Doelgroep

Ik vraag me best vaak af wat de reden is dat mensen niet vragen om de hulp die ze nodig hebben, of de hulp die ze krijgen aangeboden afslaan. Ik werk voor een project dat lessen biedt aan ouders van jonge kinderen tussen de 2 en 7 jaar. Het filmpje dat wij daarover kregen bij de start liet een peuter zien op een stoeltje voor de televisie. Elders in huis hielden de ouders zich met andere dingen of zichzelf bezig en wanneer zij in beeld kwamen maakten ze geen contact met het kindje.

In de volgende beelden zagen we het kindje groter worden, naar school gaan, blijven zitten op de basisschool en stranden op het voortgezet onderwijs omdat ze gaande weg steeds meer begon achter te lopen op haar klasgenoten. Wanneer opnieuw een peuter op een stoeltje voor de televisie in beeld komt is mij duidelijk hoe ook dit kindje begint aan eenzelfde leven als haar moeder en daarmee verminderde kans op een geslaagde schoolloopbaan en aansluitende arbeidsloopbaan.

De cursus is oorspronkelijk bedoeld om laaggeletterdheid in ons land tegen te gaan en na het geven van de lessen aan meerdere groepen cursisten kan ik zeggen dat de enkele, vermoedelijk laaggeletterde ouder die we hebben gehad in een aanmelding is afgehaakt en nog waarschijnlijker is dat juist degenen die de doelgroep vormen zich niet aanmelden.

Verder merk ik in mijn omgeving veel van mensen die hulp kunnen gebruiken en daar niet om vragen of het afwijzen. Ik begrijp het heel goed wanneer het schaamte is, of misschien willen of kunnen ze er niet voor betalen. En ik vind het ook jammer. Toen ik 32 jaar geleden door de huisarts werd doorverwezen naar een psychologencollectief kon ik hun hulp niet betalen. De psycholoog die ik sprak vond wel dat ik geholpen moest worden en zij adviseerde mij met de brief van de huisarts naar de toenmalige GGZ te gaan. Wat ik daar moest betalen was een fractie van wat ik bij het collectief had moeten betalen. In twaalf sessies ben ik daar enorm goed op weg geholpen en het heeft mij jaren aan mezelf werken gekost, met behulp van mijn ‘zelfhulpschrift’, om te komen waar ik nu ben. ‘Gekost’, maar ik had het voor mezelf en mijn gezin over en ik blijf die eerste psycholoog die ik sprak en mij doorverwees eeuwig dankbaar voor haar hulp. Voor het onderkennen van mijn probleem en mij te helpen door mij naar een ander door te verwijzen.

Toen tegelijk een aantal familieleden achter elkaar overleed in korte tijd en ik op school niet meer kon functioneren zoals ik wilde en goed vond, heb ik alle hulp ingezet die ik kon krijgen en daar veel voor betaald (een psycholoog en een psychiater, na de coach die door school voor mij was ingezet) omdat we dat inmiddels konden en ik die hulp nodig had.

Onze geestelijke en lichamelijke gezondheid is wat er echt toe doet. Het heeft invloed op ons en onze omgeving en op wat we willen en kunnen. Schaam je nooit omdat je hulp nodig hebt, daar zijn hulpverleners voor. En zoek verder wanneer je hulp wordt geboden dat voor jou niet goed (meer) voelt.

Het wordt wat luchtig gezegd in een L’Oreal reclame, maar ze hebben helemaal gelijk. Doe het: Omdat je het waard bent.

Saai? Nee hoor

Mijn man staat op en ik zeg: ‘Ik kom ook zo,’ Ik trek de gordijnen open en pak mijn telefoon. Ik begin aan mijn dagelijkse twee lesjes Engels-Spaans met Duolingo. Uit de keuken roept mijn man: ‘Wil je ook thee?’ en even later komt hij er al mee binnen en zet mijn theeglas op het nachtkastje: ‘Ha, lekker,’ zeg ik, ‘dank je,’

Als ik in de kamer kom, na mijn lesjes, zegt mijn man: ‘Het is mooi weer,’ en ik zie door ons raam het mooie rustige herfstweer. Hij gaat naar de keuken en vraagt: ‘Even lopen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik moet nog een broodje,’ ‘Ik ook,’ zegt hij.

