Maak oogcontact

‘Ik ben er nog…en ik had ook dood kunnen zijn.’

Het was rustig vanmorgen op de weg. Al fietsend kwam ik weinig verkeer tegen. Ik reed op een fietspad waarop alle wegen die erop uitkomen, eindigen met ‘haaientanden’.

Ik zag de vrachtwagen uit de zijstraat naderen. De chauffeur reed niet hard op de haaientanden af…maar wel door, zonder op of om te kijken, toen ik op mijn voorrangsweg, net voor hem langs zou rijden. Ik dacht: ‘Nou, JA,’ en even later: ‘Ik had ook dood kunnen zijn.’

Het lijkt dramatisch, en overdreven, om dat te denken maar ik denk dat dat echt had gekund. Er gebeuren regelmatig ongelukken waarbij een fietser onder de enorme wielen van een vrachtwagen de dood vindt.

We waarschuwen onze kinderen voor vrachtwagens en hun ‘dode hoek’. Ik ken een plek waar een jonge vrouw door zo’n ‘dode hoek’ de dood vond onder de wielen van een vrachtwagen. Op die plek staat daar nu een waarschuwingsbord voor…te laat dus. Nog elke keer dat ik langs die plek kom, liggen er verse bloemen om ons eraan te herinneren dat daar een mooi mens veel en veel te vroeg het leven heeft moeten (ver)laten.

Ik heb de neiging om op de stoep te gaan staan wanneer mij van achteren een vrachtwagen nadert. Soms doe ik het…en soms ook niet. En ik ben ook een keer achter een vrachtwagen langs gefietst die achteruit een steegje in zou rijden. Toen realiseerde ik me direct daarna dat ik ook in die hoek geplet had kunnen worden wanneer de chauffeur iets eerder die grote wagen in zijn achteruit had gezet.

Nu is dus gebleken dat we ook voorzichtig moeten zijn wanneer ons een vrachtwagen nadert waarvan wij de chauffeur kunnen zien  en waarvan de chauffeur ons zou kunnen zien en op tijd stoppen…maar dan moet hij wel kijken.

Nu pas weet ik dat ik onbewust altijd het oogcontact afwacht dat duidelijk maakt dat een chauffeur mij heeft gezien, en dat ik dan dus veilig mijn weg kan vervolgen. Dat deed mij vanmorgen mijn vaart minderen in plaats van door te rijden op de voorrangsweg, waar ik gewoon voorrang had.

Advies aan studenten

‘Heb je Christine Lagarde gezien in College Tour?’ vraagt mijn collega. Ik heb het niet gezien en besluit terug te kijken. De uitzending met Madame Lagarde, de eerste vrouwelijke President van de Europese Centrale Bank, begint met de vraag of zij zuinig is of ‘een big spender’. ‘Soms het één, soms het ander,’ is haar antwoord. Op Twans vraagt of zij onlangs iets duurs heeft gekocht antwoordt zij: ‘Ja,’ het jasje dat ze draagt.

Mevrouw Lagarde vind ik een onderhoudende gesprekspartner (zoals ik haar zie op College Tour) . Prettig om naar te kijken en te luisteren. Zelfvertrouwen noemt ze als een belangrijk onderdeel in haar leven. Wanneer je het hebt, zegt ze, kun je ook anderen vertrouwen geven. Zij is blij dat ze het heeft.

Ik ben blij met wat ze vertelt over ‘plannen in het leven’. Ze raadt de studenten aan vooral de kansen die voorbij komen te grijpen. Alles eerst overdenken en afwegen kan ervoor zorgen dat de kans voorbij gaat en daarmee ‘een gemiste kans’ kan worden.

Het is in ons leven vooral zo gegaan. We hebben niet al teveel gepland en vooral beslissingen genomen op de kansen die voorbij kwamen. Soms voor mijn man en soms voor mijzelf. Ik ben van caissière uiteindelijk docent geworden, een ontwikkeling waar ik best trots op ben.

