Preventie vanaf het begin

Op LinkedIn zie ik een bijdrage van mevrouw Jet Bussemaker. Het gaat over de problemen rond obesitas en hoe het een maatschappelijk probleem betreft en geen probleem van het individu.

Via de link: https://www.groene.nl/artikel/buikvet-is-niet-een-laagje-blubber-alleen is het lange artikel te lezen waar deze bijdrage over gaat. Het artikel heeft een leestijd van 21 minuten. Lang vind ik voor een LinkedIn bijdrage. Maar ik vermoed dat ik hier een commentaar op wil geven en lees het dus, helemaal.

Om te weten dat obesitas er is in ons land hoef ik maar om me heen te kijken. Dat het ernstige gevolgen kan hebben, dat het meer voorkomt bij mensen die in armoede leven, dat al jaren vele instanties zich ermee bezig houden, daarover heb ik al vaker iets gelezen. En toch…toch lijkt obesitas onder de mensen eerder toe dan af te nemen.

Daarom is er de roep om preventie. Wat niet gebeurt (in dit geval dat mensen te dik worden), daar hoef je ook geen (dure) maatregelen voor te nemen. Ah, preventie. Daar schreeuw ik ook om en wel, preventie vanaf het begin. Daar is dan ook mijn commentaar op gericht.

De beste preventie die ik kan bedenken is al voor de geboorte van een baby, voor de geboorte van een nieuw gezin, de ouders een goede oudercursus aan te bieden. Een cursus die gericht is op het samen sterk staan in het ouderschap. Een cursus waarin communicatie en samenwerking een belangrijke plaats inneemt , waar ook een ‘goede leefstijl’ onderdeel van kan uitmaken.

Wanneer aanstaande ouders goede voorlichting krijgen over een gezonde leefstijl, dan is er veel kans dat ze voor zichzelf en hun kinderen goede keuzes kunnen maken. Een gezonde leefstijl begint bij een gezonde relatie. Een relatie waarin liefdevol gecommuniceerd wordt, waarin daadwerkelijk het leven van het gezin ‘gedeeld’ wordt. Waarin ouders weten wat ze voor elkaar en hun kinderen willen. En dat is voor iedere ouder zeker geen obesitas.

Een goede leefstijl is in de eerste plaats een kwestie van mentale kracht. En om mensen mentaal in hun kracht te zetten, daarmee kun je niet vroeg genoeg beginnen.

O, wat een fijne dag

Als een filmpje in mijn hoofd zie ik me lopen over het winkelcentrum met mijn twee kleine meisjes. Het is een speciale dag, want overal liggen kleedjes met speelgoed en oude boeken en boekjes met achter elk kleedje één of twee kinderen. De meisjes weten al lang dat ze iets mogen uitzoeken en ze rennen van het ene kleedje naar het andere om te kijken wat ze echt graag willen hebben.

Wat elk van de meisjes uitzocht weet ik niet meer, maar over het boek, met de blije titel ‘O, wat een fijne dag’, waren ze het direct eens, die wilden ze heel graag hebben. In grappige zwart/wit tekeningetjes en kleine tekstjes, afgewisseld met over twee pagina’s gekleurde heel mooie tekeningen met gedichtjes, beschrijft dit boek de dagen van een kind vanaf het wakker worden ’s morgens tot het ’s avonds naar bed toe gaan. Ook gaat het over wat je later wilt worden, over vriendschap en verdriet. En de verschillende dingen die kinderen in de verschillende jaargetijden doen.

Ik weet niet hoe vaak we dat boek hebben gepakt, om voor te lezen en te bekijken. Ik vond het zeker zo mooi als de kleine meisjes. Bij elke keer dat we het pakten ontdekten we weer nieuwe dingen.

Toen de meisjes groter werden en er niet meer naar omkeken, bleef het in mijn boekenkast staan…en decennia later heeft het boek weer plezier gegeven aan de volgende generatie, de kleine kindjes van mijn eigen kinderen.

