Poeh, poeh!

Gelukzalig keek Winnie om zich heen. Hij was weer terug en hij voelde zich zo veel beter dan de laatste weken. Hij knikte naar deze en gene en voelde zich heel behaaglijk in zijn nieuwe jas. “Hé Win, waar was je eigenlijk en hoe kom je opeens aan die mooie jas en laarsjes. Wel lekker zeker, hè?”

Winnie keek het witte engeltje aan dat dicht bij hem stond. Hij zag ook anderen nieuwsgierig naar hem opkijken. “Ja, “ begon Winnie, “hebben jullie wel gezien dat er een mevrouw een paar keer achter elkaar bij ons was geweest?” de één schudde nee terwijl een aantal anderen ja knikten. “Dat was een tante van Linda. Ach jullie kennen haar toch wel, ze komt hier ieder jaar wel een paar keer maar nooit zo vaak als de afgelopen weken. Vorige week kwam ze opeens met een andere tante. Die ken ik niet zo goed maar Linda wel. Ze zei dat dat haar tante Rely was. Daar was ze vroeger heel vaak geweest. Haar tante Rely die woont bij haar oom Bert. En die tante ging het graf een beetje schoonmaken,” Nu vielen een paar beeldjes hem bij: “Ja, dat zag ik wel.” En een ander riep: “Ik ook, ik ook,” En weer een ander riep: “En ze zetten iedereen die gevallen was weer overeind,” “Ja, dat zag ik ook en ze haalden heel veel vieze blaadjes van ons af,”

“Juist,” zei Winnie, “ en toen hebben ze mij meegenomen. Ik hoorde hun wel zoiets zeggen en ook iets over een jasje, maar ik dacht: nee , dat kan toch niet. En ze deden het wel. Hoe vies ik ook was, ze namen mij gewoon, hup, mee in de auto.” Winnie keek even tevreden rond om te kijken wat ze daar nou allemaal wel van zouden vinden.

Nu begonnen een paar door elkaar te vragen: “Waar was je dan?” en: “Was je niet bang?” en: “Waarom deden ze dat?” Toen begon Winnie te vertellen.

“Eerst moest ik in een emmer met een heleboel sop. Het water was lekker warm en ik bleef alleen in het donker in die badkamer. Dat was natuurlijk hartstikke saai dus toen viel ik ook direct in slaap. Ik werd wakker omdat het licht aanging en toen mijn ogen uit geknipperd waren zag ik dat die tante weer terug was. Ze mompelde een beetje terwijl ze me uit het water trok en in mij begon te knijpen. “Wat ben je slijmerig,” zei ze: “Huuh,” “Dat kon ik natuurlijk ook niet helpen. Ik was al jaren niet meer gewassen. Ze gooide het water weg, echt vies man, en toen deed ze weer lekker warm water met sop erin. En toen deed ze net of ik een ding was wat je op de hand moet wassen. Weet je wel, een kledingstuk of zo. Ze kneep steeds in mij en trok me uit en duwde me in het water. Toen draaide ze mij op de kop en deed ze het weer. Ik was ook echt heel vies. Wel een beetje minder vies dan na de eerste emmer,”

“Ik had wel mee gewild,” zei de roze bad eend  toen Winnie even ademhaalde voordat hij verder ging, “dan hadden we samen in bad gekund.”

“Ja,” zei Winnie, “dat had ik wel gezellig gevonden. Nou, en toen moest ik nog in de wasmachine. Ik dacht dat ik dat heel eng vond maar dat was niet zo hoor. Het was net wildwaterkanoën zonder kano. Ik werd heen en weer door dat sop geslingerd. Dat kon die tante natuurlijk niet doen in die emmer. En toen het water weg was werd ik heel hard rondgeslingerd, daar werd ik wel heel duizelig van, maar toen dat klaar was, was ik ook al bijna droog. En schoon.”