Buiten is het pittig, fris. Onze dochter is bij ons geweest en heeft een pakje laten liggen dat we lopend gaan brengen. We praten best veel onderweg. Ik heb de neiging om al het moois dat ik zie op te noemen en hij knikt soms instemmend, kijkt mij aan met een lachje, of geeft er zijn commentaar op. En we praten ook over de grote gebeurtenissen in de wereld, de Covid die we proberen op onze manier mee te bestrijden en de wisseling van presidenten in het door midden gescheurde Amerika. ‘Wie er ook bij ons wordt gekozen…,’ zegt mijn man, ‘niemand gaat de straat op of schreeuwt of huilt erom,’ Het is bij ons gelukkig niet zo extreem en ik geloof niet dat hier iemand zo overtuigd is van zijn gelijk als de president van Amerika van de afgelopen vier jaar. Ook niemand die zulke bijzondere tweets uitdoet en zo respectloos het woord respect in de mond neemt.

Wanneer we de spoorbrug zien waar we vaak onderdoor zijn gereden zegt mijn man: ‘Ik wil er wel een keer op,’ en wanneer hij ’s middags zegt: ‘Zullen we nog even naar buiten,’ weet ik dat we die kant op gaan. Fietsen gelukkig want de wandeling van de ochtend en die van de vorige dag zit aardig in mijn benen.

We vinden het fietspad naar de spoorbrug en fietsen de best lange brug over. ‘Kijk,’ zegt mijn man, ‘daar, de bruggen (waar we vaak over rijden, fietsen of lopen), de wijk van ons kind. Wat een uitzicht.’ We zien van ver de koeien in de wei, de mooie bomenreeksen. Het mooie Groningerland. We fietsen nog een nieuw pad door dat mooie land en zien hier en daar de mooie huisjes en boerderijen. Wat een heerlijke dag, genieten.

‘Wat fijn dat ik niet hoef te koken,’ zeg ik, want we eten die avond bij familie. Thuis drinken we een kopje thee, zien een (stuk van een) wedstrijd en maken ons klaar voor de avond. Zo’n lekker dagje, niets moet, niets hoeft…genieten.

De mysteries van het leven

Soms denk ik dat ik weet hoe het zit. Dan weet ik zeker dat iedereen een keus heeft. Dan weet ik dat het beste voor kinderen is dat ouders hen het leven ‘gewoon’ goed voorleven. Dan denk ik dat ‘toch iedereen geholpen kan worden’?

En vaak denk ik, of hoor ik mijzelf zeggen: ‘Dat snap ik niet,’ En ik vind dat mijn broer die dan zegt: ‘Je hoeft ook niet alles te snappen, Ro’m,’ volkomen gelijk heeft.

Hoe zit het nou? Hulpverleners (en als coach reken ik mezelf daar ook onder) doen hun uiterste best om mensen te helpen. Vooral niet ‘redden’ maar ‘helpen’. Toch lukt dat niet altijd. Je kunt alleen wat je kunt. Niet meer, en dat geldt voor ons allemaal.

Heeft iedereen een keus? Dat denk ik wel. Kan iedereen een keus maken? Inmiddels denk ik dat dat niet altijd zo is. Vroeger dacht ik heel simpel dat veel mensen niet (meer) kunnen kiezen omdat ze dat als kind is afgeleerd. Dat ze van hun ouders niet zelf keuzes mochten maken, of vaak iets wilden (hebben of doen) wat dan niet mocht waardoor ze het afleerden om te kiezen. Maar, denk ik nu, dat is veel te kort door de bocht.

Ik kan heel goed kiezen, ik weet precies wat ik wil. Ik wil niet zoveel maar wat ik wil gebeurt. Linksom of rechtsom. Toen bij een tweede coachsessie de coach dat zo tegen mij zei was ik eerst verbaasd. Ik dacht: ‘Hoezo?’ En ik realiseerde me dat dat wel moest blijken uit onze gesprekken. Maar hoe het kan?