Ik moest er vanmorgen aan denken toen ik met mijn liefste in het zonnetje zat en dacht: ‘Oh, wat een heerlijke dag,’ en ik realiseer me dat ik dat best vaak denk. Als ik bij mijn kinderen ben bijvoorbeeld, of met mijn liefste een wandeling maak. Als ik denk aan de wilde jongetjes en wat die allemaal beleven, of aan de grotere kinderen waarbij ‘oppassen’ tegenwoordig betekent, lekker in de stoel zitten lezen. En ook als ik bij één van de zussen aanfiets voor een kopje koffie en een praatje, of als ik bij mijn broer een paar uurtjes gitaar kan spelen.

O, wat een fijne dag, soms kan het er zomaar zijn.

Iedereen evenveel waard

‘Ben jij bruin?’ Voor het eerst na een paar maanden corresponderen, had ik mijn penvriendin uit het zuiden van Nederland aan de telefoon. ‘Ja,’ antwoordde ik, een beetje overdonderd door haar vraag. ‘Ja, nee,’ zei ze, ‘dat geeft niet maar ik hoorde het aan je moeder,’ ‘Oh,’ zei ik, ‘ja, je kunt aan mijn moeder wel horen dat wij Indisch zijn,’

Ik had in mijn brief verteld dat ik bruine ogen en zwart haar had, dat ik 13 jaar oud was en iets groter dan zij. Dat had ik begrepen uit wat ze mij over haarzelf had geschreven. Zij had blond haar en bruine ogen, ze was 15 jaar oud en 1.60 meter lang. Mijn achternaam is Janssen. Daaruit kun je ook al niet opmaken dat ik bruin ben. Misschien had ik eraan gedacht het te vermelden als zij had geschreven ‘ik ben blank’. Maar dat deed ze niet en dat zou misschien ook wel wat bijzonder geweest zijn.

Ik was 2½ jaar oud toen ik met mijn familie naar Nederland kwam. Mijn ouders hebben tot het eind toe gehoopt dat Nieuw Guinea, waar ik geboren ben, een deel van Nederland zou blijven. Vergeefse hoop, zo bleek op enig moment en toen zat er niets anders op dan naar Nederland te repatriëren. Het heet zo, al waren wij nog nooit in ons vaderland geweest.

Wat mijn ‘kleurtje’ betreft: dat zal nooit anders worden. Ik verbaasde me er vroeger over dat mensen soms ’s zomers zeiden: ‘Wat ben jij lekker bruin,’ terwijl ik ook wel eens hoorde, voelde of merkte dat mijn bruine kleur iets anders opriep. Mijn (bijna blanke) vriendinnetje bijvoorbeeld die eens te horen kreeg: ‘Ga naar je eigen land,’ waar ze dus al lang was.

Ik begon al heel jong te werken in een supermarkt. Ik had het daar geweldig naar mijn zin. Ik deed daar kassawerk en later administratie. Nadat ik op HBO niveau Engels had gestudeerd werd ik docent en heb dat zelfs nog een poosje gecombineerd met kassawerk. Toen bleek dat voor iemand verwarrend te zijn. Ik hoorde iets als: ‘Dat doe je toch niet, als je ook docent bent,’ en ik dacht: ‘Waarom, eigenlijk niet,’

Ik ben niet meer zo naïef als toen. Het heeft te maken met iets lager vinden dan het andere. De ene baan ‘minder’ vinden dan de andere. En ik ben steeds meer gaan merken dat er mensen zijn die sommige mensen ‘minder’ vinden dan andere.

Al verzet ik me ertegen, met hand en tand, ik ben wel van het vergelijken. En natuurlijk vind ik het dan prettig wanneer ik vind dat een verschil in mijn voordeel uitvalt. Ik zie dat we er verschillend uitzien, we hebben verschillende beroepen, we houden van verschillende dingen…maar hoe, in de vrede, kunnen we vinden dat iemand meer of minder waard kan zijn dan wijzelf…of een ander?