“En toen?” vroeg het beertje op ‘nous t’aimons’, “Oh,” zei Winnie, “zat jij ook te luisteren, wat leuk. Nou, toen zat ik lekker de hele nacht tegen de verwarming. Die was natuurlijk ’s nachts niet aan, maar ’s avonds wel. En de volgende ochtend zette die tante mij in een tas en ze nam mij  mee naar een winkel. Een speelgoedwinkel. En ze stond heel lang stil op een plek waar ik allemaal poppen boven ons zag, op planken. En allemaal dingen voor de poppen. En toen pakte ze iets en liep naar de kassa en toen mompelde ze ‘straks is het te klein’ en ze legde het terug. Maar ze bleef er wel bij staan. Ik kon niet zien wat het was maar dat was dus deze jas. Want ik had wel iets roods voorbij zien schemeren boven mijn hoofd. Toen bleef ze weer een poosje staan en toen nam ze het toch mee. Gelukkig want ik ben er toch zo blij mee. Het scheelt een jas, echt een jas.”

“En die laarsjes?” vroeg het meisje dat, samen met haar vriendje, hen elke dag voorlas voordat ze gingen slapen. Gelukkig hadden zij beiden schoenen aan maar haar waren die laarsjes direct opgevallen.

“Ja, die zaten erbij. Daar ben ik ook zo blij mee, want ik vind ze heel mooi. Echte, mooie rubberen laarzen. En die jas vind ik ook heel mooi. En Linda ook, ze stond te juichen toen ik terug was.”

“Oh, Pooh,” zei ze, “wat ben je mooi. Heeft mijn tante Rely dat voor jou gekocht?”

“Nou,” zei Pooh, “toen vertelde ik dat die andere tante het had gekocht en dat ik  bij haar in de wasmachine was. Maar ik had gehoord dat ze het allemaal samen voor mij hadden bedacht en dat ze het samen hadden betaald. Samen met al die andere broers en zussen van Linda’s mamma. Omdat haar mamma het niet meer kan. En ze wouden dat ze het eerder hadden bedacht, maar, zei ik tegen Linda, dat kwam wel omdat jouw tante Rely het had gezegd.”

“Zie je wel,” juichte Linda, “mijn tante Rely is zo lief. Dat weet ik  nog precies van toen ik altijd bij haar was. En dat zei mijn mamma ook altijd. Dat het zo lief van mijn tante Rely was dat ik altijd mocht komen logeren,”

Iedereen was blij dat Pooh weer thuis was. Want hij paste altijd op hun en nu waren alle engeltjes extra alert geweest omdat de grote Winnie er niet was. Maar er was natuurlijk niets gebeurt, want zij zijn altijd veilig samen.

Iedereen kletste nog heel lang met elkaar over Winnies grote avontuur en ze waren allemaal blij dat hij nu lekker droog zou blijven als het regent en als straks de sneeuw gaat vallen. En Winnie schurkte zich nog eens lekker in zijn jas.

“Goh,” dacht hij, “wat heb ik toch een geluk. Een jas voor mij, wie had dat nou gedacht,”

Al doende leren ze

‘Skeeleren,’ antwoordt hij op mijn vraag wat hij buiten wil gaan doen. Toen ik de vorige keer op hem paste wilde hij het skateboard van zijn broer mee. Hij viel er steeds vanaf en klom er ook steeds weer op om te proberen weer een stukje verder te skateboarden. En soms lukte dat ook nog.

En nu wil hij dus skeeleren. In de schuur vinden we kleine skeelers en die lijken inderdaad te passen. ‘Zijn ze van jou, of van je broer?’ vraag ik. Hoewel hij drie jaar met zijn broer scheelt lijken hun voeten in maat niet ver uiteen te lopen. ‘Van mij,’ zegt hij, ‘Indy heeft zelf,’

Ik help hem in zijn skeelers en terwijl hij ermee op de trap zit sommeert hij mij ook zijn helm en zijn kniebeschermers te pakken. Er blijken ook nog beschermers in te zitten voor zijn kleine handjes. Ze glijden er gemakkelijk in, en bijna net zo gemakkelijk weer uit. Zijn helm, die een beetje op zijn hoofd wiebelt, trek ik wat strakker aan.