Na een korte interactie met studenten over crypto munten, en mevrouw Lagarde aanraadt daar niet in te investeren, vraagt Twan Huys haar waarin ze de studenten wel aanraadt te investeren. Haar antwoord is kort en krachtig: ‘Liefde!’ Niet direct een antwoord dat ik zou verwachten van de President van de Europese Centrale Bank, maar wel een antwoord dat mij zeer verheugt. Als in plaats van geld, liefde de wereld zou regeren zou deze er heel anders uitzien en zouden veel mensen zich veel beter kunnen voelen.

Haar uiteindelijke advies aan de studenten is: ‘Je moet de liefde voeden, stimuleren en zoveel mogelijk delen. Dan kun je alle beslissingen nemen en dan kom je er wel,’

Ik denk dat ze helemaal gelijk heeft. Het klinkt simpel en dat is het ook. Natuurlijk hebben we geld nodig, maar we denken vaak dat we meer geld nodig hebben dan daadwerkelijk het geval is.

Minder geld en meer liefde in de wereld, brengt uiteindelijk meer geluk, dat is mijn overtuiging.

Met een relatie die nu 40 jaar duurt, met het grootgebracht hebben en mee groot brengen van kinderen en kleinkinderen, denk ik echt dat dat zo is.

Het hele verhaal

We vertellen elkaar doorlopend verhalen. Dingen die we gehoord of gezien hebben, of waar we een mening over hebben. Soms vraagt iemand zich af: ‘Is dit nou roddelen?’ en dan zeg ik: ‘Nee hoor, jij hebt het toch zo beleefd?’ En daarmee is het gewoon een verhaal.

Als er emotie bij komt wordt het vaak anders. We zijn dan geneigd om de versie te vertellen waaruit ons gelijk blijkt en de ander ‘de boosdoener’ lijkt. Ik heb meerdere malen een verhaal van twee kanten gehoord waaruit dit is gebleken. Ik houd me dan meestal stil, of probeer rustig wat tegenwerpingen te maken, maar dat is vrijwel altijd tegen dovemans oren gezegd.

En toch is er altijd een andere kant.

De andere kant van mijn verhaal was dat ik jong en naïef was, overweldigd door een manier van leven dat ik niet kende en dacht dat op de één of andere manier het ‘beter’ was, dan het leven dat ik tot dan toe had geleid. Ik nam daardoor afstand van mijn familie, tot ik me realiseerde dat zij natuurlijk al die tijd goed waren geweest…zoals ze zijn.

Ik ben wat huiverig geworden voor verhalen die met emotie worden verteld, over ‘die ander, die de boosdoener lijkt’. Vooral als uit niets het begrip voor ‘die andere kant’ blijkt. Maar die andere kant is er altijd. Wat die ander zegt of doet vat jij op met jouw referentiekader, jouw emotie, jouw denkwijze…en het is niet gezegd, dat dat ‘de waarheid’ is.

Het zou mooi zijn als we elkaar de ruimte konden geven om het hele verhaal te vertellen. Daarmee hoef je het nog steeds niet met elkaar eens te zijn maar kun je wellicht wel samen verder. En het handigste is dat te doen, wanneer de emotie gezakt is. Daarmee voorkom je een ‘welles/nietes’ verhaal.

Het er niet over hebben en daarmee onderhuids laten sudderen, is niet handig. Hoe en wanneer dan ook, het zal dan een keer weer de kop opsteken. Het belangrijkste onderdeel in dit verhaal is ‘erkenning’. We kunnen elkaar het hele verhaal vertellen als we bereid zijn elkaar te erkennen in hoe we ons er afzonderlijk over voelen.

Dan kunnen we in openheid, samen verder.

