De ‘koude’ kant

Het complexe van menig liefdesrelatie is dat je niet alleen te maken hebt met je geliefde, maar dat er meestal ook familie aan vastzit. Persoonlijk zeg ik…gelukkig. Familie kan belangrijk en betekenisvol voor je zijn. Ik zeg ‘kan’ want er zijn ook mensen voor wie dat niet zo is.

Je kunt op allerlei manieren met familie omgaan. Je hebt er die veel contact met elkaar hebben. Een goed gegeven bij zulke families kan zijn dat er niet met een ‘weegschaal’ wordt gewerkt. Daar wordt niet gekeken naar wie bij wie komt of dat de ander wel net zoveel aandacht aan je geeft  in de vorm van kaartjes, cadeautjes of andere tastbare zaken als dat jij doet.

Er zijn ook families die met het fenomeen ‘familie’ niet zoveel hebben. Zij lijken het alom bekende standpunt te huldigen: vrienden kies je en familie heb je. Zij verkiezen daarom ook vaak omgang met hun vrienden en laten de familiecontacten afhangen van verjaar- en andere feestdagen.

Waarom noem ik het woord ‘complex’ naar aanleiding van de familie die meestal meekomt met een liefdesrelatie? Omdat je nooit echt familie wordt. Is dat erg? Nee, het is niet erg want in de meeste gevallen heb je zelf familie. Maar het is wel complex.

Wanneer er in families negatieve dingen gebeuren wordt dat vaak geweten aan de schoonfamilie. Het blijkt gemakkelijker te zijn om iets negatief te vinden aan iemand die geen familie van je is dan wanneer dat wel het geval is. Dat heeft denk ik alles te maken met het woordje ‘loyaliteit’.

Wanneer echter een liefdesrelatie zich ontwikkelt tot een nieuw gezin dan groeit daar ook loyaliteit uit. En dan heeft je broer, zus, zoon of dochter uiteindelijk diezelfde loyaliteit naar degene die voor jou nooit familie wordt. Complex…of niet?

Voortschrijdend inzicht

Afgelopen week stond ik voor mijn liefste een salade klaar te maken voor de lunch en ik dacht: ‘Wat is hij eigenlijk gemakkelijk en wat is het prettig dit voor hem te doen,’ Toen dacht ik, als vanzelf, terug aan ‘vroeger’. Toen we jong waren en ik vaak anders heb beweerd. Toen ik hem moeilijk vond en veel te vaak, meestal in mezelf, hem verwijten maakte. Ik begreep vaak niet waarom hij dingen zei, waarom hij dingen deed en dan kwamen er in mijn hoofd verwijten op en vond ik hem moeilijk.

Ook aan de moeizame relaties die ik lang heb gehad met andere mensen, die dicht bij mij staan, denk ik regelmatig terug. Tijd en wijsheid hebben daarin veel voor mij gedaan. En die wijsheid kan alleen maar komen met de jaren. Bij de één misschien snel en bij de ander wat langzamer. En waar ik altijd in blijf geloven is, dat in elke relatie, welke relatie dan ook, je allebei verantwoordelijkheid hebt. En als er sprake is van onmacht, dat dus ook aan beide kanten zit.

Ik zou mijn kinderen willen behoeden voor alles wat niet prettig voor ze is. Daarom heb ik veel met ze gesproken en probeer ik ook altijd open te staan voor wat voor kritiek ze ook maar op mij zouden kunnen hebben. Want dat kan en dat mag. Ik ben de oudere maar dat betekent niet automatisch dat ik in alles de wijzere ben.

Mijn schoonmoeder heeft eens iets gezegd dat ik precies zo voel. Ze zei: ‘Ik wou dat ik, toen ik jong was, al net zoveel wist als nu ik ouder ben,’ en zo voel ik dat ook. Ik zou dan anders gereageerd hebben wanneer ik mij gekwetst voelde en ik zou niet de fouten hebben gemaakt die ik gemaakt heb. Dat heet volgens mij ‘voortschrijdend inzicht’.

