Mijn lieve stiefoma

Liefmoeder, bonusmoeder, plusmamma. Namen om het door velen gehate ‘stiefmoeder’ te omzeilen. Via LinkedIn is er een discussie over gaande waarbij de aanleiding een heel positieve is. ‘Vrouw van mijn vader’, ‘vriendin van mijn vader’ kan afstandelijk klinken wanneer de betreffende dame al lang aan jou verbonden is. Ik begrijp dat wel. Maar wat is er mis met een liefdevol uitgesproken: ‘Dit is mijn stiefmoeder,’ of zo je wilt: ‘Dit is mijn lieve stiefmoeder,’ dat vertelt direct iets over je relatie.

Elke moeder, die niet die van jou is, kan voelen als surrogaat. Dat kan een stiefmoeder zijn, een pleegmoeder, een adoptiemoeder en ook een schoonmoeder. Want je hebt maar één moeder. Je bent maar uit één moeder gekomen.

Maar het hoeft niet als surrogaat te voelen en het hoeft niet zo over te komen. Je bepaalt dat zelf. Elke relatie is anders. Stel je voor dat je een éénduidig, nieuw woord bedenkt dat vervolgens iedereen zou behoren te gebruiken om af te zijn van het woord ‘stiefmoeder’, dan zou dat voor heel veel (andere) mensen niet goed kunnen voelen.

Ik zou meer aandacht willen vragen voor de relatie tussen stiefkinderen en hun stiefouders. Die is minstens zo belangrijk als de relatie tussen ouders en hun kinderen. Heel anders, maar minstens zo belangrijk. En ik wil er ook nog graag dit spreekwoord bij benoemen, namelijk: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

Als ouders bepaal je hoe de relatie is tussen jullie en je kinderen en indien van toepassing, tussen jullie en je stiefkinderen. Wanneer je het zelf goed (voor)doet dan is dat er één van wederzijds respect. Je hoeft niet van je stiefkinderen te houden, al is het heel prettig als dat uiteindelijk wel gebeurt. Forceer het vooral niet, kinderen hebben daar een feilloos gevoel voor. Maar behandel ze met respect, zoals je ook zelf door hen behandeld wilt worden.

Mijn ouders noemden mijn oma allebei ‘tante’ al scheelden ze er maar zes en twaalf jaar mee en mijn moeder benoemde haar altijd als haar stiefmoeder, want dat was ze. Maar door de liefde die er zichtbaar voor elkaar was is het woord ‘stiefmoeder’ voor mij altijd een liefdevolle geweest.

Mijn kleinste, grote jongen

Oh mijn jongetje toch. Stel dat we jou niet gehad hadden, wat hadden we dan enorm veel gemist. Alleen al het feit dat jij mij laat zien hoe mijn eigen kleinste meisje eruit had gezien als zij van het andere geslacht was geweest. Daarvoor krijgen, denk ik, niet veel mensen de kans.

Na al die Coronamaanden heb ik vandaag weer een keer op je gepast. Ik was wel klaar met dat niet meer oppassen op jou en je broer. Ik werd verwelkomd met een straaltje water die jij vanaf jullie balkon uit je waterpistooltje schoot.

Je wilde meteen naar de speeltuin om daar ook met een waterpompje te schieten en daarvoor kregen we van je mamma een bakje mee (met deksel) met daarin een laagje water. ‘Maar liefje, daar is toch een kraan in die speeltuin?’ vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde zij, ‘maar we hoeven dit water toch niet weg te gooien?’ Tegen zoveel logica kon ik niet op. In de speeltuin bleek het ook wel handig te zijn, dat bakje, omdat ik nu niet iedere keer naar de kraan hoefde te lopen.

De hele dag klets jij aan één stuk door en ik vind het zo aandoenlijk hoe jij probeert de woorden helemaal goed uit te spreken. Wat je bedoelt met ‘milonade’ is mij volkomen duidelijk en als ik herhaal met: ‘Oh, hebben jullie limonade?’ zie ik aan je koppie dat je iets opmerkt wat je nog niet helemaal begrijpt.