Ik kom uit een gezin van twaalf kinderen, dus ik had niet veel te kiezen. Schone kleren werden voor ons klaargelegd en ik droeg veel kleren die ook al van oudere zussen waren geweest. Dat vond ik prima. Nieuwe kleren kozen we uit ‘de Wehkampgids’ wanneer we aan de beurt waren. Misschien ben ik daardoor in een winkel vol kleding nog steeds een beetje verloren, ik kan dat niet goed overzien. Kan ik goed kiezen omdat er voor mij vroeger niet veel keus was? Is dat het? Dat veel mensen niet kunnen kiezen omdat er teveel keus is?

En wat het opvoeden betreft? Ik blijf ervan overtuigd dat ‘goed voordoen’ het beste werkt. Kinderen zijn copycats. Ze doen wat jij doet. Het moeilijke zit hem in wat ‘goed’ is. Groenten eten is goed en teveel alcohol drinken is niet goed. Volgens mij is dat wel een veilige bewering. Maar verder? Wat de één goed vindt, vindt de ander niet goed en wat voor iemand goed is, is niet per se goed voor iedereen.

Gelukkig hoeft het niet perfect en mogen we fouten maken. Maar streven naar het beste voor je kind lijkt mij niet verkeerd. En wat dat ‘beste’ is? Dat kun je volgens mij ‘het best’ samen als ouders/verzorgers uitmaken. Maar wees daar ook kritisch in, naar elkaar. Ten slotte, mysteries of niet, gaat het om het allerbelangrijkste in ons leven…onze kinderen.

Jongetjes

Vanonder de koffietafel klinkt gebonk en ander geluid. Een klein jongetje kijkt gespannen toe. Dan klinkt er een opdracht: ‘Zwarte sleutel,’ en hij gaat op zoek. Wanneer hij met ‘iets’ terugkomt klinkt bars: ‘Ik stuur je terug, dit is niet goed,’ In de achterkamer waar ik achter een bakje met kleurtjes zit te schrijven rommelt hij op zoek naar ‘iets zwarts’. Nee, een zwarte stift heb ik niet, wel een zwart potlood,’. Hij neemt het mee en het is goed. De ‘monteur’ onder de ‘auto’ doet er iets onduidelijks mee en de auto is gemaakt. Wanneer ik om het hoekje kijk zie ik zijn broer soepel onder de tafel uitschuiven alsof hij daadwerkelijk op een karretje met wieltjes onder een auto, waaraan hij net heeft gewerkt als monteur, uitrijdt. De hele dag zullen ze, om de beurt, onder de tafel schuiven om iets aan de ‘auto’ te doen.

‘Groot,’ zei Noah, toen hij onze kamer binnenkwam en ik realiseer me dat ze de afgelopen paar keer in ons tiny house aan het meer op bezoek waren en dat de laatste keer hier, in de stad, voor hem lang geleden is. Zoals ‘lang’ kan zijn, wanneer je nog maar bijna 4 bent.

Ze zijn verbazend snel weer ‘thuis’ en missen blijkbaar hun ouders niet. Dat ze nu bijna 4 en net 7 zijn kan ik goed merken aan het feit dat ze samen spelen, bijna zonder dat ze ons nodig hebben. Ze stoeien graag, gooien onze losse kussens naar elkaar en rennen heen en weer over de bank en eraf. Zitten elkaar achterna om met een kussen te slaan. Tussendoor spelen ze met lego en de kleine autootjes die niet perse over het autokleed rijden. Ik hoor mezelf roepen: ‘Pas op, kijk uit,’ en ‘ik ben bang dat jullie je zeer doen,’ terwijl ik achter aan de tafel zit te schrijven en orde probeer te scheppen in wat paparassen.

Opeens hoor ik een gil en wanneer ik opzij kijk zie ik Noah, hoofd naar beneden, over de zijkant van de bank storten. Hij vangt zich met zijn handen op en zit met een soort salto opeens op zijn billen. Hij kijkt mij verwilderd aan als ik kom aanstormen en zegt: ‘Niks aan de hand, gaat goed (hoor ik daar zijn moeder?),’ en tot mijn verbazing begint hij de lego (waar hij middenin is gestort) in een van de bakken te gooien.

