een psychiater van de GGZ (destijds Riagg) terecht. Meneer van Os heeft mij goed en prettig geholpen en na de kortdurende therapie begreep ik zelf dat er nog veel moest gebeuren voordat ik van die nare gevoelens, en het gedrag dat het met zich meebracht, af zou zijn. Omdat ik al een dagboek bijhield (ik voel me heel prettig bij schrijven) heb ik er daarnaast een zelfhulpschrift bijgenomen en alles gelezen wat ik te pakken kon krijgen over hoe het brein werkt, in bladen als Psychologie maar ook Flow en Happinez, bijlagen van de Volkskrant en Trouw en voor mij leesbare boeken daarover.

Om mij heen hoor en zie ik mensen die problemen hebben met gevoelens die ik van mezelf, van vroeger, herken. Wat er tegenwoordig bijkomt is de social media waar veel mensen elke gebeurtenis ten toon spreiden die ze meemaken. Het ziet er in de eerste plaats allemaal mooi en gelukkig uit (soms is dat maar een deel van het hele verhaal) en in de tweede plaats laat het mensen zien die erbij betrokken waren. Voor degene die dat wil, is het helemaal prima. Voor degene die daaruit conclusies kan trekken, is het niet altijd prima…maar dat is aan haar of hemzelf.

Ik weet het verschil van leven met een zwaar gemoed, door jaloezie of misschien alleen maar een gevoel dat je iemand heel erg benijdt, en het gevoel me regelmatig afgewezen te voelen enerzijds, en een leven waarbij ik 95% van de tijd vrij ben van die nare gevoelens anderzijds.

Als je nare gevoelens hebt, zoek dan hulp. Het helpt al om er met iemand over te praten die je vertrouwt. Wees ook kritisch naar jezelf. Dat heb ik op die lange weg om die nare gevoelens kwijt te raken geleerd. Het belang van kritisch kijken naar mezelf en me afvragen waarom ik die gevoelens had, heeft mij geholpen om veel lichter door het leven te gaan.

Doe het maar…voor jezelf.

Aandacht…echte aandacht

Jaren geleden toen ik nog op school stond, dus zeker tien, verzuchtte een collega dat er bij hem thuis bijna niet meer werd gesproken. Het gezin zat wel bij elkaar in de huiskamer maar ieder had een laptop of telefoon, op schoot of voor zijn neus, waarmee hij alleen bezig was. Storen werd niet op prijs gesteld. De kinderen, drie jongens, waren in de tienerleeftijd of misschien wel bijna adolescent.

Ik weet niet meer of ik er verbaal op heb gereageerd maar als dat zo was zal ik zoiets hebben gezegd als: ‘Daar kun je toch zelf wat aan doen,’ met in mijn achterhoofd ons eigen gezin met twee meisjes die tien jaar geleden al lang uit huis waren.

Hoe het met dit gezin verder is gegaan weet ik niet, maar ik hoop voor de verzuchtende vader dat hij gewenste verandering heeft kunnen bewerkstelligen.

In een boek uit 1999, van Gabor Maté (Het verstrooide brein), lees ik: ‘Gezinnen eten, praten en lezen niet meer samen,’ schrijft Bly. ‘Wat de jongeren nodig hebben is stabiliteit, aanwezigheid, aandacht, advies, goede voeding voor de geest, integere verhalen, maar dat is precies wat ze van de maatschappij niet krijgen.’

Ik zou ervoor pleiten dat ze dit van hun ouders krijgen, die natuurlijk ook in deze maatschappij leven. Maar ouders zijn verantwoordelijk voor het welzijn van hun kinderen, die lang afhankelijk van hen zijn. Een goede opvoeding en verzorging van hun kinderen vraagt dus een kritische blik van ouders op deze maatschappij, waarvan we allemaal weten dat die niet ideaal is.

Ik zie met vreugde dat onze jonge kleinkinderen worden voorgelezen, elke dag. Ze zijn verbaal sterk en durven, beiden nog op de basisschool, hun ouders vragen te stellen die ze bezighouden. Ze hebben inspraak in hun eigen jonge leven en het lijkt mij een goede voorbereiding voor wanneer ze op een dag zelfstandig in de maatschappij zullen functioneren.

We zien ook onze oudere kleinkinderen die zich al wat losmaken van hun ouders. Hun leven is niet gladjes verlopen met de scheiding van hun ouders, maar waar ze altijd op konden en kunnen rekenen is de aandacht en aanwezigheid van hun ouders en stiefouder. Dat wij als grootouders nog zo bij hen betrokken worden vinden wij een groot goed en wellicht heeft dit te maken met de aandacht en aanwezigheid, die wij altijd hebben gehad voor onze kinderen, toen ze nog jong waren en thuis woonden.

Dat zou ik een mooie gedachte vinden.

Leesmonster

Toen ik een jaar of 8, 9 was kreeg ik van een buurvrouw een doos vol afgeschreven bibliotheekboeken. Ik geloof dat het mijn grootste schat ooit is geweest. Een groot aantal van die kinder- en jonge meisjesboeken heb ik tot op de dag van vandaag in mijn boekenkast staan en ik heb ze allemaal heel veel keren gelezen.

Sinds wij, zo’n 25 jaar geleden, bijna jaarlijks naar de boekenmarkt gaan in Deventer, heb ik daar door de jaren heen de series gevonden van de enkele delen van boeken uit die doos. Ik heb de Dorientje serie, de Goud-Elsje series, de Lijsje Lorresnor en de Guusje (uit de Goudsbloem) series. Van de Koppenolletjes serie, die ik onlangs weer achter elkaar las, ontdekte ik opeens dat ik nog een titel mis. Na minder dan tien minuten op het internet ontdekte ik een exemplaar dat ik hopelijk een dezer dagen krijg thuisgestuurd. Het grootste deel van mijn Davy Crockett serie (van Tim Maran) vond ik op die mooie boekenmarkt en voor de rest waren het internet sites als ‘boekwinkeltjes.nl’ waar ik ze vond.