In de HEMA ontdek jij allemaal mooie en leuke dingen die je gaat kopen ‘als je net zo groot als oma bent’. En ik denk: ‘Nee, dat doe je dan niet,’ maar ik snap wel dat je dat nu graag zou willen. Wanneer je iets mag uitzoeken wijs je een groot doosje met stempeltjes aan. Een kleinere variant ligt ernaast en ik zeg: ‘Zullen we deze doen. Die zijn toch ook mooi?’ Je laat de twee doosjes node omruilen en zegt: ‘Als ik net zo groot ben als oma, dan koop ik die grote,’ en ik denk: ‘Flauw hoor oma, voor die ene euro kun je hem toch ook die grotere geven,’ ‘Okay,’ zeg ik, ‘pak die grote maar en dan is die voor jullie samen,’ Met een gelukzalige glimlach ruil je ze om en zegt: ‘Ja, voor ons allebei,’

Later in de speeltuin vertel je aan de moeder van een vriendje dat je pappa een nieuwe motor heeft gekocht. Aan mij vraagt ze: ‘Heeft hun pappa een motor gekocht of is het misschien een scooter,’ ‘Nee, ‘ zeg ik, ‘het is een nieuwe motor voor onze boot,’ Dat was ook wel wat veel voor jou om uit te leggen. En jij had het helemaal goed gezegd.

Ik had juist gedacht dat het laatste jaar op jouw passen was ingegaan toen de Coronacrisis de boel kwam verstoren en ik maanden niet bij jullie mocht oppassen. Nu gaat het om de laatste maanden en ik ben blij dat we het weer hebben opgepakt. Je wordt al zo groot mijn jongetje, van ‘klein’ kunnen we straks helemaal niet meer spreken. En ook als jij naar school gaat kom ik om de andere week naar jullie toe om in ieder geval nog een paar uur op die dagen bij jullie te zijn.

Van liefde naar haat?

Op LinkedIn wordt ik attent gemaakt op een interview in een radio programma. Het gaat over vechtscheidingen en het lot van de kinderen daarin. Ik luister en hoor weer de onmacht van de ouders die deze vechtscheidingen veroorzaken. Meerdere malen hoor ik de dame die wordt geïnterviewd zeggen: ‘Maar de andere ouder haat haar … of haat hem,’ En ik denk: ‘Haat,’ waar liefde was?

Mensen komen bij elkaar, vormen een paar omdat ze van elkaar houden. Dat denk ik echt. Er springt een vonk over en de ander is even, of langere tijd heel speciaal. Hij of zij is exclusief voor je en je wilt samen je leven delen. Op enig moment wil je zelfs samen ouders worden. Samen leef je daar naar toe. En dan is het zover. De één is zwanger en de ander gloeit ook van trots. WE krijgen een baby. Wat een blijdschap, wat een geluk.

Tot zover gaat het allemaal goed, de liefde verdiept zich. Hoe je communiceert is nu belangrijk voor je relatie. Want er is de ongelijkheid dat één van de twee zwanger is… en de ander niet. De ander kan zich verdiepen in het proces van de zwangerschap. Hij of zij kan lezen over hoe een kindje groeit in de moederbuik, samen kun je daarover spreken. Samen kun je je voorbereiden op de werkelijke komst van het kindje, de bevalling. De zwangere kan het zwaar hebben, want een zwangerschap is niet altijd een roze wolk. Voor velen is het zwaar, een aanslag op je lichaam en je geest. Daarom heb je de ander nodig en moet je de ander toelaten. Jij bent zwanger maar je krijgt samen een kind.

Daarna is alles anders. Je hebt samen het wonder meegemaakt van het krijgen van een kind. Je wordt samen beperkt in je bewegingen zoals je die voordien gewend was. Want er is een hulpeloos wezentje, afhankelijk van jullie samen. Er is heel veel communicatie nodig bij het goed doorkomen van dit proces, bij het anticiperen op dit proces. Verbale en non-verbale communicatie. Er wordt een aanslag gedaan op je gevoel, op je luistervaardigheid op je intelligentie en bovenal op je verantwoordelijkheid.