Ik heradem wanneer ik inderdaad zie dat er niks aan de hand is. Achter mij herademt ook Indi die ongetwijfeld achter zijn broertje aanzat buiten mijn gezichtsveld. Jongetjes zijn nou een keer jongetjes. Ze zijn nog nooit minder gaan rennen en stoeien omdat ik riep: ‘Pas op, kijk uit,’ en ik troost me er altijd mee dat ze dit soort dingen dagelijks doen zonder dat ik het weet.

Wanneer zij net liggen te slapen belt de oudste neef of hij ‘als verrassing’ ook mag komen slapen en ik weet dat dat morgen een enorm feest zal geven wanneer de jonkies dat ontdekken.

Echt?

Ik kijk met verbazing, of misschien moet ik zeggen, ontzetting naar het scherm. Ons land is nummer drie op de ranglijst van landen met de meeste Coronagevallen per 100.000 inwoners. Misschien heeft het een relatie met wat ik verder zie: politici en verslaggevers die worden lastig gevallen door schreeuwende mensen die ze beschuldigen van het verspreiden van nepnieuws. Meneer Wilders die een tweet plaatst waarvan de inhoud nog meer mensen opzet tegen andere mensen. En dat allemaal in ons land.

Ik probeer te bedenken wat zij niet begrijpen. Er is een pandemie, er gaat een ziekte rond die we met elkaar moeten bestrijden. We krijgen aanwijzingen om op te volgen in een poging verdere verspreiding van deze ziekte te voorkomen. Het enige dat we hoeven te doen is deze aanwijzingen op te volgen. Hoe moeilijk kan het zijn?

Net als veel andere Nederlanders ben ik wat eigenwijs. Ik doe graag mijn eigen ding op mijn eigen manier. Ik wil niet al te afhankelijk zijn van mensen die niet behoren tot mijn ‘inner circle’. Ik doe wat ik goed vind en graag wil, en ik stop wanneer ik het zelf genoeg vind en daar heb ik altijd, voor mezelf en de mijnen, een goede reden voor.

Ik heb een enorme hekel aan prikken en zal me wellicht niet laten vaccineren wanneer er een vaccin komt. De logica voor mij is dat, wanneer voldoende mensen in mijn omgeving zich wel willen laten vaccineren ik niet ‘hoef’. Maar wanneer het wordt verplicht of ten strengste aangeraden om de pandemie te stoppen, dan doe ik het.

Ondertussen komt de ziekte dichterbij. Terwijl ik ’s nachts wakker lig omdat ik een beetje keelpijn voel opkomen denk ik: ‘Oh nee, het zal toch niet?’ en ik realiseer me dat ik banger ben dan ik dacht om het ook te krijgen. De volgende dag blijkt het gelukkig vals alarm en haal ik weer opgelucht adem.

Mijn stelregel is: bedenk met je communicatie wat het voor wie bijdraagt. Ik sta ook open voor elke vorm van communicatie. Je mag mij alles vragen en je mag mij ook alles zeggen. Ik heb (bijna) overal begrip voor. Waar ik geen begrip voor heb is schreeuwende groepen mensen. Ik begrijp dat mensen moeten kunnen protesteren en demonstreren, ik begrijp dat het hun recht is. Doe het vooral volgens de voorgeschreven regels en …nu komt het… laat ook anderen gewoon hun werk doen. Daar hebben zij recht op en het is nodig voor de mensen die het slachtoffer zijn geworden van deze pandemie.   

Discriminatie, schofferen?

‘Sambalbij’ staat in grote letters boven het artikel. Het gaat over discriminatie en ik lees over de pijn die Aziaten hebben gevoeld bij bijvoorbeeld ‘Shanky Wanki Shang Wang’. Dat is hoe wij het verjaardagsliedje zongen in wat ik dacht dat Chinees was. Het volgde steevast op de versies ‘Happy birthday to you’ en ‘Voor je verjaardag veel geluk’. Ook over ‘Ushi’ wordt gesproken, de komische en doortastende Japanse journaliste die de grote sterren, die zij eerder die dag als Wendy hadden ontmoet, de intiemste details uit hun leven wist te ontfutselen. Ze deed dat heel grappig en knap en dat was precies wat ik erin zag.