Scha(n)delijke zorg

‘Nee, ik wil geen zorgmelding doen, alleen een formele melding. Ik heb over deze mevrouw geen zorg,’ zegt de verloskundige. De dame van ‘Veilig Thuis’ aan de andere kant van de lijn geeft aan dat dat niet mogelijk is, de verloskundige moet een zorgmelding doen. De zwangere moeder, voor wie de verloskundige volgens protocol een formele melding wil doen, is in verwachting van haar derde kind. Haar twee andere kinderen zijn uit huis geplaatst. Ondanks dat deze moeder, met haar nieuwe partner, haar leven aantoonbaar weer op de rit heeft, krijgt ze haar oudere kinderen niet terug. Deze kinderen zullen tot hun achttiende in een pleeggezin opgroeien, omdat de kinderrechter dat heeft bepaald.

In de 2Doc Goede moeders volgen we verloskundige Sylvia van Kospoth die in haar praktijk meerdere zwangere moeders begeleidt, waarvan de andere kinderen uit huis zijn geplaatst. In één van de gevallen is dit gebeurd na een anonieme melding waarbij werd gezegd dat de moeder een persoonlijkheidsstoornis heeft. Hoewel zij later heeft kunnen aantonen dat dit op onwaarheid berust bleef de uithuisplaatsing. Er werd gezegd dat de kinderen nu ‘aan de pleegouders zijn gehecht’ terwijl de kinderen zelf aangeven ‘naar huis te willen’.

In een ander geval was de moeder de eerste keer te jong om voor haar kind te zorgen en heeft toen vrijwillig afstand van haar baby gedaan. Daarna werden haar nieuwe baby’s kort na de geboorte bij haar en haar partner weg gehaald. De moeder zou niet in staat zijn voor haar kind te zorgen, tot grote verbazing en terechte boosheid van de verloskundige die dit paar heeft begeleid en weet dat ze dat wel kunnen.

In de documentaire komt naar voren hoeveel schade en (mentaal) geweld er wordt gedaan aan zowel de ouders als de kinderen die van elkaar worden gescheiden op last van de kinderbescherming en jeugdzorg. Instanties die er zouden moeten zijn om kinderen te beschermen en zorg te geven aan kwetsbare ouders en kinderen. 

In de documentaire komt een psycholoog aan het woord die al jaren misstanden constateert in jeugdzorg instellingen. Hij noemt een percentage van 60% van onterechte uithuisplaatsingen en/of onder toezichtstellingen. De reden die hij hiervoor geeft, is dat in plaats van feitelijkheden er (te)veel interpretaties worden gegeven in de rapportages aan de kinderrechter.

Kijk deze 2Doc terug https://www.npostart.nl/2doc/07-07-2021/KN_1725987 , je weet niet wat je ziet.

Hulde aan deze verloskundige die niet wegkijkt maar deze kwestie aan de kaak stelt. Dat het met de baby’s in de documentaire goed is gekomen, dat ze bij hun eigen ouders mogen opgroeien, hebben de ouders wellicht aan de documentaire en haar makers te danken. Dat de oudere kinderen niet naar de (nu aangetoond goed functionerende) ouder(s) terug kunnen is een vorm van kindermishandeling door instanties, die kinderen moeten beschermen en voor kwetsbare kinderen en hun ouders zouden moeten zorgen.

De moeder van mijn moeder

Mijn moeder kon mooi vertellen, en dat deed ze ook graag. Gelukkig had ze 12 kinderen en 22 kleinkinderen, waardoor ze steeds weer de verhalen kon vertellen waarvan ze zelf zo genoot.

Toen ze eens had gespijbeld kreeg ze als strafwerk het overschrijven van een plantkunde-les. Ze leverde het in…en kreeg het terug met de opmerking: ‘Bewaar het maar voor een volgende keer,’. Met een prachtig, triomfantelijk gezicht voegde ze daaraan toe: ‘Dat liet ik me natuurlijk niet nog eens zeggen,’.

Ook wilde ze graag meelopen met de wandelmars van school, maar daar moest je 16 voor zijn. Geen probleem voor mijn moeder, bij de directeur van de school kreeg ze gedaan dat ze voor die gelegenheid haar leeftijd met twee jaar mocht verhogen. En voortaan deed zij natuurlijk aan de wandelmarsen mee.