Wanneer ik hem overeind trek rollen zijn voetjes direct uit elkaar. Ik hou hem stevig vast waardoor hij een beetje grip krijgt op de beweging van zijn benen. ‘Zullen we naar de speeltuin skeeleren, oma?’ vraagt hij en ik antwoord: ‘Even rustig aan jongen, ik denk niet dat je dat zomaar kan,’

We blijven dicht bij huis en ik houd zijn  beide handjes vast, onhandig naast of achteruit voor hem lopend. Wanneer zijn beentjes uit elkaar rollen laat hij zich op de grond zakken. Na de eerste keer stop ik zijn ene handbeschermer in mijn zak en na de tweede keer zijn ander handbeschermer ook. Met zijn handjes stevig in die van mij hebben we allebei meer grip. ‘Trek je been bij je andere been als hij wegrolt,’ zeg ik, ‘dan hoef je niet steeds te vallen,’ Na nog twee keer vallen begrijpt hij het en krijgt het zowaar een beetje voor elkaar. ‘We zijn al ver hè, oma,’ zegt hij wanneer we voor de helft een blokje rond zijn en ik merk dat hij aan één hand in ieder geval al overeind kan blijven. Hij maakt nog geen echte schaatsbeweging maar rolt de beide skeelers wel vooruit.

Het is een heel getrek van mij en hij hangt zwaar aan mijn arm, maar hij leert een beetje evenwicht houden op die rollende skeelers. Wanneer we het rondje af hebben vindt hij het gelukkig ook genoeg en verruilen we de skeelers voor zijn schoenen en zijn step. Terwijl hij al steppend voor mij uit rijdt denk ik: ‘Dat kon hij eerst ook niet en nu beheerst hij het helemaal.’ Want zo werkt het echt: je kunt iets alleen maar leren door te doen. En van vallen en weer opstaan word je echt groot.

We hebben allemaal wel wat

ADHD, ODD, Dyslexie, Hoog sensitief, PDDNOS, Dyscalculie. De een noemt het stoornissen, de ander kwaliteiten. Sommige noemen de één een stoornis en de ander een kwaliteit. Het zijn woorden die we hebben gegeven aan…aandoeningen, kenmerken, gedragingen?

Heel vroeger, toen ik jong was, was het er ook, er was alleen aan heel veel nog geen naam gegeven. Er was geen etiketje op geplakt. Er werden geen medicijnen voor gegeven. Wat wel? Er werd mee omgegaan. Er werd naar kinderen gekeken en geluisterd en vaak ‘gewoon’ gezegd wat ze moesten doen of wat ze moesten laten.

Ik was zo’n kind met wat ze nu noemen ADHD of ADD. Dat heb ik ten minste heel lang gedacht. Ik kan heel veel dingen niet. Als mensen zeggen: ‘Dit of dat kan je wel,’ dan moet ik vaak zeggen, en soms denk ik het alleen: ‘Jij kan het, maar dat betekent niet dat ik het kan,’ en daar begrijpen ze dan niets van. Of als ik vertel dat ik iets niet zie terwijl het wel gewoon voor mij ligt of staat, of  dat ik precies te laat iets bedenk dan zeggen mensen: ‘Ja, dat heb ik ook wel eens,’ en dan denk ik: ‘Het is niet hetzelfde wanneer je iets ‘ook wel eens hebt’ of dat je het, zoals ik ‘heel vaak hebt’,’

Toen ik bij een psychiater terecht kwam, omdat ik zelf had gevraagd Ritalin te mogen proberen, beaamde die wat eerder een psycholoog tegen mij had gezegd, dat ik hoogstwaarschijnlijk Hoog sensitief ben. Hij zei dat ze mogelijk over een aantal jaren ADHD en Hoog Sensitiviteit ‘op elkaar’ zouden leggen omdat veel kenmerken overeen komen. En ik begreep dat wel.