Ik ben ook Aziatisch en dacht altijd dat ik in mijn leven nooit was gediscrimineerd en zo heb ik het ook altijd gevoeld en dat doe ik nog. Ik had één keer telefonisch contact met een dame die ik via mijn werk een keer had ontmoet en toen ze zei: ‘Jij bent toch een pinda?’ zei ik: ‘Ja, dat klopt,’ en wist toen dat ze wist met wie ze sprak. Het was een tijd waarin ik in de winkel één van de twee niet-blanke medewerkers was en dat zij dat tegen mij zei schokte niet mijn wereld omdat ik ervan uit ging dat zij het vroeg om zeker te weten dat ik het was en niet een van de andere collega’s.

De jaren dat ik op school stond maakte ik er een punt van binnen heel korte tijd mijn leerlingen bij naam te kennen. Waar collega’s zich behielpen met: ‘Bedoel je dat dikke meisje?’ Of: ‘Die jongen met die bril?’ ‘Die rooie?’ of ‘Die altijd zo raar lacht,’ kon ik bijna altijd hun naam noemen. Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega’s hiermee nooit de intentie hadden om iemand te discrimineren of te schofferen maar wel om zeker te weten dat wij het over dezelfde leerling hadden.

Met het artikel komt ook bij mij weer ‘de Zwarte Pieten discussie’ naar boven. Ik heb vroeger enorm genoten van het kinderfeest van het jaar. Zwarte Piet is en blijft voor mij een sprookjesfiguur, het knechtje van Sinterklaas zoals ooit voor de verhalen is bedacht. Zoals het is gegaan met die discussie vind ik … nee, niet jammer, dat is niet het juiste woord vanwege de mensen die zich geschoffeerd voelen door de lading die eraan is gegeven, maar het had misschien anders gekund. Toen ik met mijn drie jarige kleinzoontje op straat een keer vier donkergekleurde mannen voorbij zag fietsen en hij mompelde: ‘Zwarte Piet,’ ben ik daar niet op in gegaan. Hij zei het niet om te discrimineren, hij dacht gewoon iets bekends te zien. Ik ben niet bang dat dit kind later donkergekleurde mensen (of andere mensen) zal discrimineren want hij wordt zo niet opgevoed. Hij groeit op in een omgeving waar met hem wordt gesproken over normen en waarden en respect voor elkaar. Ik zou willen dat het veel meer daarover zou gaan.

Ik zie in de winkels alweer de chocoladeletters en de pepernoten liggen en verheug me op het Sinterklaasfeest dat we gelukkig wel gewoon gaan vieren. Zonder intocht van Sinterklaas en wat voor Pieten dan ook. We kunnen de geschiedenis niet veranderen en zelfs het heden niet. We kunnen alleen voor onszelf bepalen hoe we ons daaronder willen voelen.

Uit de bubbel

Voor ons is het gewone leven langzamerhand terug gekomen. Mijn man werkt al lang weer gewoon op kantoor, de kinderen gaan al een tijd weer gewoon naar school en ook clubjes en ons koor is onder strikte voorwaarden, weer begonnen.

Een aantal vroegere gewoonten hebben we misschien wel voor altijd afgeschaft. We schudden geen handen en blijven op afstand van de mensen die niet behoren tot onze directe ‘inner circle’. Ik pas weer op in Diemen en reis daarvoor, met mondkapje voor, in een heel rustige trein.

Boodschappen doen we alleen of samen, braaf met ieder een mandje of kar, en van de andere mensen proberen we afstand te bewaren. Liever ben ik degene die steeds wacht om een ander voor te laten gaan dan me dicht tussen mensen te bewegen. Winkelen doen we hoegenaamd niet of snel een winkel in om te kijken of ze misschien dat hebben wat we zoeken. Is het er niet dan gaat het eerst weer over. We lijken steeds minder nodig te hebben.

In mijn achterhoofd knaagt wel een stil gemis van het spontaan naar de film gaan of met wie dan ook ‘iets anders leuks’ te gaan doen. Het is alsof ons hoofd ook daar niet meer naar staat. En de voetbalwedstrijden, die ik anders regelmatig bezocht, zijn ook niet meer dezelfde al doen de ploegen nog steeds hun stinkende best. Ik zie dat op t.v., hoor ervan en heb het één keer live mogen meemaken.