Tegelijk weet ik ook dat we allemaal onze eigen fouten moeten maken. Dat ik mijn kinderen niet kan behoeden voor alles wat niet prettig voor ze is. En ik weet ook dat dat niet goed zou zijn, want van fouten kunnen we leren en we worden er groot van. Al zouden we het willen, niemand kan de tijd terugdraaien en niemand kan veranderen wat is gebeurd. Wat we wel kunnen doen, met ons voortschrijdend inzicht, is nadenken over het verleden, daar lering uit trekken en besluiten wat we kunnen veranderen, in de toekomst, anders te doen.

Een kind, een toekomstig actief lid van de maatschappij

Deze week ving ik iets op dat leek op: ‘Wanneer we per gezin meer kinderen krijgen dan hoeven we geen mensen uit het buitenland te halen, of toe te laten, om hier al het werk gedaan te krijgen,’. Misschien was het wel precies dat.

Zo’n zinnetje triggert mij onmiddellijk.

Ik vraag mij namelijk af of ‘al het werk’ dat er nu is wel zo nodig is, wel zo zinvol. Stel dat we met elkaar minder zouden willen. Minder willen hebben, minder willen doen, dan zou er denk ik ook minder werk zijn dat gedaan moet worden. Wanneer we daarbij ook nog minder controles uitoefenen en meer vertrouwen op de expertise van bijvoorbeeld docenten en schoolleidingen. Erop vertrouwen dat er bijna niemand op uit is om fraude te plegen met subsidies of toeslagen en daarmee zoiets verschrikkelijks als ‘de toeslagenaffaire’ vermijden. Dan zou er zeker heel wat minder werk zijn.

Al dat werk staat volgens mij ten dienste van de economie die volgens mensen, met andere ideeën dan ik, steeds moet blijven groeien. En ik vraag me weer af: wat groeit eindeloos? Volgens mij niets. En ik denk dat dat goed is, er moet een grens zijn, aan alles. En dus ook aan de groei van de economie.

Wat is het belangrijkst dat er groeit op de aarde, in de wereld? Ik denk een kind. Wij mensen bepalen hier op aarde hoe het gaat. Welke delen mogen natuur blijven, welke delen worden bebouwd. Wie mag waar hoeveel vissen. Moet er statiegeld komen op blikjes, omdat er veel teveel blikjes in de natuur terecht komen?

Niet alle mensen gaan daarover. Er gaat een aantal mensen over en een aantal andere mensen heeft er allerlei commentaar op. Zo gaat het in de wereld.

Zowel de mensen die erover gaan als de mensen die de mensen kiezen die erover gaan moeten verantwoordelijkheid kunnen dragen. Wat zij doen is bepalend voor de maatschappij waarin we leven. Het is dus heel belangrijk hoe een kind uitgroeit tot een volwassene die verantwoordelijke dingen moet kunnen doen en beslissen.

Als jonge twintigers, die we waren toen wij ons eerste kind kregen, begrepen we al hoe groot en belangrijk het werk was van het opvoeden van een kind. We kregen dit mee van onze ouders die er waren en voor ons zorgden toen we jong waren, die ons voorleefden en met wie we een fijne, liefdevolle band hadden tot aan hun overlijden.

Er wordt steeds meer bekend over het belang van de eerste 1000 dagen van een kind. De eerste twee jaar waarin de goede hechting zich kan ontwikkelen, waarin het kind kan leren dat het bij zijn ouders veilig is. Wij namen er nog ruim twee jaar bij. Onze jongste dochter ging naar school toen ik weer een halve baan aannam en daarbij een HBO opleiding begon. Had ik daarvoor stilgezeten? Nee, ik had het grootste deel van de opvoeding en de huishouding gedaan. Ik had HAVO certificaten gehaald middels een thuisstudie en ik had mijn man zo goed als ik kon ondersteund bij zijn werk en de cursussen die hij deed.