Dankbaar

Voor elke nieuwe dag. Voor de liefde van en voor mijn man, ons gezin en onze families. Voor een goede nachtrust. Voor een goede maaltijd. Dat ik op mijn 63ste nog nieuwe rituelen kan aanleren, zoals elke dag beginnen met een paar yoga-oefeningen en elke dag afsluiten met een goede verzorging van mijn gebit en mijn huid. Voor een goed gesprek. Voor compassie. Dat ik een certificaat heb behaald waarmee ik vier jaar examens mag afnemen voor mijn mooie vak Engels. Voor elk coachtraject dat ik heb mogen doen. Zowel de coaching voor mezelf als de coaching die ik heb mogen geven.

Voor elke dag dat de zon schijnt. Voor elke dag dat ik op tijd afscheid van de dag kan nemen, omdat ik dan beter slaap. Voor de mooie natuur die ik bewust in me opneem wanneer ik met mijn liefste een wandelingetje doe, zoals gisteren een veldje net uitkomende klaprozen. Voor het zwerfvuil dat ik van tijd tot tijd opruim. Voor de lieve opmerkingen die mij tijdens die opruimrondjes toekomen. Voor elke mooie film en Netflix serie die mijn liefste en ik samen kijken.

Voor elk samenzijn met onze mooie, slimme, stoute en leuke kleinkinderen. Voor de gezondheid die we allemaal hebben. Voor de moed die degenen onder ons hebben, die een ziekte of ongemak te dragen hebben. Voor alles wat ik voor hen kan doen. Voor de brieven die ik, sinds we ook in Diemen wonen, aan zoveel lieve mensen heb geschreven en voor de respons die ik daarvoor krijg.

Voor de herinneringen die ik heb aan mijn jeugd. Voor wat de scholen, die mij allemaal een stukje van de kennis die ik heb opgedaan, mij hebben gegeven. Voor de docenten, klas- en studiegenoten met wie ik dat heb mogen doen. Voor mijn werk bij Albert Heijn, op school, thuis, allemaal hebben ze mij veel voldoening gegeven.

Voor de cursussen die ik heb mogen doen, het ene succesvoller dan het andere, maar allemaal even goed, leuk en interessant. Voor alle blogs die ik heb geschreven en de twee boeken die ik heb uitgegeven.

Voor het geloof en vertrouwen dat ik heb waardoor ik de meeste dagen blij, tevreden en regelmatig gelukkig door het leven kan gaan. Dank, dank, dank.

Lieve meisjes,

Toen ik gisteren met jullie vader naar huis reed zei ik: ‘We zijn 40 jaar samen, hè?’ Hij antwoordde: ‘Deze maand.’ En ik zei: ‘Ja, de 21ste (April) ,’.

Vannacht was ik even wakker en ik dacht: ‘Er is in die 40 jaar wel wat gebeurd,’. We hadden regelmatig ‘issues’ en opeens hoopte ik dat jullie daar niet teveel ‘last’ van gehad hebben. We hebben geprobeerd het van jullie weg te houden, maar jullie zullen ongetwijfeld wel eens aangevoeld hebben ‘dat er iets was tussen pappa en mamma’.

Inmiddels weten jullie, vanwege jullie eigen langere relaties, dat het erbij hoort. Het betekent juist dat je om elkaar geeft. Wanneer je onverschillig voor elkaar bent dan hoef je je niet op te winden of, nog erger, zeg je misschien dingen tegen elkaar, die heel kwetsend kunnen zijn. Dat doen wij niet, niet tegen elkaar en ook niet tegen jullie. Wij geven juist veel om elkaar.

Toen vroeg ik me af, of jullie wel weten hoeveel ik van jullie vader hou. Hoe graag ik bij hem ben en hoe blij ik ben om al zo lang naast hem en met hem te leven. Volgens mij weten jullie dat hij mij redde van een leven dat niet bij mij paste. Dat ik nooit had kunnen worden wie ik nu ben, wanneer ik destijds niet met hem getrouwd was.