We zijn langzamerhand uit onze bubbel gekomen en gelukkig zijn wij en de onzen daar goed doorheen gekomen. Onze kinderen hebben hun werk behouden en ons jongste kind heeft inmiddels een kantoor aan huis. Knap uitgespaard in de kleine ruimte die zij bewonen, maar soms kom je daartoe wanneer, in dit geval, een virus je daartoe dwingt.

En dan hoor ik dat er een tweede golf is begonnen en ik denk: het zal toch niet zo zijn dat we straks weer terug moeten, terug in onze bubbel?

Veiligheid: twijfels van elke ouder?

Daar was je dan, mijn eerste baby. Mijn baby? Ja, en natuurlijk ook van je vader. Je kwam op tijd, acht dagen te vroeg maar. Een goede timing van de natuur, en wij pasten elkaar precies. Zo gemakkelijk als jij kwam had ik er wel tien kunnen hebben. Zo gemakkelijk als jij was…ook.

Je was een lief en gemakkelijk baby’tje. Een beetje langzaam met drinken en een heel gemakkelijke slaper. Of had dat toch te maken met het feit dat ik je al heel snel kon ‘lezen’. Ik kon je eindeloos bestuderen als je lag te drinken, of te slapen, of te spelen in de box. Ik wilde heel graag weten wie je was, zodat ik je kon geven wat je nodig had.

De tijd waarin jij kwam was niet gemakkelijk. Alles was voor ons, je pappa en mamma, nog even pril. Onze relatie, pappa’s werk, ons huis en het samen wonen daarin. En met het beetje geld dat we hadden probeerden we zo goed en zo kwaad als dat ging ons kleine huishouden op te zetten. En ik moest wennen aan een familie die anders was dan mijn familie en dat ging mij soms moeilijk af.

Er was veel dat ik niet wist en met veel vallen en weer opstaan moest leren. Maar één ding wist ik wel, dat jij voor ons heel belangrijk was en bent. Dat ik er alles aan moest doen om voor jou een goede wereld te maken, een veilige wereld waarin jij kon worden wie je het best kon zijn.

Soms denk ik: ‘Het is gelukt,’ en soms…ook niet. Je bent geworden wie je bent, soms sterk, soms kwetsbaar. Je weet ontzettend veel en wat je niet weet kun jij, linksom of rechtsom, vinden…altijd. Je hebt mij, doorgaans, alles durven zeggen en als je het niet deed, dan was dat om mij te sparen. En zo werkt het andersom ook. Wij hoeven niet lief tegen elkaar te zijn, al zijn we dat doorgaans wel, maar liever eerlijk en oprecht. Ook dat waardeer ik aan ons leven samen.

Ik wilde voor ons een veilig thuis, en dat we goed met elkaar konden praten. Dat onze kinderen een band hebben voor nu en voor later, als wij er niet meer zijn. En heel eerlijk, meestal denk ik dat dat is gelukt. En heel soms is het voor mij een vraag: ‘Is het gelukt?’

Samenwerken

Opeens is er een vaccin en ik denk: ‘Hoe kan dat?’ Ik hoorde dat het normaal gesproken negen jaar duurt voordat er een vaccin is dat voldoende is onderzocht en getest en weer getest voordat het mag worden toegediend.

De dame, die één van de gasten is bij Op1 dat die avond wordt geleid door Charles en Carry, vertelt het met verheugde stem en dito gezichtsuitdrukking. Het antwoord komt van de andere dame die er ook te gast is. Het blijkt gekomen te zijn door een intensieve samenwerking van diverse partijen. Dat is geweldig nieuws. Bij mij rijst de vraag waarom dan bij het ontwikkelen van andere vaccins niet zo is samen gewerkt. Zo vraag ik me ook, al zolang ik mij er bewust van ben, af waarom er niet door de politieke partijen kan worden samengewerkt. Er wordt een regering samengesteld in een coalitie van de partijen die dan samen het hoogste aantal stemmen heeft gekregen. Dat begrijp ik. De verschillende partijen in de regering moeten kiezers teleur stellen omdat ze niet alles uit hun verkiezingsprogramma kunnen waarmaken. Vanwege die coalitie die moest worden gevormd begrijp ik dat ook.