Kinderen zijn maar vier jaar ‘thuis’. Daarna gaan ze elke dag naar school en is het tijd voor anderen om ze te leren waar die anderen voor gestudeerd hebben. En tot die tijd? Kunnen ze best één of twee dagen naar de opvang, maar neem ook zelf tijd om met en van je kind te genieten en ze mee te geven wat jij belangrijk vindt voor de maatschappij en de wereld waarin zij straks zelfstandig moeten functioneren.

Omgangsregeling

Het is mooi dat ouders bij een scheiding voor de helft ‘recht hebben op (de tijd van) hun kind’. Zij zijn ieder een helft van het ouderpaar. In die zin klopt het helemaal. Ik denk dat het ook voor veel ouders en kinderen de beste en mooiste optie is mits de ouders zich kunnen houden aan de gemaakte afspraken, het belang van het kind vooropstellen en ‘live’ communiceren. Dus niet via de app.

Er kunnen legio redenen zijn waardoor zo’n 50/50 afspraak niet het handigste is. Het kan komen door werk. Stel dat je zoveel moet werken, of op tijden die je niet kunt verzetten. Dan kan zo’n afspraak onhaalbaar zijn. Ik heb daar diverse oplossingen bij gezien. Kinderen die op zulke tijden steeds naar de andere ouder moesten worden gebracht omdat van een van de ouders de grootouders niet mochten worden ingeschakeld. Heel onrustig voor de kinderen. Of kinderen die steeds bij hun stiefouder moesten zijn omdat hun eigen ouder niet beschikbaar was. Ook heel onrustig voor de kinderen.

Stel dat er één kind is dat aan beide kanten nieuwe broertjes en zusjes heeft. Hij moet zich (in zijn eentje) steeds aan twee gezinnen aanpassen. Theoretisch hoort hij bij twee gezinnen maar vaak blijkt dat het kind van geen van de beide gezinnen echt deel uitmaakt. Hij mist bij beide gezinnen een half leven en als hij echt pech heeft is hij er steeds net niet bij als er iets leuks gebeurt. Het andere uiterste is dat hij bij beide gezinnen alles moet mee maken en letterlijk van hot naar her wordt gesleept, met alle vermoeiende gevolgen van dien.

Voor deze kinderen denk ik dat de aloude omgangsregeling misschien beter zou zijn. En zo’n omgangsregeling kan ook van gezin tot gezin verschillen. Het is belangrijk dat de ouders daarover goede afspraken maken en dat, als de kinderen daarvoor oud genoeg zijn, ook zij hierover worden gehoord en mogen meebeslissen. Kinderen kunnen dan in ieder geval bij één gezin echt horen en het is belangrijk dat de ouder die ‘met minder genoegen neemt’ ook eens meer tijd, wanneer dat aan de orde is, wordt gegund. Maar het allerbelangrijkste is en blijft hoe er met de kinderen wordt omgegaan. Dat ze van beide ouders en families mogen blijven houden.

Misschien zijn er mensen die dit vloeken in de kerk vinden maar ik blijf opkomen voor de kinderen. Ouders kunnen hun eigen belang voorop stellen en dat kunnen kinderen niet. Daarvoor zijn ze altijd afhankelijk…van hun ouders.

Het zwarte schaap

Lang geleden las ik in een tijdschrift over een meisje dat de helft was van een tweeling. Wanneer ze jarig waren werd er voor haar broertje een groot feest georganiseerd met vriendjes en vriendinnetjes, met haar, omdat zij nou eenmaal het zusje was, en met enorm veel cadeautjes waarmee het broertje werd overladen. Voor haar was er niets, geen feestje en geen cadeaus. Ik kon het bijna niet geloven, hoe kan iemand zo met haar kinderen omgaan, want het was de moeder die haar zelfs een keer naar het leven stond. En ik dacht: ‘En de vader dan, en de rest van de familie?’ maar ik weet niet zeker of die er wel waren.

Nu ben ik vele jaren verder en heb heel wat meer gezien en gehoord van wat je denk ik wel kunt noemen: het zwarte schaap. Ik hou van mijn kinderen evenveel. Met elk kind en kleinkind heb ik een andere band, een andere relatie maar ik hou evenveel van allemaal. Betekent dit dat in de families met wat je kunt noemen ‘een zwart schaap’ dit niet zo is? Wordt er van ‘zo’n’ kind minder gehouden? Ik weet het niet.