Heb elkaar lief in deze tijd, heb compassie met elkaar want je staat voor het moeilijkste dat er op de wereld is. Een kind krijgen is niet altijd moeilijk, maar het grootbrengen wel. Daarom moet je ook streng voor elkaar zijn en elkaar aanspreken wanneer je ziet of voelt dat wat de ander doet niet goed is voor het gezin.  Je kunt het je niet veroorloven om het niet te doen. Want als het onderhuids gaat broeien, als op- of aanmerkingen ongezegd blijven kan het er uiteindelijk uitkomen als verwijten. Dat kan ontaarden in gekibbel, of erger, daar gaat liefde onder lijden en als je dan niet oppast kan blijkbaar liefde veranderen in… haat.

Van krasjes en scheuren

Onze weg van baby naar hopelijk ouderdom gaat niet altijd over rozen. We weten dit allemaal. Hoe we het voelen en beleven is bij iedereen anders. Fysiek liep ik al vroeg wat blessures op. Een voet in een wiel toen ik vijf was, mijn arm op twee plaatsen gebroken toen ik negen was en een zwaar verstuikte enkel op mijn dertiende. Het is allemaal min of meer goed gekomen. De littekens en vergroeiingen zijn blijvend zichtbaar. Mentaal ging het ook niet heel gemakkelijk, althans, heel lang niet. Ik heb het leven soms zwaar gevonden, voornamelijk omdat ik mezelf enorm in de weg zat. Ik wilde dat niet, natuurlijk niet, maar het duurde even voordat ik met mezelf om kon gaan. En natuurlijk waren er omstandigheden die invloed op mij hadden.

Over onze kinderen heb ik me vaak zorgen gemaakt. Ook hun leven gaat niet altijd over rozen. Heel lang voelde ik me daar schuldig over, was ik bang dat het een nalatigheid was van mij of mijn opvoeding waardoor dit kon gebeuren. Erover praten hielp altijd en dat ging de ene keer gemakkelijk en de andere keer wat moeizamer, maar we deden het wel. Altijd wilde ik zeggen, maar dat weet ik niet, want ook mijn kinderen houden dingen voor zichzelf en dat is goed, dat moet kunnen.

Met mijn jongste dochter kwam ik erover in gesprek en we ontdekten samen dat het niet erg is dat het leven soms moeite kost. Dat we ook daarin verantwoordelijkheid kunnen nemen en keuzes kunnen maken. We ontdekten de rol die we in elkaars leven spelen en de rol van onze mannen in ons leven.

Als oudere weet ik meer van het leven dan mijn kinderen want ik ben er al veel langer. Wat zij nog moeizaam ontdekken heb ik al lang meegemaakt, daarom kan ik ze daarbij helpen, wanneer ze ervoor openstaan. Doen ze dat niet dan is het ook goed, dan help ik alleen wanneer ze erom vragen. En daar ben ik niet selectief in, bij mij mag je alles vragen. Ik zeg ook nee, als ik dat het goede antwoord vind.

Onze rol als ouders van volwassen kinderen is die aan de zijlijn. En het mooiste is wanneer je dat liefdevol kunt zijn. Maar ze hebben ons wel nodig omdat ze, net als wij, op hun levenspad, krasjes en scheuren hebben opgelopen. Om die samen met hen te helen is een dankbare taak en wederom één waarvan je niet zeker weet of het lukt. En daarvoor hebben we vertrouwen nodig, vertrouwen en heel veel liefde.

Familie

‘Hij ziet zijn moeder al lang niet meer en zijn vader woont in Amerika,’ Het eerste herhaal ik in een vraag: ‘Hij ziet zijn moeder al lang niet meer?’ ‘Nee,’ is het antwoord, ‘nee,’. Er is natuurlijk een verhaal, dat kan niet anders, maar ik vraag niet verder en zij vertelt niet verder. Maar het laat mij niet zomaar los.