Als jonge moeder vond ik de boeken van mevrouw Van Hille-Garthé en van mevrouw Scheherazade. Deze twee dames hebben met hun boeken een grote invloed gehad op mijn ontwikkeling als vrouw en moeder. Mevrouw Van Hille-Garthé overleed vlak voordat ik geboren werd, maar ik heb een keer de eer en het genoegen gehad om mevrouw Scheherazade te ontmoeten en te spreken bij een lezing die ze hield in mijn woonplaats. Ze was net zo leuk en ‘gewoon’ als ik dacht dat ze zou zijn, door het lezen van haar columns in Libelle en haar boeken. Toen wij elkaar ontmoetten was zij in de 70 en ik net in de 30.

Sinds ik in 2015 stopte met elke week een paar dagen werken heb ik nog meer tijd om mijn leeshonger te stillen. Ik koop weinig boeken, ik vraag ze voor mijn verjaardag, of als kerstcadeau en dat zijn dan boeken waarover ik heb gelezen in de bijlagen van Trouw en Volkskrant Magazine, bijna altijd non-fictie.

Ik volg een beetje het nieuws en haal veel informatie uit de zaterdagkranten en bijlagen die ik lees. Ik lees nu een boek waar ik niet, zoals ik graag doe, vier andere boeken (vaak voor de zoveelste keer) doorheen kan lezen. Het is ‘Het verstrooide brein’ van Gabor Maté’ en ik hoop er iets uit te leren wat mijn meestal onrustige ADD brein tot wat meer rust kan brengen.

In het eerste hoofdstuk zegt hij (de schrijver heeft zelf ADD): ‘Ik ben altijd doodsbang voor mijn geest geweest, waardoor ik het altijd heel erg eng vond om alleen met mijn geest te zijn. Ik had altijd een boek bij me voor als ik ooit ergens vast kwam te zitten…Ik gaf mijn geest altijd wel wat te eten, alsof hij een woest en kwaadaardig beest was dat mij zou verslinden als het niet iets anders te vreten had…’

Ik heb er nooit zo over gedacht maar ik heb ook altijd een boek of een magazine bij me voor als ik ergens moet wachten. Zou ik na het bestuderen van dit boek (dat doe ik met dit soort boeken) nog een leesmonster zijn?

Twee vliegen…

Vroeger, voordat we er hout voor kapten, werd papier gemaakt uit…textiel. In die tijd droegen en gebruikten mensen alles wat ze hadden, kleding maar ook gordijnen en lakens, tot ze tot op de draad versleten waren.

In de toen nog veel grote gezinnen was het heel normaal dat je de kleding van je oudere broers of zussen kreeg en verder ‘afdroeg’. Soms keek je alvast uit naar een bloesje of rok dat je oudere zus droeg en waarvan je wist: op een dag pas en draag ik het.

De tot op de draad versleten textiel werd in die tijd opgehaald door de voddenman. Het waren ook ‘vodden’ die je niet meer kon of wilde dragen. Ik las ergens dat deze voddenmannen er destijds goed mee verdienden. Ze deden ook goed werk, want het verzamelde textiel werd weer gebruikt om papier van te maken.

Voor veel gezinnen was het noodzaak om op deze manier met kleding en ander textiel om te gaan. In die tijd waren er ook al veel gezinnen die wel regelmatig nieuwe kleding konden kopen. Zij gaven vaak hun nog goed bruikbare kleding aan gezinnen die dat niet konden betalen. Het was liefdadigheid en de armere gezinnen waren er blij mee en dankbaar voor.

Vanwege het fenomeen ‘mode’ gingen mensen vaker nieuwe kleren kopen. Hun oude kleding was nog lang niet afgedragen en omdat ook de welvaart was toegenomen en er minder arme gezinnen waren kregen we langzamerhand een textieloverschot. Deze gingen op enig moment in grote balen naar arme landen. Daar konden tegen lage prijzen de kleding worden gekocht. En omdat daar ook niet alles werd verkocht begon zich daar, in die landen het overschot op te hopen.

Tegelijk worden, onder anderen voor het maken van papier, bomen gekapt die we niet kunnen missen omdat die nodig zijn om de CO2 uitstoot tegen te gaan. Met de CO2 uitstoot is het al zover gekomen dat er nu wordt geopperd dat het terugdringen ervan niet meer genoeg is om ‘de aarde te redden’ en dat we moeten proberen negatief CO2 te bewerkstelligen. Maar hoe?

Wacht eens…is 1+1 niet gewoon 2?

Op verschillende plekken op de aarde liggen enorme bergen afgedankte kleding en we kappen nog steeds hout voor papier wat ook van die bergen textiel kan worden gemaakt. Waarom zouden we dat eigenlijk niet doen? Er kan inmiddels zoveel dat ik zeker weet dat ook dit kan. Veel beter, sneller en efficiënter dan hoe het ooit vroeger werd gedaan. En dan zijn die ‘arme landen’ eindelijk van onze rotzooi af.

‘Ja, maar wie dan, mamma?’ vroeg mijn dochter toen ik het er met haar over had. ‘Nou,’ zei ik, ‘de regering.’ En zij: ‘Welke regering dan?’ Ik: ‘Onze regering, of alle regeringen van de EU…of nee, alle regeringen van de wereld. We zijn toch allemaal verantwoordelijk voor het terugdringen van de CO2 uitstoot’.

We hebben allemaal verantwoordelijkheid…maar, wie neemt die eindelijk eens?