En het mooiste blijft dat wij daardoor jullie hebben gekregen. Nu twee mooie, integere jonge vrouwen, zelf ook echtgenotes en moeders van wie ik, gedurende jullie kinderjaren al, zoveel heb kunnen leren.

Ik wens jullie wat wij hebben, een lang leven samen en dat je je bewust blijft van de liefde die je voor elkaar en jullie kinderen voelt. Ik ben van plan nog heel lang met jullie samen te zijn, maar dit, lieve meisjes, wilde ik toch een keer gezegd hebben.

Heel veel liefs,

                         mamma

Test

Een collega appt dat hij positief is getest op Corona. Ik voel me kiplekker maar heb wel in de afgelopen week met hem gewerkt. Omdat ik op mijn jongetjes pas besluit ik direct een test te doen. Er liggen er vier in de kast. So far dus, so good.

Ik heb in de afgelopen jaren twee keer zo’n test ondergaan. Een keer bij een GGD locatie en een keer thuis met een zelftest. Wat ik destijds zelf aan die test deed was de wattenstaaf in mijn neus steken, verder was daar mijn liefste om de test goed te verwerken.

Het doosje was zo gepakt en de gebruiksaanwijzing uitgevouwen. Ik bekijk de stappen en de plaatjes…en ben bij plaatje twee al totaal het spoor bijster. Ik zie op een plaatje een vierkantje met vier gaatjes waarin ik het buisje zou moeten plaatsen. Ik zie nergens zo’n vierkantje. Kleinzoontje een, de kleinste, schiet onmiddellijk te hulp. ‘Die zit in het doosje,’ roept hij, en meteen heeft hij ook het hele doosje overhoop gehaald.

Ik, met het geopende buisje in mijn hand roep: ‘Nee! Pas nou op!’ en ik probeer in de chaos het vierkantje te vinden…dat er natuurlijk niet is. Misschien om mij af te leiden roept hij: ‘Mag ik water, mag ik een snoepje?’ en ik roep: ‘Je mag je mond houden, wacht nou even,’ en we weten allebei dat ik nooit zo tegen hem praat.

Zijn broer, die net als hij al vele malen zo’n test heeft ondergaan, ziet mijn onmacht en neemt het heft in handen. Hij pakt de verpakking, drukt er een stukje uit en zegt: ‘Kijk, oma, hier moet hij in,’ Ik heradem, plaats het buisje in het gaatje en zeg tegen kleinste: ‘Sorry dat ik zo deed, jongen, maar oma moet even dit doen,’

Ik doe de test, draai 30 seconden het stokje rond in het buisje en dan nog vijf keer terwijl ik in het buisje knijp. Oudste kleinzoon geeft mij het dopje en terwijl ik bedenk wat ik dan met het stokje moet doen zegt hij: ‘Geef maar hier oma,’ ‘Eerst even schudden,’ zeg ik, omdat ik meen zoiets gelezen te hebben. Hij schudt en zegt: ‘Er vliegt iets uit,’ Dan pakt hij resoluut de test en druppelt er wat vocht op.

Als minuten later het ene streepje verschijnt dat aangeeft dat ik een negatief resultaat heb zegt hij: ‘Gelukkig dat je negatief bent, oma. Anders vloog hier de Corona door de lucht.’ 8 en 5, jongetjes van deze tijd en 63, vrouw van de tijd voor Corona.

Familie

In een Flow van vorig jaar lees ik een zin waar ik heel blij van word en die een glimlach op mijn gezicht tovert, iedere keer dat hij weer in mijn hoofd opkomt. Dr. Kaouthar Darmoni is directeur-bestuurder van Atria, het kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis in Amsterdam.

Ik had nog nooit van haar gehoord, maar Flow heeft haar geïnterviewd voor de rubriek ‘Verleden, heden en toekomst’. Dr. Kaouthar Darmoni vertelt over haar jeugd in Tunesië en haar verdere leven voordat ze in Nederland kwam wonen. Hier in Nederland kreeg ze haar zoon waarmee ze alleen kwam te staan nadat haar relatie werd verbroken.