Ze had ook nog een mooi verhaal over een klasgenoot die Varkevisser heette. De meester, meneer Ronteltap, had tegen hem gezegd: ‘Dat is toch geen naam, die jij hebt, dat is een werkwoord: ik vis varkens, jij vist varkens, enz.’ waarop de leerling direct pareerde: ‘Ik rol van de trap, jij rolt van de trap, enz.’ ‘Ad rem,’ vond de meester. 

Het leuke aan die verhalen vind ik dat mijn moeder blijkbaar ook graag naar school ging, net als ik. Zij was alleen niet zo’n braverik als ik. Ze spijbelde gewoon als ze vond dat ze daar reden voor had. Ik was er altijd, op de keer na dat ik wist dat de klas ging paardrijden in plaats van een gymles. Ik durfde daar niet aan mee te doen omdat ik op mijn negende mijn arm op twee plaatsen had gebroken…na een val van een pony. Mijn moeder heeft toen voor mij naar school gebeld en gezegd dat ik niet kwam. Zo was ze ook, niet teveel woorden aan vuil maken, gewoon, ik kwam niet, klaar.

Ik hield van haar verhalen en het mooiste verhaal blijft voor mij die ene over haar moeder. Op een dag kwam er een buurmeisje aan de deur en mijn moeder deed open. Wat de beide kinderen aan informatie uitwisselden weet ik niet, maar mijn moeder kwam bij haar moeder en zei: ‘Mammie, Anneke staat voor de deur en ze vraagt een kwartje,’ Ik weet nog dat ik haar aankeek en vroeg: ‘Wat zei mammies moeder toen, mam,’ En, alsof dat het enig mogelijke antwoord was, zei ze: ‘Nou…geef dan,’

We hebben haar nooit gekend, de moeder van onze moeder. Ze overleed al toen ze 37 was, onze moeder 16 en het jongste zusje nog maar een baby. Ze heeft niet lang voor haar kinderen kunnen zorgen, maar ze heeft ze wel de zorg voor een ander kunnen meegeven. En ik ben blij en trots dat wij daar ook wat van hebben mee gekregen.

Scheiden zonder schade

Schuldloos gescheiden. Volgens mij kan dat net zomin als Scheiden zonder schade. In mijn beleving kan er bij een scheiding geen sprake zijn van schuld. Net als bij heel veel andere situaties waarbij het woord ‘schuld’ wordt genoemd. Heb jij schuld wanneer je verliefd wordt op een ander, terwijl je in je eigen huwelijk bent vastgelopen en er toch alles aan gedaan hebt om het beter te laten werken? Heb je schuld wanneer je wegloopt van je echtgeno(o)t(e) en je kleine kindje, omdat je ervan overtuigd bent dat dat ook voor hen het beste is en nog niet weet dat dat niet klopt? Het is een enorm drama voor alle betrokken partijen, maar heb je dan schuld?

Ik weet dat het programma Scheiden zonder schaden erop gericht is bij een scheiding de schade voor alle betrokken partijen en vooral voor de kinderen te beperken. Maar zonder schade scheiden, wanneer er kinderen bij betrokken zijn, is niet mogelijk.

In de scheiding die ik van dichtbij heb meegemaakt heeft de moeder van het gezin eens gezegd: ‘Ja, mijn kinderen zijn ook beschadigd, dat kan niet anders,’ en ik denk dat ze daarin gelijk heeft. Nu, een aantal jaren na de scheiding zie ik dat alle betrokken volwassenen hun uiterste best doen het voor deze kinderen zo goed en gemakkelijk mogelijk te maken. Wat dat inhoudt?

De rust voor de kinderen, van altijd weten wanneer ze bij pappa en wanneer ze bij mamma zijn. De volwassenen die meedenken over wat de kinderen nodig hebben voor school en dat naar hun beste kunnen, en in overleg, voor ze faciliteren. De liefde die ze van alle kanten wordt geschonken. De manier van overleg en elkaar aanspreken in het belang van de kinderen. Ervoor zorgen dat de kinderen weten: mijn pappa en mamma zijn niet meer samen, maar ze houden allebei van ons en wij mogen van allebei blijven houden. En zelfs van de nieuwe man of vrouw in hun leven.