Ik weet ook niet of mijn kinderen allemaal voelen hoeveel ik van ze hou. Ik heb wel eens het gevoel dat ik bij een (klein)kind tekort schiet. Maar ik weet niet hoe zij dat beleven. Wat ik dan kan doen is erbij stilstaan en genoeg aandacht geven want dat is waar (klein)kinderen recht op hebben, de aandacht van hun ouders en grootouders.

Wat ‘zwarte schapen’ in families meemaken weet ik niet. Ik weet wel dat je er op verschillende manieren mee kunt omgaan. Je kunt je leven lang een wrok tegen je ouders koesteren met alle gevolgen van dien. Of je kunt vergeven en ook dat heeft gevolgen voor hoe je verder leeft.

Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe iemand heeft kunnen vergeven. Ik hoop dat hij de rust en de liefde die hij uitstraalde ook zelf heeft kunnen voelen. Hij was een geweldig mens en een geweldige zoon voor zijn ouders. En ik denk toch dat hij ‘een zwart schaap’ was.

OuderTeam.nl

Twintig jaar geleden kregen we als gezin contact met een jongen die sinds zijn zesde jaar, met zijn gezin, hulp kreeg van Jeugdzorg. Hij was toen 16 jaar. In de twee jaar dat we hem kenden heb ik veel gezien van het onmachtige gezin waarin hij is opgegroeid. Zijn ouders waren gescheiden, toen hij nog maar een baby was, en zijn vader ging in Frankrijk wonen en kreeg daar een nieuw gezin. Zijn moeder kreeg een nieuwe vriend en een nieuw kind. De jongen had nu ‘een nieuwe vader’. De eerste tien jaar van zijn leven had de jongen daardoor geen contact met zijn biologische vader. Nadat ook de tweede relatie was gestrand wilde zijn moeder dat hij weer contact kreeg met zijn vader in Frankrijk. Het contact is tot stand gekomen maar van een ouder-kind relatie is nooit sprake geweest.

In die tijd ging ik werken op een ROC en sindsdien kreeg ik, als docent en leerlingbegeleider, steeds meer te maken met jongeren met soortgelijke problemen. Vaak waren het ook kinderen uit gebroken gezinnen en te vaak was er bij de ouders onmacht om de gezinsverhoudingen in goede banen te leiden.

Inmiddels weten we dat er veel kinderen met problemen binnen hun gezinnen te maken hebben. We weten ook, door wetenschappelijke onderzoeken en artikelen in wat we vroeger noemden ‘damesbladen’, dat veel van deze problemen voorkomen hadden kunnen worden wanneer aanstaande ouders beter waren voorbereid op het ouderschap.

Een van deze wetenschappelijke onderzoeken is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en heeft geleid tot de online cursus PinkCloud. Een ander onderzoek is uitgevoerd door de Hogeschool van Leiden en heeft geleid tot het ontwikkelen van de gedeeltelijke online en gedeeltelijke offlinecursus OuderTeam. Persoonlijk denk ik dat een online cursus gemakkelijk gedaan kan worden door paren die daarnaar, uit zichzelf, op zoek zijn en er samen het beste uit kunnen halen. En ik vermoed dat er veel meer paren zijn die gebaat zouden zijn bij een oudercursus met de steun van offline lessen.

Bottomline is dat deze oudercursussen met veel inspanning, geld en menskracht wetenschappelijk zijn onderzocht en dat het erop lijkt dat het hierbij blijft. En dat is niet genoeg…ik zeg: weten is niet genoeg, het gaat erom wat er met die wetenschap gebeurt.