Dan gaat de (gekozen) regering aan het regeren. Ze doen dat (daar ga ik van uit) naar hun beste eer, geweten en vermogen. En wat doet dan de rest, de oppositie? Die brandt af wat de regering doet. Er worden kamer vragen gesteld, zout gelegd op alle slakken en er wordt alles aan gedaan om de regerende partijen in een zo slecht mogelijk daglicht te stellen…althans zo komt het op mij over.

Volgens mij kunnen ze veel beter met elkaar samenwerken. In mijn ogen geeft dat veel minder stress, is het logischer en kun je dan met minder mensen toe.

De niet regerende partijen kijken (nog steeds) heel kritisch naar wat de regerende partijen doen en hoeven alleen maar de verbeterpunten naar voren te brengen waar dan de regerende partijen voor moeten openstaan en uitleggen waarom ze er wel of niet wat mee doen.

Vertaald naar een gezin werkt dat zo: ouders zijn verantwoordelijk en leren dat hun kinderen ook aan. In principe beslissen zij wat er gebeurt. Wanneer iemand in het gezin de ander (zowel ouders als kinderen) vraagt iets te doen, dan doe je dat. En dan heb ik het over de gewone, dagelijks voorkomende werkzaamheden in huis als tafel dekken, afruimen, koffie zetten of ander drinken pakken, boodschappen doen en vul zelf verder maar in. De rest van het gezin denkt mee en heeft inspraak.

In principe komt iedereen aan zijn trekken als je alles voor elkaar doet.

Poeh, poeh!

Gelukzalig keek Winnie om zich heen. Hij was weer terug en hij voelde zich zo veel beter dan de laatste weken. Hij knikte naar deze en gene en voelde zich heel behaaglijk in zijn nieuwe jas. “Hé Win, waar was je eigenlijk en hoe kom je opeens aan die mooie jas en laarsjes. Wel lekker zeker, hè?”

Winnie keek het witte engeltje aan dat dicht bij hem stond. Hij zag ook anderen nieuwsgierig naar hem opkijken. “Ja, “ begon Winnie, “hebben jullie wel gezien dat er een mevrouw een paar keer achter elkaar bij ons was geweest?” de één schudde nee terwijl een aantal anderen ja knikten. “Dat was een tante van Linda. Ach jullie kennen haar toch wel, ze komt hier ieder jaar wel een paar keer maar nooit zo vaak als de afgelopen weken. Vorige week kwam ze opeens met een andere tante. Die ken ik niet zo goed maar Linda wel. Ze zei dat dat haar tante Rely was. Daar was ze vroeger heel vaak geweest. Haar tante Rely die woont bij haar oom Bert. En die tante ging het graf een beetje schoonmaken,” Nu vielen een paar beeldjes hem bij: “Ja, dat zag ik wel.” En een ander riep: “Ik ook, ik ook,” En weer een ander riep: “En ze zetten iedereen die gevallen was weer overeind,” “Ja, dat zag ik ook en ze haalden heel veel vieze blaadjes van ons af,”

“Juist,” zei Winnie, “ en toen hebben ze mij meegenomen. Ik hoorde hun wel zoiets zeggen en ook iets over een jasje, maar ik dacht: nee , dat kan toch niet. En ze deden het wel. Hoe vies ik ook was, ze namen mij gewoon, hup, mee in de auto.” Winnie keek even tevreden rond om te kijken wat ze daar nou allemaal wel van zouden vinden.

Nu begonnen een paar door elkaar te vragen: “Waar was je dan?” en: “Was je niet bang?” en: “Waarom deden ze dat?” Toen begon Winnie te vertellen.

“Eerst moest ik in een emmer met een heleboel sop. Het water was lekker warm en ik bleef alleen in het donker in die badkamer. Dat was natuurlijk hartstikke saai dus toen viel ik ook direct in slaap. Ik werd wakker omdat het licht aanging en toen mijn ogen uit geknipperd waren zag ik dat die tante weer terug was. Ze mompelde een beetje terwijl ze me uit het water trok en in mij begon te knijpen. “Wat ben je slijmerig,” zei ze: “Huuh,” “Dat kon ik natuurlijk ook niet helpen. Ik was al jaren niet meer gewassen. Ze gooide het water weg, echt vies man, en toen deed ze weer lekker warm water met sop erin. En toen deed ze net of ik een ding was wat je op de hand moet wassen. Weet je wel, een kledingstuk of zo. Ze kneep steeds in mij en trok me uit en duwde me in het water. Toen draaide ze mij op de kop en deed ze het weer. Ik was ook echt heel vies. Wel een beetje minder vies dan na de eerste emmer,”

“Ik had wel mee gewild,” zei de roze bad eend  toen Winnie even ademhaalde voordat hij verder ging, “dan hadden we samen in bad gekund.”