Ik heb gelezen en gehoord over het fenomeen ‘ouderverstoting’ en ik heb er zelf ook eens over geschreven naar aanleiding van een documentaire. Bij ouderverstoting is een kind (oud of jong) in ieder geval nog bij een ouder, of in contact met een ouder. Deze jongen heeft ouders maar hij heeft ze niet. Dat je ouders er zijn maar dat jij ze niet hebt, dat moet wat met je doen, dat kan niet anders.

Ik heb veel te maken gehad met kinderen uit een gebroken gezin. De loyaliteit die elk kind, elk mens heeft naar zijn ouders kan soms vreemde vormen aannemen. Elke dag weer bepalen of je bij de één eet of slaapt, of bij de ander. Omdat ze ‘beiden zo graag willen dat je bij ze bent’. Dat is een mooie gedachte, maar als ze niet samenzijn en beiden aan je trekken dan kun je daar aardig door verscheurd raken.

En soms kun je of het één of het ander. Als je goed bent met je vader kan het contact met je moeder moeizaam zijn en als je met haar juist goed bent kan het met je vader soms niet lukken. Moeilijk, heel moeilijk.

En dan ben jij er zelf ook nog. Zo lang je jong bent ben je van je ouders afhankelijk. Zij beslissen over je en jij hebt zelf weinig in te brengen, tenzij je heel verstandige ouders hebt en zij verstandige nieuwe partners. Dan kijken ze naar wat jij nodig hebt. Maar als je ouder bent en zelf misschien één of meer kinderen hebt, dan ga je er zelf over. Wat doe je dan?

Laat je het van je ouders afhangen hoe hun relatie is met jouw gezin? Of ga je naar ze toe al komen ze weinig bij jou? Mijn ouders kwamen nooit bij mij (of bij hun andere kinderen). Dat zat niet in hun systeem. Ik ging met de kinderen naar hen toe. Gewoon als ik daar zin in had. En ik had er altijd zin in, maar net als iedereen met kleine kinderen hadden we het daarvoor soms te druk. En dat was okay. Ik vond het wel belangrijk dat ze elkaar leerden kennen. Mijn kinderen hun familie en andersom.

Een relatie valt en staat bij interactie. Die interactie begint minimaal bij één persoon.  En de enige waar jij invloed op hebt ben jij. Niet de ander, die heeft invloed op zichzelf. Het is dus aan jou of en hoe je die relatie wilt. Het is één van de moeilijke dingen in het leven, relaties onderhouden. En als het moeizaam gaat is het vaak geen onwil maar eerder onkunde of onmacht. Daarom is het fijn dat je een keuze hebt en invloed op jezelf.

Je hebt maar één familie, hoe die er ook uitziet. En dat geldt ook voor je kinderen, wanneer die later groot zijn. Probeer het maar te koesteren want het is voor iedereen belangrijk.

Wat je ziet…

Verlegen. Ik geloof dat dat het woord is dat mij het meest typeert. Ik ben grootgebracht op een flatje met 5 slaapkamers. Voor de meeste families zou dat een grote flat zijn. Voor ons grote gezin viel dat wel mee.

Ik was zes toen ik voor het eerst naar school ging. Een Christelijke school, een heerlijke school waar prachtige Bijbelse geschiedenissen werden verteld. We leerden er ook mooie psalmen ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God…’ Als ik met mijn man ergens rijd waar maar enig hoogteverschil is, zingt die psalm door mijn hoofd. ‘Er is een roos ontloken…’ vind ik ook erg mooi. Ik denk dat ik daarom zo van rozen hou.

Ik vond het heerlijk in de klas omdat ik me daar, net als thuis, anoniem kon bewegen. Nog steeds hou ik meer van lessen dan van pauze, van wedstrijden dan van rust. Ik heb moeite te bedenken hoe ik me in die rusten en pauzes moet gedragen. Dat heeft met mijn verlegenheid te maken. Of ben ik juist verlegen omdat ik niet weet hoe ik me dan moet gedragen? Dat kan ook. Het geeft niet als mijn man er is, want dan doe ik hem gewoon na. En dat doe ik ook als ik met één van onze goede vrienden ben.