Om zoveel als mogelijk problemen in gezinnen te voorkomen moet er, volgens mij, aan de voorkant iets structureel verbeteren. In het zorgpakket voor ouders is alle zorg rond de geboorte van een baby geregeld. Maar er is tegelijk de geboorte van een gezin en daarmee moeten deze cursussen, daar ben ik heilig van overtuigd, in het zorgpakket een plaats krijgen. Daarbij zouden ouders de keuze hebben tussen een online cursus als PinkCloud of de (in mijn ogen completere) cursus OuderTeam. De verloskundige kan daarbij adviseren om te kiezen voor het ene of het andere, maar alle aanstaande en prille ouders zouden daarbij gebaat zijn.

Uiteindelijk zullen meer gezinnen zelfstandig (zonder hulp van instanties) en tot hun eigen tevredenheid en geluk kunnen functioneren. Dit zal de gemeenschap geld schelen. Elk gezin dat door een instantie geholpen moet worden kost veel geld en dat valt nog in het niet bij het levensgeluk dat die gezinnen ontberen door de problemen die ze hebben.

De destijds zestienjarige jongen is inmiddels de 30 al lang gepasseerd. Een paar jaar geleden kwamen we hem tegen op het voormalig terrein van Dennenoord waar mensen met psychische problemen worden opgevangen en begeleid. Hij woonde op dat terrein. We spraken hem kort en ik ben bang dat uitgekomen is waar ik al die jaren al bang voor was, dat hij nooit zelfstandig zal kunnen wonen en voor zichzelf zorgen. Bijna een leven lang afhankelijk zijn van instanties, dat kost de gemeenschap veel geld en de persoon in kwestie onbetaalbaar levensgeluk.

Waar verloren we elkaar?

Cal en Emily krijgen op hun 17de dochter Hannah en na hun 30ste, wanneer ze echt volwassen zijn, nog een zoon en een dochter. Ze houden van elkaar maar er knaagt iets. Emily gaat vreemd en wil scheiden, Cal vertrekt meteen. In een bar ontmoet hij een jongeman die hem bewust maakt van de ietwat slonzige manier waarop hij door het leven gaat en, nadat hij hem een soort make over heeft gegeven,  hem kennis laat maken met wat ‘loslopende’ dames. Bij een bezoek dat ze samen doen aan de school van hun zoon bekennen Cal en Emily elkaar schoorvoetend dat ze elkaar missen.

Met Cal en Emily in de mooie film Crazy, Stupid, Love, komt het goed. Het gezin blijft bij elkaar en ieder heeft iets uit de moeilijke, gelukkig korte, periode geleerd. Een zinnetje uit de film bleef bij mij hangen. Emily vraagt Cal: ‘When did we stop being ‘us’?

Voor mij staat in deze zin het ‘us’ voor het samenzijn van twee mensen. Je hoeft niet alles samen te doen maar een vorm van ‘samenzijn’ is in een relatie wel wenselijk. Wanneer je ieder je eigen gang gaat en langzamerhand steeds minder elkaars leven gaat delen dan verlies je dat samenzijn. Wanneer dan je ex-geliefde met een ander is en je vraagt je af: ‘Waarom kan hij nu wel zo zijn, zo doen, zo praten?’ dan heeft hij blijkbaar met die ander dat samenzijn dat jullie samen ergens zijn verloren. En soms vraag je je dan, te laat, af of dat wel nodig was geweest.

Ik ben er altijd alert op geweest en misschien heeft dat, voor mijn liefste, wel eens wat beperkend gevoeld. Ik heb hem ook eens gezegd dat ik bang was ons huwelijk te verliezen aan ‘iets dat niets voorstelt’. Dat heb ik mensen wel eens horen zeggen of las het ergens: ‘Het stelde niets voor,’ en dan was wel de relatie over of verstoord. Tegelijk heb ik me ook altijd gerealiseerd dat, wat er ook gebeurt iemand altijd meer is dan die ene gebeurtenis. En dat er gelukkig mensen zijn die hebben kunnen vergeven en daarmee hun huwelijk en gezin konden redden, zoals Cal en Emily.

Wanneer je relatie niet goed voelt en je daar wat ongerust over bent kan de vraag: ‘Zijn we goed samen?’ een goede opening zijn voor een mooi gesprek.