Ik heb het geluk gehad dat ik in een groot gezin ben opgegroeid. Dat betekent dat er niet continue op mij werd gelet. Terwijl er wel altijd iemand was om mij te helpen wanneer ik hulp nodig had. En ik kon goed observeren hoe de anderen in mijn familie zich bewogen en gedroegen. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik niet helemaal pas in de wereld om mij heen. Maar dat geeft niet, want ik heb geleerd me aan te passen. In ons grote gezin zijn we allemaal verschillend en dat is goed. Dat mag.

Ik vraag me af of het soms niet meer kwaad dan goed doet, kinderen in hokjes te plaatsen en medicijnen te geven. Volgens mij hebben we allemaal wel wat en blijft het belangrijk dat we worden gezien en gehoord, dat we verschillend zijn en dat dat okay is.

Ik ben blij dat ik niet in een hokje ben geplaatst. Ik heb vaak last van mezelf (gehad) en ik zal ook wel eens lastig zijn voor een ander maar dat hoort, in mijn beleving, bij het leven. Laten we goed naar onze kinderen blijven kijken en luisteren en ze voorleven zoals wij denken dat goed is. Dan hoeven zij het alleen maar na te doen…en daar zijn kinderen juist goed in.

Toch weer communicatie

‘Ik vind het niet leuk dat u het toch tegen mijn ouders hebt gezegd,’ Ze zit, samen met haar vader, tegenover mij en ik vind het dapper dat ze dat zo tegen mij zegt. Ik kijk haar deemoedig aan en voel me ook precies zo.

Eerder die week sprak ik telefonisch met haar moeder en in mijn vurig verlangen voor de zeventien jarige Belinda, een van mijn niveau 2 leerlingen, op te komen, flap ik eruit wat Belinda mij inderdaad had gevraagd niet te doen.

Belinda’s ouders zijn dan al een aantal jaren gescheiden en oorspronkelijk leeft Belinda prettig met haar vader samen terwijl haar broertje en zusje bij haar moeder en diens nieuwe vriend gaan wonen. Wanneer omstandigheden veranderen kan Belinda niet meer goed bij haar vader terecht en wijkt zij uit naar de familie van haar vriend. Bij moeder is in feite geen plaats voor haar omdat behalve haar broertje en zusje er een deel van de week ook een stief broertje woont. En Belinda… die wilde het liefst op een prettige manier bij één van haar ouders wonen. Ik vond dat helemaal geen rare wens maar Belinda had mij dus gevraagd dat niet tegen haar ouders te zeggen.

We kijken elkaar aan en terwijl ik mijn excuses daarvoor aanbied zegt vader: ‘Ik vind het wel goed dat u het heeft gezegd. Ik had geen idee dat Belinda moeite had met onze woonsituatie en ik ben het helemaal met u eens dat een meisje van zeventien bij haar vader of bij haar moeder moet kunnen wonen.’

Er zijn bijna twee weken voorbij gegaan wanneer ik van Belinda een mail ontvang. In deze mail vertelt ze dat een ruimte boven de garage aan het huis van haar moeder en stiefvader voor haar wordt klaargemaakt. In gezamenlijk overleg hebben haar ouders en stiefvader dit besloten en geregeld. Belinda mag zelf de stoffering en meubels uitzoeken en laat mij weten dat ze als hoofdkleur bordeauxrood heeft gekozen. Ze bedankt mij voor de coaching en laat weten heel blij met de uitkomst te zijn.

Hoe was het gegaan als ik niets had gezegd? Dat weten we niet. Ik zou een volgende keer aandringen op wel vertellen en heb in ieder geval dit voorbeeld om te laten zien hoe wel communiceren kan uitpakken.

Goede ouders…maar geen goede combinatie

‘Die twee passen gewoon niet bij elkaar. Ik heb dat al heel vaak gedacht,’ Ik hoor het iemand zeggen en laat het even op me inwerken. Ik ken de mensen over wie dit nu wordt gezegd en ik weet dat ze jonge kinderen hebben. ‘Doe niet,’ was mijn eerste gedachte toen ik van deze op handen zijnde scheiding hoorde. ‘Denk toch om je kinderen,’

Ik weet al lang dat niet alle scheidingen voorkomen kunnen worden. En ik denk nog steeds dat het beste is, wanneer het wel kan. Wanneer dat dan zo is? Daar heb ik veel en vaak over nagedacht. 