Als oppas voor haar zoon vraagt ze een oudere vriendin. Tussen haar zoon en haar vriendin klikt het zo goed dat de jongen zelf vraagt of zij, Nini, zijn grootmoeder wil worden. Niet zijn bloed-oma, maar zijn hart-oma. Volgens Tunesisch gebruik komt Nini ook bij hen wonen. Omdat het in Nederland zeker niet gebruikelijk is, wordt het niet door iedereen begrepen.

Dan vertelt Dr. Kaouthar Darmoni dat ze nu een fijne relatie heeft met een Nederlandse man die er eerst ook aan moest wennen dat Nini er altijd is en altijd met hen meegaat. En dan zegt ze de zin: ‘Maar dat hij zijn eigen moeder niet meeneemt moet hij weten,’ en terwijl ik dit schrijf moet ik weer glimlachen.

Wij wonen sinds vorig jaar september behalve in het noorden ook in het westen, boven het gezin van onze dochter. Als zij dit aan mensen vertelde was vaak de reactie: ‘Vind je dat echt leuk?’ en soms zelfs: ‘Ik moet er niet aan denken,’. Deze mensen konden zich daar blijkbaar niets positiefs bij voorstellen. Inmiddels kunnen we allemaal zeggen dat het niet alleen heel leuk is, maar ook gezellig en handig. Ik was in het begin een beetje zoekende hoe de beste manier was om met elkaar om te gaan. Ik was bang hen te belasten of in de weg te zitten. Maar inmiddels hebben we zo’n goede modus gevonden dat ik er helemaal niet meer mee bezig ben.

Ik ben blij dat wij ook een hecht gezin zijn. Wij wonen (nog net) niet bij elkaar in huis en we gaan niet altijd mee, maar we staan dicht bij elkaar en delen veel met elkaar. Ik denk dat ik zo moet glimlachen omdat ik het herken en daardoor weet hoe gelukkig je daarmee kunt zijn.

Zeggen wat je wilt

Lang geleden, helemaal aan het begin van ons huwelijk, zei ik iets tegen mijn man waarvan ik later, en nu nog steeds, dacht: ‘Dat ik dat zomaar deed en durfde,’. We waren begin twintigers, we kenden elkaar nog niet goed. We waren al wel getrouwd en ons kleine kindje lag in de wieg.

Ik weet nog precies hoe we bij elkaar stonden. Hij stond op het punt naar zijn werk te gaan, ik werkte in die tijd een paar uur per week om verder voor ons kindje te zorgen en bleef die dag thuis. Er stond al een paar dagen iets ‘tussen ons’ waar ik steeds aarzelend en voorzichtig vragend, niet achter kon komen wat het was. Achteraf was het de eerste van vele van deze periodes die wij in ons huwelijk hadden. Hij kuste mij om weg te gaan en ik zei, plompverloren: ‘Ik wil met je praten en ik wil met je naar bed,’ Hij keek mij, en misschien was het een beetje verbouwereerd, aan en zei: ‘Ik vind dit een bedreiging voor ons huwelijk,’ En we waren nog maar net begonnen.

Instinctief wist  of voelde ik toen al dat wij het ‘goed met elkaar voorhadden’. Dat wij van elkaar hielden staat buiten kijf maar ik voelde me nog zo onzeker dat ik dat toen niet zo stellig zou hebben durven zeggen. Ik weet niet meer precies wat er gebeurde toen hij uit zijn werk thuiskwam, maar we zullen erover gesproken hebben.

Onze communicatie verliep die eerste jaren nog niet soepel en de gesprekken over moeilijke onderwerpen moesten van mij komen, maar ik weet nu hoe goed het is dat we dat nooit uit de weg zijn gegaan. We hebben gaandeweg geleerd dat onze relatie beter en gemakkelijker werd, en zich ook heeft verdiept, door te praten over wat ons bezighield.