Ik weet nog goed dat mijn man mij ooit achterliet bij een groepje jonge mensen en ik naar hem op zoek ging omdat ik bij de jongelui geen aansluiting wist te maken. ‘Hè, Ro’m,’ zei hij toen ik hem gevonden had, ’wat kun jij er ongelukkig aan komen lopen.’ En dat klopte helemaal, want zo voelde ik me ook.

Ja, verlegen dus en onzeker. Toen ik jong was, en nu nog. ‘Dat zou ik nooit denken als ik je zie hoor.’ Dat hoor ik heel vaak. Dat klopt ook. Het lukt me meestal wel het te verbloemen. Ik bedenk wel een vraag en de antwoorden sla ik zo goed mogelijk op, want mijn belangstelling is echt. Ik wil echt graag weten hoe het met mensen gaat en ik probeer dat te onthouden voor een volgende keer.

Maar die verlegenheid maakt onzeker en bij iemand die toch altijd al onzeker is kan het heel lastig zijn en soms leiden tot vervelende situaties. Ik heb eens bij iemand thuis gegeten. Dat was leuk, lekker en gezellig. Toen ik de man  van het echtpaar in een andere setting tegenkwam en zei, hem een hand gevend, dat kon toen nog: ‘Wij hebben elkaar al eens de hand geschud, hè?’ kreeg ik een verontwaardigd: ‘Je hebt een keer bij mij gegeten,’. En ik kon niet anders dan kleintjes zeggen: ‘Oh sorry, ja dat dacht ik al,’ wat ook echt zo was.

En ik deed een keer, op een groot evenement, wat ik dan altijd doe: mijn man volgen en even met deze en gene een praatje maken. Bij een kennis van ons viel dat verkeerd, ik zag het aan haar reactie. Toen ik daar later iets over wilde zeggen was ze diep met iemand in gesprek en ben ik eerst even bij haar weg gelopen. Ik heb haar helaas nog niet weer gesproken maar ga daar zeker op terug komen. Misschien heb ik het verkeerd gezien en dat wil ik dan wel graag weten.

De moraal van dit verhaal? We zien dingen bij mensen waar we vaak een conclusie aan verbinden. Dat is logisch, dat is wat wij mensen doen. Als het ons niet in de weg zit en we het ook niet iemand ‘kwalijk nemen’, is dat ook helemaal prima. Maar als dat wel zo is, dan is het misschien handig er een paar woorden aan te wagen, want die kunnen dat dan ophelderen.

Zorg versus geld

Toen ons oudste meisje werd geboren spraken wij, haar ouders, samen af dat ik thuis bleef om voor ons en ons huishouden te zorgen. Mijn man bleef fulltime werken om de kosten te kunnen betalen van ons gezin en ons huishouden. We kregen van mij zorg en we kregen van hem geld. ‘Mijn’ zorg en ‘zijn’ geld waren evenveel waard.
Het lijkt op een ‘berekening’ zoals het hier staat, maar zo was het niet en dat kan ook niet. Want ik werd wel eens ziek. En dan zorgde mijn man, terwijl hij ook het geld bleef verdienen.
Toen ik later weer ging verdienen, kregen we meer geld en verder veranderde er niet veel. Mijn man ging niet opeens meer zorgen. Hij had dat sowieso gedaan wanneer het nodig was en verder deed ik het als voorheen. In onze taal heet dit ‘liefde’.
Toen we trouwden hebben we ook de belofte gedaan dat we voor elkaar zullen zorgen. ‘Till death do us part’. Dat was oorspronkelijk de opzet van een huwelijk. Ook voor ons was dat de opzet. Het moment waarop we trouwden was voor een belangrijk deel ingegeven door de baby die ik toen al bij mij droeg. Misschien was zij wel de grootste reden voor ons om dat met hart en ziel te voelen.
Mijn moeder is haar hele huwelijk financieel en emotioneel afhankelijk geweest van mijn vader en mijn vader emotioneel van mijn moeder. Ik weet niet wat zij zonder elkaar hadden gemoeten en wij zonder hen. Gelukkig zijn het nog twee op de drie huwelijken die goed gaan, toch nog de meerderheid. Ik zeg dit niet omdat het huwelijk heilig is, want dat is het niet. Ik zeg dit wel omdat een goed huwelijk, een goede relatie van onschatbare waarde is.
Met dit uitgangspunt is het niet erg wanneer één van de twee tijdelijk ‘niet financieel onafhankelijk’ is. In een relatie gaat het ook niet om één van de twee. In een relatie gaat het juist om samen. Samen deel je het geld en samen deel je de zorg. Niet op een weegschaal maar gewoon, zoals je samen goed vindt. Samen ben je ouders van je kinderen en samen draag je ook die verantwoordelijkheid.
Stoppen dus met ‘mijn geld’ en ‘jouw geld’. Je spreekt ook niet over ‘mijn zorg’ en ‘jouw zorg’. Wanneer je samen een gezin bent bepaal je samen wat er gekocht wordt en wat er gebeurt, ongeacht wie wat verdient of wie wat doet. Over het hoe hoeven we ook niet moeilijk te doen, ieder doet wat hij doet, op zijn eigen manier…MITS het ten goede komt aan het gezin. Aan het begin van dit alles staat de ‘liefdevolle communicatie’ en wanneer je dat niet beheerst is het tijd om mij te bellen.