Er moet een vorm van liefde zijn. Geen relatie, geen huwelijk kan zonder. Er mag best veel verschil zijn tussen de echtelieden, maar de overeenkomsten zijn nodig om de verschillen te kunnen overbruggen. En de communicatie is een cruciaal gegeven. Hoe communiceer je samen, kun je elkaar bereiken? Kun je elkaar beïnvloeden? Heb je respect voor elkaar en toon je dit in je communicatie?

Soms blijkt na een aantal jaren dat een ouderpaar geen goede combinatie vormt. Als je dan toch bij elkaar kunt blijven is dat het fijnste voor de kinderen. Zij hebben je allebei evenveel nodig. Zij zullen zelf nooit voor één van de ouders kunnen kiezen. Dat is de kracht van het fenomeen loyaliteit. Elke ouder die dus de andere ouder, op wat voor manier dan ook, schaadt, schaadt hiermee ook zijn kind.

Wat je wel kunt doen, als je geen goede combinatie blijkt te zijn, is goede ouders blijven. Goede ouders hebben samen, ook al zijn ze niet meer samen, toch het beste voor met hun kind. Hoe je dat doet?

Het begint met een goede zorgverdeling en evenredige afspraken. Een kind heeft niet alleen beide ouders nodig maar ook de families waarvan het onderdeel uitmaakt. Ban die dus niet uit hun leven, ook daarmee schaad je je kind. Alle betrokkenen moeten zich aan de afspraken houden. Daarmee help je je kind. Heb respect voor elkaar. Dat heb je allemaal nodig om na een scheiding toch goed voor je kind te kunnen zorgen. Alle ego’s even opzij uit liefde en respect voor je kind.

Al blijk je geen goede combinatie te zijn, je kunt wel samen goede ouders blijven.

Wat zou je dan anders doen

Niemand van ons weet, hoe oud we zullen worden. Dat is een van de mysteries van het leven. Het enige dat we zeker weten is dat we op enig moment aan het einde van ons leven zijn. En een heel grote onzekerheid, totdat het einde daar is, is wanneer dat zal zijn.

Wij hebben een broer en een zus op te jonge leeftijd verloren. Onze broer was 65, onze zus pas 48. Allebei zijn ze overleden aan een ongeneeslijke ziekte. Onlangs hebben we weer afscheid genomen van een dierbaar persoon die ook niet ouder mocht worden dan 49.

Gelukkig zijn onze ouders beiden echt oud geworden. Onze moeder 86 en onze vader 93. Dat kan dus ook. En daar hopen, denk ik, de meesten van ons op. Ze waren ook nog allebei samen tot het eind. Weliswaar in een verzorgingshuis maar wel in een echtparenkamer. En de meeste verzorging kwam toen van mijn vader. Mijn moeder was op het eind echt vergeetachtig en ze ging steeds minder eten. En terwijl ze, tijdens hun lange leven, allebei ernstig ziek zijn geweest hebben ze beiden, voor hun overlijden, geen ziekbed gehad.

Mijn ouders hielden veel van elkaar en ik vond dat voor ons een mooi voorbeeld. Natuurlijk maakten ze ook fouten en daar is geen van ons blind voor geweest. Zij waren echte mensen en echte mensen maken fouten. Maar ze hebben vooral heel veel goed gedaan, naar elkaar en naar ons, hun kinderen.

Ik probeer dat na te streven. Ik probeer goed te doen, naar mijn man en mijn kinderen, en tegelijk goed voor mijzelf te zorgen. En voldoende oog te hebben voor de mensen om ons heen. Het lukt helaas niet altijd, maar ik probeer het wel. Ik hoop dat ik, in navolging van mijn ouders oud mag worden, met mijn liefste en ons uitdijende gezin. En wanneer dat einde er is, hopelijk nog in een redelijk verre toekomst, weet ik dat ik geleefd heb zoals ik dat wilde en goed vond.