Een Corona geval

Ik voelde de griepklachten al opkomen voordat ik wist dat ik besmet zou zijn. Ik wist dat de kans er was maar wilde er niet aan. ’s Middags wist ik het zeker en ik voelde al snel de grieppijn in mijn lijf. Het was al eerder begonnen met hoesten, wat ik ook eerst ontkende en ik was al in quarantaine vanwege mijn liefste die nog in afwachting was van het resultaat van de test.

Ik deed de derde dag een test, mijn eerste, die verliep zoals ik had verwacht. Ik moest kokhalzen toen mij de test werd afgenomen en het staafje in mijn neus voelde ik ergens in mijn voorhoofd. Ik kwam thuis en kreeg een paar uur later de uitslag: U bent positief getest voor Corona. Ik slikte de hele dag aspirine en het leek nog best goed te gaan. Het hoesten werd alleen erger en het slapen steeds minder.

Op dag vier leek het mij goed om maar in bed te blijven in de hoop daar sneller van op te knappen en ook dag vijf en zes bracht ik voornamelijk slapend door. Het voelde als griep en toch anders, vermoeiender. Ik had een milde variant, geen koorts, geen benauwdheid, de grieppijnen gingen over, alleen het hoesten en de vermoeidheid bleef.

Ik ben inmiddels beland op dag 16 na het begin van de klachten. De afgelopen dagen is het op en neer gegaan, voornamelijk met de vermoeidheid. Het hoesten neemt af, heel langzaam maar het neemt echt af. Ik loop alweer een paar dagen één keer per dag een rondje buiten. Ik ben al snel weer een keer de supermarkt in geweest en we zijn een paar dagen weg van huis. En dat is heerlijk. Even uit ons huis, even een andere omgeving.

Ik heb vandaag een goede dag, gisteren een mindere. Ik heb me de afgelopen dagen vaak afgevraagd: ‘Wanneer word ik weer fit? Word ik echt weer fit? Wanneer kan ik weer hardlopen? Wanneer houdt het hoesten echt op?’ En ik heb een milde variant gehad! Dat is denk ik een ‘valkuil’ van deze ziekte. Hoe kom je eruit?

Mijn hart gaat uit naar de mensen die er heel ziek van zijn geweest. Voor hen zal het herstel er nog heel anders uitzien. En wellicht nog langer duren. Ik heb geluk gehad en realiseer me tegelijk dat nog onduidelijk is wat de uiteindelijke uitkomst zal zijn. De echte gelukkigen krijgen het niet. Het is een rotziekte…zelfs de milde variant.

Ik ben alles dat jij niet bent…en andersom

‘Een onmogelijke liefde’ zo noemde iemand het eens terwijl ze sprak over onze relatie. De relatie die ik heb met mijn liefste. Het huwelijk duurde toen 18 jaar en het waren turbulente jaren geweest. En waar het vooral niet aan ontbrak was liefde, want die was er voldoende.

Het is moeilijk elkaar te begrijpen wanneer je verschillend bent. Dat is voor iedereen gelijk. Wanneer je van dezelfde dingen houdt, hetzelfde voelt over de omstandigheden waarin je leeft, hetzelfde gevoel voor humor hebt en dezelfde dingen belangrijk vindt, dan kun je samen vloeiend door het leven gaan. Wanneer dat niet zo is…is dat lastiger.

Maar het kan heel goed, ik ervaar dat al 38 jaar en weet ook precies wat het kost. Communicatie is hierin heel belangrijk. Zowel praten als luisteren. Maar ook kijken en accepteren. Mijn liefste is daar heel goed in, in accepteren. Ik heb juist moeite met accepteren, maar ik kan heel goed onderscheid maken tussen wat ik echt belangrijk vind en wat niet. Daardoor laat ik heel veel beslissingen aan hem over. Meubels kiezen, of vakantiebestemmingen, dingen wel of niet doen? Prima. Als hij het graag wil vind ik het goed, als we het maar samen hebben en samen beleven.