En dat is wat voor ons werkt, niet alleen praten over wat ons dwarszit maar praten over wat ons bezighoudt. Elkaars leven delen. In die beginjaren zei ik ook een keer tegen hem: ‘Je bent de mooiste man die ik ken, maar ik wil ook weten wie je bent en wat je bezig houdt,’. Doordat ik dat toen zei, en hij sindsdien steeds meer met mij is gaan delen, weet ik nu ook wie hij is en waarom ik hem ook van binnen zo mooi vind.

In de gezinnen waar wij uit komen werd wel gepraat maar werden ook veel dingen niet gezegd. Misschien heb ik mijn gezin wel eens ‘overspoeld’  met communicatie, maar ze weten dat de intentie goed is. Met elkaar en onze kinderen hebben we, in mijn beleving, een goede relatie met ook ruimte voor ‘een keer in de fout gaan’ (ook wij als ouders) en ‘een kritische noot’, in de wetenschap dat we van elkaar houden.

Zeggen wat je wilt is volgens mij cruciaal in een relatie en de andere kant ervan is net zo belangrijk, namelijk, luisteren en ervoor open staan wat de ander je wil vertellen. Ik ben blij dat wij dat kunnen.

Wie is er nou eigenlijk lastig, en wie maakt er een puinhoop van?

Ik haal de kleinzoontjes op en neem nog een vriendje mee. Het is keurig gevraagd en ik ken de jongen, dus, natuurlijk, kom maar mee. Ze zijn druk en dat snap ik. Na een lange dag op school moeten kinderen even uitrazen, en dat gaat met lawaai en een heleboel drukte gepaard.

Ze gaan eerst thuis voor de televisie, kijken voetbalfilmpjes voor de grote jongens en voor de jongere, wat hij aantrekkelijk vindt. Ze kijken samen en geven samen commentaar. De wekker is gezet, ze weten wanneer ze moeten stoppen. Daarna voetballen ze samen, oefenen panna’s en poortjes.

Voor mij is er vanavond iets op de televisie. Een documentaire waarover mijn zus mij een krantenartikel heeft gestuurd. Ik ben er benieuwd naar en vrees het ook een beetje, want het gaat over een meisje dat op 28 jarige leeftijd euthanasie heeft mogen ondergaan. Ze is inmiddels overleden.

Het meisje werd op haar tiende uit huis geplaatst omdat het daar voor haar ‘niet veilig was’. In de 18 jaar die volgden werd ze in 28 verschillende instellingen geplaatst. Op haar 14de deed ze haar eerste zelfmoordpoging, omdat ze te maken kreeg met misbruik door hulpverleners…en niet werd geloofd.

Door een tekort aan plekken kwam ze in een jeugdgevangenis terecht, terwijl ze geen enkele wet had overtreden. Nog angstiger werd ze daar vanwege de echte delinquenten en het gevangenispersoneel. Behandeling, wat ze nodig had, kreeg ze niet. Trauma’s stapelden zich op, totdat ze geen kans meer had op een dragelijk leven.

Kinderen hebben de naam lastig te zijn. En in veel gevallen is dat helemaal niet aan de orde. Volwassenen vinden ze vaak lastig, maar dat zegt niets over de kinderen of hun gedrag. Het zegt iets over de onmacht of het ongeduld, of de onwil van de volwassene. Als je een kind niet lastig vindt dan is het ook niet lastig.

Ik vraag me af of het meisje in het eerst ook ‘lastig’ gevonden werd maar ik denk dat het in zo’n extreem geval echt ouders had waarbij het hoe dan ook kansloos was. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat in Nederland een grote hulpverleningsinstantie er zo’n puinhoop van kan maken dat er een documentaireserie nodig is ‘in de hoop’ dat het jeugdzorgsysteem verandert. De serie heet Jojanneke en de jeugdzorgtapes en is te zien op NPO 3 om 21.00 uur.