Ik vraag me wel eens af, of er mensen zijn die anders zouden leven wanneer ze zich realiseren dat een einde ook vroeg kan komen. Wat zouden ze dan anders doen?

Mijn jongetje en ik

Hij werd 4½ week te vroeg geboren en hij woog maar 1800 gram, nog geen twee pakken suiker. Ik zag hem de eerste maand alleen maar slapend in een glazen bakje in het ziekenhuis op de warmtekamer. Ik had me steeds afgevraagd of ik van dit jongetje net zoveel zou kunnen houden als van onze andere twee kleinkinderen, de kinderen van onze oudste dochter. Zij waren toen 3 en 5 en we pasten al 5 jaar elke week op hen. We zaten zo aan deze kinderen ‘vast’. Met hen hadden we de unieke band die grootouders hebben met hun kleinkinderen. Mijn liefste, de opa van deze kinderen sprak met mij wel eens over de extra unieke band die hij voelde met onze oudste kleinzoon, het ventje dat ons tot grootouders heeft gemaakt. Tot op heden tel ik voor deze jongen alleen volledig mee wanneer zijn opa er niet is. Dat geeft niets, hij heeft met zijn opa een andere band dan met mij. Specialer, het is maar net hoe we het benoemen, maar anders dan met mij, ik zie dat, ik voel dat en het is okay.

Dat het jongetje nog een broertje zou krijgen was niet voorzien. Een tweede zou er niet komen. Nu is die tweede ons vierde kleinkindje en is de stand geworden 3-1. We hebben drie jongetjes en één meisje. Ze zijn ons allen even lief. Ze hebben ieder hun speciale plekje in ons midden. Er is maar één de oudste jongen, één de middelste en één de jongste en er is maar één meisje.

Het te vroeg geboren jongetje, dat maar 1800 gram woog bij geboorte was toen ook maar 44 cm en dat is klein voor een baby’tje. Echt klein. Hij is de enige van onze kleinkinderen op wie ik alleen heb gepast en hij is ook mijn zorgenkindje. Toen ik de cursus kindercoach deed kwam ik er pas achter dat hij jaren heeft geleden aan slaappaniekaanvallen, de officiële naam daarvoor is pavor nocturnus. Heel naar voor zijn ouders. Zelf merkte hij daar niets van, wat precies overeenkomstig de beschrijving van deze kwaal is.

Mijn jongetje is nog steeds klein en heel fijn voor een jongetje van zijn leeftijd. Ik herkende hem al snel als heel gevoelig en heel pittig, de moeilijkste combinatie die een kind kan zijn/ hebben volgens het boek dat wij hebben van babyfluisteraar Tracy Hogg. Iets wat niet mag of niet lukt is voor hem moeilijk te accepteren. De frustratie die dat oproept blijft het moeilijkst voor hemzelf.

Ik was een keer bij hun op mijn oppasdag toen hun mamma op een klein klusje na niet hoefde te werken. ‘Weet je mam,’ zei ze, ‘misschien hoefde je wel helemaal niet te komen, maar hij verlangt altijd zo naar jou,’ En voor mij voelt dat net zo.

Mijn jongetje en ik delen dat verlangen. En al hoef ik niet te komen oppassen, ik kom toch. En de vraag of ik van hem, en zijn broertje, net zoveel zou kunnen houden als van onze oudste kleinkinderen? Die is al lang beantwoord.

Het kan echt moeilijk zijn

Het is niet gek dat relaties soms niet werken. Of dat ze moeizaam gaan. Dat er problemen zijn die moeilijk zijn op te lossen. Je bent namelijk altijd twee verschillende mensen.