Mag ik even uw aandacht?

Het was een jongetje dit keer en de aanleiding zo anders dan toen het de meisjes overkwam. Ik was vijf toen het mij overkwam, gezeten achterop de fiets van een hooguit zevenjarige. Zij was een vriendinnetje uit de straat, trots op haar nieuwe fiets met bagagedrager waarop ze mij meenam naar huis. We waren al achter in mijn eigen straat, maar ze vroeg het zo lief dat ik natuurlijk achterop klom. Ik denk niet dat ze al eerder met iemand achterop had gefietst en 55 jaar later denk ik ook niet dat het mocht. Ze slingerde vervaarlijk en ik hield me stevig aan haar zadel vast. Maar mijn benen…die slingerden mee en toen ik bijna thuis was, ter hoogte van het rijtje waar zij met haar familie woonde, sloeg het noodlot toe. Een van mijn slingerende voetjes, in open sandaaltje gestoken, gleed soepeltjes in het wiel. Een pijnscheut vlijmde door mijn lijf en omdat we abrupt stilstonden vielen we samen om en op straat, mijn vriendinnetje, haar fiets en ik.
Ik denk dat ik gilde en heel hard huilde want in no time stonden er mensen om ons heen en er kwam iemand met een deken. Het volgende wat ik me herinner is dat ik in een taxi naar het ziekenhuis werd gereden, mijn bloedende voet bij mijn vader op schoot en zijn met bloed doordrenkte zakdoek. Voordat ik in die taxi werd gedragen had ik heel hard geroepen: ‘Doe er maar een pleister op,’ Ik was vijf.
Tien jaar later was het een nichtje dat achterop bij haar moeder, achterstevoren als ik het goed heb begrepen, met haar voet tussen de spaken kwam. De bijzonderheden omtrent dit gebeuren heb ik nooit geweten. Misschien heb ik me ervoor afgesloten of hield de familie het bij mij weg, want het trauma dat ik nog geen tien jaar daarvoor had opgelopen was nog niet van mij weg. Het enige wat ik er ooit van heb geweten is dat zij daarbij haar enkeltje had verbrijzeld. Het is goed gekomen, dat weet ik maar ik heb er ook later nooit naar gevraagd.
En nu dit kleine jongetje. Hij is nog maar drie. Hij kan al heel veel maar is ook continue op ontdekkingsreis. In zijn hoofdje gaan de hele tijd vragen om: ‘Hoe…, wat? Stel je voor dat…,’ en zo zat dat kleine voetje tussen het wiel, terwijl de vraag doorging: ‘ …ik mijn voet tussen het wiel steek, zou die dan stoppen?’
Hij stopte, en hoe? Terwijl hij een gil gaf, misschien zijn moeder ook en zijn broertje die voor hun fietste, in de berm stuurde, van de fiets sprong en geschrokken naast hun stond. Na zorgvuldig onderzoek blijkt zijn voetje heel en hij kan hem zelf bewegen, zelf met zijn tenen wiebelen. Wat een geluk, mamma en broertje herademen, jongetje komt bij, ook enorm geschrokken van zijn ondoordachte daad. Is dan alles er ongeschonden afgekomen? Nee, zijn ene schoentje is aan flarden. Gelukkig, want die heeft zijn voetje beschermd. Terwijl ze nog een beetje natrillend naar huis lopen kijkt hij trouwhartig zijn mamma aan en zegt: ‘Nu heb ik alleen nog mijn witte…,’