Op stap met Finn

Het was een mooie dag en omdat opa nog moest werken en Famke lekker lag te slapen ging ik maar even met Finn op stap. We namen de kortste weg. Finn kan goed lopen maar ons reisdoel lag best ver weg voor zijn nog wel korte beentjes. Na een stukje lopen zei hij: ‘Het is fris,’ Ik dacht even dat ik het niet goed had verstaan maar hij zei het echt. Fris. Grappig uit zo’n klein mondje. ‘Gaan we daarin, oma?’ vroeg hij toen we richting grote draaideur van V&D gingen. ‘Ja, Finn,’ zei ik, ‘maar wel voorzichtig,’

Hij vond alles in de winkel prachtig. Wou natuurlijk graag op de roltrap en de chocola in de vitrine zag er erg verleidelijk uit. Maar we moesten doorstappen wilden we niet laat in de middag pas terug zijn. Gelukkig was het nu nog vroeg en relatief nog heel rustig.

Bij ons reisdoel aangekomen gaf ik hem het boekje dat ik voor hem wilde kopen. Hij vond het mooi want het is een boekje van Diego, één van zijn helden, maar hij zag nog iets anders heel moois. Een uitklapboek met een boom met vogels en een boomhut. Hij vroeg honderduit en oma bedacht maar alles wat aannemelijk was om te kunnen antwoorden. Toen hij uitgekeken en uitgevraagd was gingen we het boekje betalen en zag hij bij de kassa nog hele mooie rollen inpakpapier. Hij mocht daar één uitkiezen en hij koos een geel papiertje met lichte bloemetjes en grote lichte vlinders erop.

Op de terugweg liep hij ermee of het een wandelstok was: ‘Kijk eens oma wat ik doe,’ ‘Ja, goed zo,’ zei ik en dacht, toen ik het zei, aan de onderkant van de rol die geplet zou worden. Nou ja, er zit plastic omheen wat het papier, hoop ik, wel zal beschermen.

Bij een winkel, waar ik slofjes voor hem hoopte te vinden, vond Finn ook iets interessants: aan zilverkeurige haken zaten rijen roze sokjes, per 5 paar verpakt. Eerst had hij er een af, toen twee en opeens zag ik vanuit mijn ooghoek een heel stel verpakte sokjes op de grond liggen en zou Finn er met iets zilverkleurigs vandoor rennen. Mijn reactievermogen verraste mezelf, in één greep achteruit had ik zijn armpje te pakken. Hij was te verbaasd om te protesteren.

Een beetje mopperend, vooral omdat ik die vermaledijde slofjes maar niet kon vinden, peuterde ik de stang terug in de stelling. Ik sommeerde het kleine ventje de sokken terug te hangen en hij deed het zonder morren nadat ik zelf de eerste twee had opgehangen.

Nog verder ging mijn zoektocht naar sloffen. Ondertussen kwam Finn even bij mij en ging dan even weer weg. Na twee, drie keer zei hij: ‘Oma, ik doe verstoppertje. Als die mevrouw eraan komt ga ik verstoppen,’ ‘Oh ja,’ zei ik, verder zoekend, totdat ik drie paar slofjes per ongeluk uit elkaar had getrokken, en het echt genoeg vond. Dan nog maar even geen nieuwe slofjes.

‘Kom Finn,’ zei ik, ‘we gaan,’ Hij liep meteen mee, zijn cadeaupapierrol weer gebruikend als een wandelstok. Terwijl ik naar hem keek moest ik even lachen, ik dacht: Wat grappig. Hij speelde verstoppertje met een mevrouw die zich er helemaal niet van bewust was. Dat een kind, dit grappige ventje van ons, zoiets kan bedenken.

Het werd weer een lange wandeling terug. Door V&D namen wij wederom de kortste weg. Toen wij even later  thuis waren was Finn blij dat hij weer bij opa was en was opa ook heel blij dat Finn er weer was. En Famke was weer wakker.