Wij hebben een relatie die al 38 jaar duurt. Dat is best lang. In die 38 jaar hebben zich vaak moeilijkheden voorgedaan. En ik weet inmiddels dat het altijd zo zal blijven. Ik zou het graag anders willen, maar het is niet anders. En toch zijn we bij elkaar, lange tijden achter elkaar in een heel prettige relatie. We begrijpen elkaar goed, communiceren elke dag met elkaar, we delen echt elkaars leven. We houden veel van elkaar, dat spreken we niet vaak letterlijk naar elkaar uit maar we weten het door de manier waarop we met elkaar omgaan.

Klinkt misschien saai, maar dat is het niet. Wel comfortabel, want we zijn er altijd voor elkaar. Als de één een probleem heeft zal de ander er alles aan doen om te proberen dat probleem mee te helpen oplossen. Wat daarbij helpt is onze gezamenlijke en gedeelde liefde voor onze kinderen en kleinkinderen. Te weten dat we allebei alles voor hen over hebben. En dat we ook met ze kunnen communiceren. Ook als er met de kinderen een probleem of onenigheid is kunnen we dat uitspreken. Dat is ook comfortabel.

Het enige dat het moeilijk kan maken is een probleem of onenigheid tussen ons. Ik kan daar niet tegen. Ik word daar boos, gefrustreerd en vooral heel verdrietig van. De problemen tussen ons hebben jarenlang onze relatie moeizaam gemaakt. Te vaak onplezierig. Waren ze dan groot? Nee, dat waren ze niet. Juist helemaal niet. Het was het gedrag dat wij erbij vertoonden dat het groot maakte. Dat de tijd waarin ik (en mijn liefste in mindere mate) me naar voelde soms zo lang maakte. Dat die tijd voorbij is daar ben ik diep dankbaar voor want ik weet nog precies hoe het voelde. Naar.

Van de week overkwam het ons weer. Zomaar in wat ze noemen ‘a split second’ was het er. Er gebeurt iets, ik reageer, het valt bij hem verkeerd en BAM. We bereiken elkaar niet. Ik kon er niet van slapen, een lange slapeloze nacht. En het moment dat hij zijn ogen open deed heb ik het gezegd, heel rustig, waarom ik het niet goed vond wat er gebeurde. Hij reageerde rustig en duidelijk en het was klaar. Echt klaar. We konden gewoon goed communiceren, geen naar gevoel meer en ik wist dat we er op een ander moment op terug zouden komen. En dat is gebeurd.

We hebben het uitgesproken, dat we al heel ver gekomen zijn samen. Dat we goed hebben leren communiceren en dat toch de ongemakkelijke momenten er zullen zijn, alleen nu nog maar heel soms. Gelukkig. En kort.

Op zulke momenten denk ik dan dat het niet zo gek is dat zoveel relaties stranden. Want dan weet ik weer dat het soms echt moeilijk kan zijn, om elkaar te begrijpen. Om te luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. Om te begrijpen dat je allebei tekortkomingen hebt en om dan toch de liefde te blijven koesteren.  

De wereld is zo mooi

Mijn uitgangspunt is dat we gezond zijn. Dat denk ik en dat hoop ik. Het betekent niet dat we geen zorgen, beperkingen en ongemakken hebben, want die hebben we wel. Als je bijna 60 en 60+ bent dan zou het heel bijzonder zijn als je dat niet had.

Maar dan zo’n mooie dag. Zo’n mooie eerste, heerlijke zon dag, na een donkere periode met af en toe regen. Zo’n periode waarop menigeen, midden in deze zomer, verzuchtte dat het wel herfst lijkt. Zo’n dag is dan weer even bijzonder.

De zwaluwtjes vliegen als levende pijltjes door de lucht en de musjes vliegen in paartjes of groepjes van de ene boom naar de andere, op steigers, hekken of heggen, of even op je eigen veranda dicht bij je huis.

De wereld is mooi. Het groen en de bloemetjes in onze eigen tuin en om ons heen. De zon in nu nog gesluierde lucht en het water dat ik zie blikkeren in het zonlicht. Het water dat zo rustgevend langs de steiger stroomt.