Van de tering en de nering

Volgens mij hoor ik niet meer zo vaak spreekwoorden voorbij komen. Hoewel, die ik laatst wel voorbij hoorde komen ‘Bezint eer ge begint’ en de variant die ik er ooit op hoorde ‘Bezint eer ge bemint’ behoren tot mijn favorieten.
Mijn man en ik kregen ons eerste kindje in de jaren ’80 waarvan ik heel veel later hoorde dat er een economische crisis was. Wij wisten van niks. Mijn man werkte voor een klein loon in zijn eerste baan om in ons levensonderhoud te voorzien en ik was druk met onze kleine baby leren kennen en verzorgen.
Natuurlijk wisten we dat we niet veel ‘te makken hadden’ zoals we destijds zeiden maar dat was een gegeven. Een zorgelijk gegeven en dat ging samen met de zorgen die we toch al hadden vanwege ons heel prille ouderschap. Wat we gelukkig ook hadden was twee liefdevolle families die ons met raad en daad en een beetje geld bijstonden wanneer we dat nodig hadden. Van een voedselbank had ik nog niet gehoord en tweedehands kleren dragen was helaas nog niet ‘hip’.
Best moeilijk, en ook niet altijd mogelijk, zetten we toch zoveel als we konden ‘De tering naar de nering’ en dat hield in dat we eerst en vooral voor onze kleine meisjes zorgden. Wat zij nodig hadden kwam er, daarna waren wij aan de beurt. We liepen schulden op en betaalden die zo snel en zo goed als we konden af.
Gelukkig kreeg ik werk toen de kinderen groter werden en dat kon omdat ze groter werden en naar school gingen. Ik ging weer werken om te kunnen studeren en dat heeft ons gezin financieel een stuk vooruitgebracht.
Vijf jaar geleden stopte ik vrijwillig met werken, zonder uitkering, terecht, wel met een kleine bijdrage van school, ook terecht en dat heeft weer ons gezin erg veel goed gedaan. Ik kon hierdoor mijn man ondersteunen toen hij dat nodig had, onze vier kleinkinderen zien opgroeien omdat ik ze respectievelijk elke week en om de andere week kon verzorgen en de cursussen doen die mij goed deden.
Nu maak ik me, met heel veel meer mensen, zorgen om de jongelui die werk nodig hebben en die dat werk moeilijk kunnen krijgen. En dat is een understatement. Of de jongelui die een half, weinig betaald baantje krijgen. Hoe onderhoud je je leven daarvan? Tegelijk zijn er mensen die wel minder zouden willen werken, willen stoppen of misschien tegen heug en meug blijven werken als ze al niet met een burn-out thuis zitten. Mensen die dat financieel ook zouden kunnen. En ik realiseer me, kunnen is nog anders dan willen, en we doen meestal wat we denken dat we willen.
Iedereen heeft natuurlijk recht op zijn werk maar misschien is dit juist een tijd om daar nog eens goed over na te denken. Kun je, wil je stoppen met je werk dan is er een ander, die nu geen werk heeft, die dat kan overnemen. Of misschien kun je minder gaan werken en je partner ook zodat je samen die nering binnen haalt, en samen wat meer vrije tijd hebt. Ook dan kan het werk dat je achterlaat door een ander worden gedaan.
Wij ouderen hebben al heel veel meer gehad dan de jongeren die nog moeten beginnen. En natuurlijk weet ik ook dat dat niet voor iedereen geldt. Maar als je er wel eens over hebt nagedacht om minder te gaan werken, dan is dit misschien wel het moment.