Wanneer alle gescheiden ouders dit waar kunnen maken dan zijn we een heel stuk dichter bij ‘Scheiden zonder schade’.

Lijsje Lorresnor/ laaggeletterdheid de wereld uit helpen

Ik moet lezen. Elke dag. Voor mij is een dag niet gelezen, een dag niet geleefd. Sinds ik op mijn zesde leerde lezen heb ik dat elke dag gedaan. Ik ben een veellezer en een snellezer. Er zijn boeken die ik meer dan een keer lees, series boeken ook, en ik lees altijd meerdere boeken naast elkaar. Niet letterlijk, maar wel in dezelfde periode.

Het eerste boek dat enorm indruk op mij maakte was ‘Lijsje Lorresnor’ geschreven door mevrouw I.M. Selleger Elout. Toen ik het vanmorgen weer begon te lezen las ik op de eerste pagina (het was mij nog nooit eerder opgevallen) dat het voor tien jaar en ouder is. Toch heb ik het, in mijn herinnering, voor het eerste gelezen toen ik niet ouder was dan acht jaar. Het was een boek uit de schoolbibliotheek waaruit we boeken mochten zoeken voor het ‘stillezen’ uurtje, dat mogelijk in de eerste klassen korter was dan een uur.

Van het verhaal herinnerde ik me het jonge meisje voor wie de vader, een boerenknecht, een huisje maakte van klei. En dat de moeder een beetje een stuurse vrouw was die dat ‘kleien’ maar onzin vond. Na een oproepje in Libelle kreeg ik de naam van het boek en de auteur en mensen die het aan mij wilden verkopen. Maar ik zocht (en vond) het liever op de boekenmarkt in Deventer.

Nu ik het boek een aantal keren heb gelezen, weet ik dat het bordeaux rode (dat ik vast in mijn hoofd had) een rood fluwelen lapje was dat Lijsje vond op de vuilnisbelt. Daar zocht ze, met haar zusjes, soms naar bruikbare spullen voor het arme gezin (het verhaal speelt meer dan een eeuw geleden). Aan die vuilnisbelt ‘dankt’ ze ook haar bijnaam. Nu begrijp ik heel goed waarom juist dat boek zo’n indruk op mij maakte.

Lijsje paste niet goed in die tijd, waar in de meeste boerengezinnen alleen werken op het land en in huis, of in een winkel of een dienstje, werd gezien als ‘werk’. Zij werd uiteindelijk kunstenares maar voordat ze dat bereikte moest haar wezen steeds geweld worden aangedaan, omdat ze niet paste in de wereld waarin ze moest opgroeien. Ze had heel lieve ouders waarin ik veel van mijn ouders herkende, al pasten ze niet een op een op elkaar. En net als Lijsje heb ik moeite om mee te komen in de wereld waarin ik leef.

Lezen is voor mij zo’n enorme vreugde dat ik het heel jammer vind om te horen dat het leesvermogen van de mensen van nu achteruit holt (op televisie gehoord van Adriaan van Dis in Buitenhof). Ik begrijp ook niet zo goed dat dat kan met zo’n belangrijk vak als lezen. Het zal op school worden gegeven, dat kan niet anders, maar misschien niet op zo’n manier dat kinderen er echt plezier aan beleven. En om er plezier aan te beleven moet het eerst voldoende gedaan worden. Dat betekent minstens dat het ook thuis aanwezig moet zijn. Dat lezen hoort bij het dagelijks leven. En aansluitend, schrijven.

Ik pleit voor minimaal een uur per week stillezen in elke klas op elke niveau en geef elke leerling een schrift (las ik deze week ergens) waarin ze hun gevoelens van die dag opschrijven, op school. Laaggeletterdheid moet de wereld uit zodat er voor laaggeletterden een wereld kan opengaan.

Meer gezinnen bij elkaar houden

Stel je voor dat we het voor elkaar krijgen om een oudercursus voor aanstaande ouders net zo gewoon te maken als het werk van de verloskundige en het consultatiebureau. Als onderdeel van het zorgpakket voor ouders zit het in het basispakket en iedereen doet aan de cursus mee.