Voor mij is ook het leven mooi. Ondanks de zorgen, beperkingen en ongemakken die ook mij van tijd tot tijd plagen. En ik begrijp dat het veel te maken heeft met deze mooie plek waar wij elke zomer weer mogen neerstrijken. De plek die zo geschikt voor mij is, juist omdat alles hier klein en overzichtelijk is, de plek waar mijn onrustige geest altijd weer de ruimte vindt om te herstellen van onrustige gedachten.  

Deze plekken zijn overal te vinden en vroeger zocht ik die op wanneer ik het nodig had. Dan zat ik een poosje bij een vijver, op een bankje of in het gras. Of in een parkje of plantsoen. Daar staan die bankjes er voor. Om even bij te komen van onrustige gedachten.

Die bankjes zoeken we ook op als we echt even gaan fietsen, niet een rondje maar even verder. Met een tasje met boterhammen en wat lekkers mee, een boekje of een blad. En dan voor mij het ultieme, als mijn liefste zich uitstrekt op zo’n bankje en met zijn hoofd in mijn schoot even wegdommelt en ik op zo’n mooi plekje ongestoord kan lezen.

De wereld is mooi en soms…is het leven ook even, heel mooi.

NLP

Ik kwam met NLP in aanraking toen ik op school (als docent) op een punt was aanbeland dat ik niet meer wilde werken zoals ik moest. En ik wist dat wellicht binnen afzienbare tijd ik het ook niet meer zo zou kunnen. Door de cursus NLP practitioner kwam ik steeds dichter bij mezelf en steeds verder van school. De keus om school te verlaten was toen snel gemaakt.

Neuro Linguïstisch Programmeren. Neuro heeft betrekking op de zenuwen en/of hersenen, linguïstisch heeft te maken met taal, en programmeren met sturen. Heel kort door de bocht zeg ik daarover altijd: ‘Je gedachten bepalen je stemming en je stemming stuurt je gedrag.’

In de cursus NLP heb ik onder andere geleerd dat iemand met wat hij doet altijd een goede bedoeling heeft. Dat vond ik in het begin heel moeilijk te begrijpen. Stel dat iemand een ander kwaad doet. Waar is dan de goede bedoeling? Daar kunnen we veel over zeggen. Ieder bepaalt voor zichzelf wat ‘kwaad doen’ inhoudt. Daar is niet iets eenduidigs over te zeggen.

En iemand die een moord pleegt dan? Dat vind ik een extreem voorbeeld. Gelukkig zijn dat uitzonderingen en geen regel, net als andere kwade dingen als bijvoorbeeld mishandeling. De goede bedoeling zit dan bij de dader. Die is dan voor hemzelf. Of voor haarzelf.

In de meer gangbare zaken, de gewone omgang tussen mensen, kunnen veel dingen als kwetsend worden ervaren. Ik denk dat in de meeste gevallen de opzet er niet is. De interactie tussen mensen (mensen die in welke vorm dan ook een relatie hebben) is complex. Wat er wordt gezegd wordt niet altijd als zodanig begrepen. Wanneer er in een dergelijk geval niet verder naar wordt gevraagd, dan kan er een verstoring komen in de relatie.

Hoe weet je dan of je niet hebt begrepen wat er is gezegd? Misschien kun je dan eens nagaan hoe je gevoel en je gedachten daarover zijn. Want wat ik absoluut geloof is dat je gedrag daardoor wordt gestuurd. Voel je je niet prettig over iets dat wordt gezegd of dat gebeurt dan lost het vaak al veel op door verduidelijking te vragen.

Ik deed de eerste NLP cursus in 2014 en langzamerhand heb ik sindsdien de overtuiging dat niemand iets kan doen of zeggen waar ik me niet prettig door zal voelen. Ik ga uit van de goede bedoeling van de ander. En wanneer ik mij door iemand gekwetst zou voelen dan zal ik om verduidelijking vragen omdat ik ook niet wil dat de relatie die ik met iemand heb om onduidelijke redenen kan worden verstoord.