“Ja,” zei Winnie, “dat had ik wel gezellig gevonden. Nou, en toen moest ik nog in de wasmachine. Ik dacht dat ik dat heel eng vond maar dat was niet zo hoor. Het was net wildwaterkanoën zonder kano. Ik werd heen en weer door dat sop geslingerd. Dat kon die tante natuurlijk niet doen in die emmer. En toen het water weg was werd ik heel hard rondgeslingerd, daar werd ik wel heel duizelig van, maar toen dat klaar was, was ik ook al bijna droog. En schoon.”

“En toen?” vroeg het beertje op ‘nous t’aimons’, “Oh,” zei Winnie, “zat jij ook te luisteren, wat leuk. Nou, toen zat ik lekker de hele nacht tegen de verwarming. Die was natuurlijk ’s nachts niet aan, maar ’s avonds wel. En de volgende ochtend zette die tante mij in een tas en ze nam mij  mee naar een winkel. Een speelgoedwinkel. En ze stond heel lang stil op een plek waar ik allemaal poppen boven ons zag, op planken. En allemaal dingen voor de poppen. En toen pakte ze iets en liep naar de kassa en toen mompelde ze ‘straks is het te klein’ en ze legde het terug. Maar ze bleef er wel bij staan. Ik kon niet zien wat het was maar dat was dus deze jas. Want ik had wel iets roods voorbij zien schemeren boven mijn hoofd. Toen bleef ze weer een poosje staan en toen nam ze het toch mee. Gelukkig want ik ben er toch zo blij mee. Het scheelt een jas, echt een jas.”

“En die laarsjes?” vroeg het meisje dat, samen met haar vriendje, hen elke dag voorlas voordat ze gingen slapen. Gelukkig hadden zij beiden schoenen aan maar haar waren die laarsjes direct opgevallen.

“Ja, die zaten erbij. Daar ben ik ook zo blij mee, want ik vind ze heel mooi. Echte, mooie rubberen laarzen. En die jas vind ik ook heel mooi. En Linda ook, ze stond te juichen toen ik terug was.”

“Oh, Pooh,” zei ze, “wat ben je mooi. Heeft mijn tante Rely dat voor jou gekocht?”

“Nou,” zei Pooh, “toen vertelde ik dat die andere tante het had gekocht en dat ik  bij haar in de wasmachine was. Maar ik had gehoord dat ze het allemaal samen voor mij hadden bedacht en dat ze het samen hadden betaald. Samen met al die andere broers en zussen van Linda’s mamma. Omdat haar mamma het niet meer kan. En ze wouden dat ze het eerder hadden bedacht, maar, zei ik tegen Linda, dat kwam wel omdat jouw tante Rely het had gezegd.”

“Zie je wel,” juichte Linda, “mijn tante Rely is zo lief. Dat weet ik  nog precies van toen ik altijd bij haar was. En dat zei mijn mamma ook altijd. Dat het zo lief van mijn tante Rely was dat ik altijd mocht komen logeren,”

Iedereen was blij dat Pooh weer thuis was. Want hij paste altijd op hun en nu waren alle engeltjes extra alert geweest omdat de grote Winnie er niet was. Maar er was natuurlijk niets gebeurt, want zij zijn altijd veilig samen.

Iedereen kletste nog heel lang met elkaar over Winnies grote avontuur en ze waren allemaal blij dat hij nu lekker droog zou blijven als het regent en als straks de sneeuw gaat vallen. En Winnie schurkte zich nog eens lekker in zijn jas.

“Goh,” dacht hij, “wat heb ik toch een geluk. Een jas voor mij, wie had dat nou gedacht,”