Wat klaar is, is klaar

Het was een enorme sprong in het diepe. Ik werd al jaren gedreven door de vraag: wat kan ik doen om ervoor te zorgen dat meer kinderen hun kerngezin kunnen behouden? ‘Alleen op mijn zolderkamertje,’ zoals één van de docenten het in één van de lessen noemde, was ik daar al jaren mee aan het werk.
Toen kwam de mogelijkheid om Healthy Ageing Professional (HAP) te gaan doen en nam ik dus die sprong. Zonder verwachting, open-minded. Ik had wel verwacht dat het moeilijk zou zijn maar wat dat ‘moeilijk’ zou inhouden, dat wist ik niet.
Ik nam de moeilijke theorie, de voor mij ‘vreemde taal’ en de methodologie, zo goed als ik kon tot me. Ik printte, verzamelde en bestudeerde alles wat ik dacht dat belangrijk was en ik vond een opdrachtgever bij wie ik mijn innovatie kon ontwikkelen.
Met de theoretische kant was ik voorzichtig begonnen en dat ging me moeilijk af. Maar moeilijk heeft mij nog nooit ergens van weerhouden. Ik kan hard werken en ik ga ervoor…altijd.
En toen vond ik de websites van de cursussen OuderTeam.nu en PinkCloud. Ouderschapscursussen gericht op het versterken van de relaties van aanstaande ouders. OuderTeam.nu is onderzocht en ontwikkeld door mevrouw Gravesteijn, lector Ouderschap en Ouderbegeleiding aan Hogeschool Leiden. PinkCloud is in samenwerking met experts, praktijkprofessionals en jonge ouders door de Universiteit van Amsterdam ontwikkeld. En ik realiseerde mij, het is er al. Terwijl ik alleen bezig was op mijn zolderkamertje waren er mensen die het ook onderzochten en ontwikkelden, mijn innovatie waarvoor ik aan de opleiding begonnen ben.
Mijn hart maakte een sprongetje, want het klopt dus. Waar ik me ongerust over maak, al jaren. Teveel kinderen die de dupe worden van de scheiding van hun ouders. Dat daar meer aan moet gebeuren en liefst aan de voorkant, voordat de baby geboren wordt. Dat het kan helpen de relatie van de aanstaande ouders te ondersteunen, zodat zij beter voorbereid, bewuster aan het avontuur van het worden van een gezin kunnen beginnen. Dat zij grotere kans maken op Healthy Ageing from the start. Mijn onderwerp is hiermee gevalideerd.
En nu? Ik ben dankbaar voor het afgelopen half jaar. Voor de mensen die ik heb leren kennen, mee mocht optrekken en die ik bewonder om wie zij zijn en wat zij kunnen. Ik ben blij met het kijkje dat ik mocht hebben in de wereld van de wetenschap, en met de wetenschap, het inzicht, dat dat niet mijn wereld is.
Ik stop…met de opleiding, maar mijn zoektocht gaat verder. Want wat is het rendement van de cursussen. Is het structureel opgezet of als (aflopend) project? Zijn er resultaten van bekend? Zijn de ouders die aan de cursussen hebben deelgenomen bij elkaar gebleven? Hebben hun kinderen bij hen een goed en veilig thuis en ervaren zij daar ‘positieve gezondheid’? Zijn de oudercursussen de nu nog ontbrekende schakel in de zorgketen rond de ‘geboorte’ van een gezin? En als dat zo is, hoe gaan we er dan voor zorgen dat ze in het zorgpakket voor gezinnen worden opgenomen?
Pas als ik de antwoorden heb op deze vragen is mijn zoektocht afgelopen. En ondertussen blijf ik opkomen voor de kinderen. Ik blijf ‘De Prille-ouder coach’ en ik blijf mijn blogs schrijven en verspreiden.
Voor mij is de opleiding klaar. Wat er al is kan ik niet meer onderzoeken. Maar iets maken, ontwikkelen, weten is niet genoeg. Het gaat erom wat ermee wordt gedaan.