Als ik iets heel belangrijk vind zou het gek zijn als het niet gebeurt en dan zou het ook gek zijn als mijn liefste daar moeite mee heeft. Want dat gebeurt gewoon niet. Het kan wel even lastig zijn, en dat heeft er dan mee te maken dat we elkaar op een punt even echt niet begrijpen, maar we komen er altijd uit…omdat we dat willen.

Waar we dan zo verschillend in zijn? In alles, echt alles. We hebben dat onlangs, en nu gelukkig glimlachend, nog samen geconstateerd. Want het is voor ons niet meer moeilijk en dat is wat de tijd die we samen zijn voor ons heeft gedaan. We hebben geleerd met elkaar mee te bewegen en te accepteren dat we zijn wie we zijn. Hoe zeg je dat ook? Oh ja, we kunnen elkaar in elkaars en onze waarde laten. 

Dat kan ik wel, oma

Wanneer baby’s peuters worden is daar altijd het moment dat ze gaan praten. Een bijzonder moment. Wanneer ze al lang groot en naar school zijn weten vaak hun mamma’s nog precies wat hun eerste woordje was. Van de meisjes herinner ik me een eerste korte zinnetje: ‘Mamma, eentje boot,’ en, nee, het eendje zat niet in de boot maar mijn kleintje nodigde mij uit om met haar de eendjes te gaan voeren. Het eerste woord van één van de kleinkinderen was volgens mij ‘baum’. Ik weet nog dat we ons verbaasd afvroegen of het een Duitstalig kindje zou worden.

De kleintjes leren van ons, ze luisteren naar onze woorden en beginnen die op enig moment na te zeggen. Heel lang praten wij tegen de kinderen en brabbelen zij hun enkele woordjes na. We glimlachen om hun verbastering van de woorden en zijn inwendig trots op het feit dat ons kleintje dat al doet. En we zijn ook blij en een beetje opgelucht, want dat de kinderen zich allemaal kunnen ontwikkelen is niet vanzelfsprekend.

En dan heb je opeens echte conversaties. Je merkt (wanneer is dat begonnen?) dat je niet meer tegen maar met je kindje praat. Wat hij ‘krom’ zegt hoef je niet te verbeteren, las ik in een Samenleren les. Zeg het liever in een vraag of antwoord op de juiste manier. Heel duidelijk merkte ik deze zomer bij ons jongste kleinkind dat hij dacht: ‘Hé, wat zei ik eigenlijk?’ Ik had voor hem en zijn broer een fles siroop meegenomen en toen hij zei: ‘Lekke(r) milonade,’ vroeg ik: ‘Ja? Vind je limonade lekker?’ Toen zag ik dat kleine koppie nadenken.

Een aantal maanden geleden, toen de jongetjes de laatste keer bij ons logeerden, kon de jongste voor het eerst (bij ons) zelf bij het fonteintje zijn handen wassen. Ik had al gemerkt dat, wanneer hij of zijn broer naar het toilet was geweest, het handdoekje op de grond, of op de pedaalemmer geslingerd lag. Ik begreep het ook wel, de ophang lus waar ik ze aan laat hangen is te breed en onhandig voor die ongedurige jongensvingers. ‘Hang hem daar maar overheen,’ zei ik, wijzend op de zwanenhals onder het fonteintje.

De volgende dag verwisselde ik het handdoekje en daaraan bleek een echt lusje te zitten. Jongste kleinzoon droogde er zijn handen aan af, zag het lusje en zei, toen ik het doekje wilde ophangen: ‘Oh, dat kan ik wel oma,’ en die zin zit sindsdien in mijn hoofd. Elke week komt dat ene lichtblauwe handdoekje, met echt lusje, een keer door mijn handen en dan hoor ik het zijn blije stemmetje weer zeggen.

Hij gaat sinds kort naar school en ik weet nu al dat wanneer hij straks echt groot en volwassen is, ik hem nog steeds voor me kan zien als driejarig jongetje en zijn blije stemmetje kan horen…voor altijd als een puntgave herinnering in mijn hoofd.