Laten we zeggen dat na verloop van tijd de impact van de ondersteuning van aanstaande ouders rond ‘de geboorte van hun gezin’ duidelijk wordt en zijn vruchten gaat afwerpen. Hoe zou dat er dan uitzien?

Ouders zouden beter voorbereid zijn op de komst van de baby waar meer dan ooit samen naar is uitgekeken. Pappa’s en mamma’s hebben samen gecommuniceerd over hun veranderende leven. Hoe de verdeling zal zijn van werk- en zorgtaken is duidelijk, want die hebben ze tijdens de cursus met elkaar en de andere ouders bedacht en besproken. Ook hebben ze gesproken en nagedacht over de tijd die ze aan hobby’s en uitgaan willen en kunnen besteden. De rust die er is rond de geboorte van de baby, is een prettig begin van deze nieuwe fase in hun leven.

Door de contacten die ze hebben met de Prille-ouder coach die hen begeleidt en de ouders met wie ze de cursus hebben doorlopen is er, naast hun netwerk van familie en vrienden, al een grotere ‘village’ ontstaan die ze kan bijstaan en die ze om hulp durven te vragen. Ze weten beter hoe te handelen met alle grote en kleine zorgen rond hun ‘kleine’. 

Er zullen scheidingen worden voorkomen. Zeker niet allemaal, maar elke scheiding die kan worden voorkomen zal schelen in kosten voor de gemeenschap en wat echt het allerbelangrijkste is: er zal meer levensgeluk zijn voor meer ouders en kinderen dan nu het geval is. Diep in zijn hart wil elk kind het allerliefst bij zijn beide ouders opgroeien en diep in hun hart willen alle ouders dat ook. Elke ouder wil zijn kind zien opgroeien en hem daar zelf, zo goed als hij kan, bij begeleiden.

En er zullen de bonussen zijn: meer rust in de maatschappij vanwege rust in meer gezinnen, want om het nog maar een keer aan te halen: de maatschappij dat zijn en blijven wij. Het geld dat aan de ‘achterkant’ wordt uitgespaard doordat minder gezinnen hulpverlening nodig hebben. Geld dat dan besteed kan worden aan andere zorg en het zo belangrijke onderwijs. En, wie weet hebben we dan minder huizen nodig. Gezinnen die bij elkaar blijven, wonen ook samen in een huis. Ik ga ervoor dat meer kinderen, net als wij en onze kinderen, bij hun beide ouders mogen opgroeien.

Herinneringen

In de auto, een rit van twee uur voor de boeg, begin ik vanzelf een beetje te mijmeren over vroeger. Ik moet opeens denken aan een mooie zomer, toen ik een jaar of tien was. Ik zie mezelf lopen, tenger meisje met zwart lang haar, geruit groen/wit rokje aan en sandaaltjes aan mijn voeten. Ik voel me heel prettig met die herinnering in mijn hoofd. Ik vond het heerlijk om kind te zijn in het grote gezin waarin ik ben opgegroeid. Er was altijd iemand om te helpen, wanneer ik hulp nodig had en altijd iemand om met mij mee te gaan, wanneer ik iets moest doen dat ik moeilijk vond. Zelfs de aanwezigheid van mijn kleine zusjes, waar ik soms op moest passen, kon mij een enorme steun in de rug zijn.

Ik hield ook van school, van de lessen die voor mij heel overzichtelijk waren. Ieder op een stoeltje aan een tafeltje luisteren naar de prachtige verhalen van de juffen en de meesters. Het ‘stillezen’ uurtje waarbij je achter uit de bibliotheekkast een boek mocht kiezen. Ik las toen voor het eerst het boek Lijsje Lorresnor dat ik zo’n veertig jaar later vond op de boekenmarkt in Deventer. Libelle lezeressen hadden mij aan naam en auteur van het boek geholpen, want het enige dat ik als achtjarige na één keer het boek lezen had onthouden was summier het verhaal van het arme meisje, dat uitgroeide tot een heuse kunstenares.

Ik koester deze herinneringen. Wanneer werd ik eigenlijk van jong naar ouder, naar de oudere die ik nu ben? Ik weet het niet en het geeft ook niet. Ik was jong, ik werd moeder, ik werd oma. Ik heb mooie herinneringen en maak nog elke dag nieuwe. Ik gun dat zo iedereen.

Weerstand

‘Appeltje, eitje,’ dacht ik toen mijn zus zei: ‘Begin een petitie, Ro’m, ik teken direct.’ Deze aanmoediging, die mij zo goed deed, was de start van het opzetten van mijn burgerinitiatief. Mijn initiatief om een oudercursus op te nemen in het zorgpakket voor ouders, het basispakket waarin ook zwangerschaps- en geboortezorg zit.

Nu, drie maanden later, weet ik dat dat appeltje en dat eitje wel heel ver te zoeken zijn. Ik huurde een talentvolle jonge dame in, die mij helpt met het bekendmaken van mijn initiatief op Social Media. En ik maakte lijsten met namen van mensen waarvan ik zeker dacht dat ze mij  en mijn initiatief gingen ondersteunen. Vol goede moed ging ik op pad. Ik vertelde uitgebreid het burgerinitiatief verhaal en het was dan heel fijn als familie, vrienden en kennissen hun gegevens, met handtekening invulden. Ondertussen werd het initiatief ook via Facebook en LinkedIn bekend gemaakt, en vulden mensen ook via dat kanaal hun steunbetuiging in. So far, so good.

Het zijn er alleen veel te weinig…het gaat veel te langzaam. Tegelijk met de aanmoediging zei iemand: ‘Als je er al zo lang mee bezig bent (meer dan 10 jaar), dan doe je iets niet goed,’ Hm, dat vond ik niet zo leuk maar ik dacht tegelijkertijd: ‘En je hebt ook gelijk,’ En mijn man zei: ‘Ro’m, als jij 40.000 mensen kende dan was het zo voor elkaar, want je overtuigt ze altijd,’ en dat is ook bijna waar. 99% van de mensen knikt en begrijpt het als ik met ze spreek over de impact van het krijgen van een baby en dat dat (te) vaak de oorzaak is van het feit dat ouders soms al uit elkaar gaan voor dat hun kindje de peuterleeftijd voorbij is. En ook als ik spreek over een logisch gevolg van zo’n scheiding, dat zo’n alleen staand kindje vaak twee nieuwe gezinnen krijgt (want nog jonge ouders) maar voor altijd zijn eigen gezin ‘kwijt’ is.

Wanneer er niet gesteund wordt is dat vaak vanwege een weerstand. Sommige mensen kunnen niet geloven dat paren gaan scheiden vanwege de impact van het krijgen van een baby. Iemand wilde niet dat ondersteuning van de relatie van de aanstaande ouders in het zorgpakket zou komen. Er zijn mensen die niet geloven dat iemand aan zo’n cursus zou willen meedoen, zij zouden dat zeker niet doen. Meerdere mensen benoemen dat ze niet willen dat zo’n cursus ‘verplicht’ zou worden (in mijn beleving moet het niet ‘verplicht’ maar ‘gewoon’ worden). Er zijn mensen die geen gegevens durven geven en dat begrijp ik ook heel goed. En…het gewoon niet zien…een zoveelste petitie.

Ik ben ontzettend blij met de mensen die mijn initiatief wel steunen en nog blijer met de mensen die het delen, zodat nog meer mensen ervan horen. En zo heb ik ook van deze ‘les’ alweer veel geleerd en heeft het mij persoonlijk heel veel gebracht.

Morgen heb ik een gesprek met een dame uit de Tweede Kamer. Zij maakt onderdeel uit van de politiek in ons land. Ik weet dat mijn initiatief ooit gerealiseerd wordt, omdat het klopt. Omdat het de ontbrekende schakel is in het zorgpakket voor ouders.  En ik weet ook dat het pas gebeurt wanneer de politiek daar klaar voor is. Ik ben benieuwd wat er uit ons gesprek komt.