Sing along

‘Ben je hier de 22ste mam?’ Wanneer mijn dochter zoiets vraagt hoor ik daarin een oppasvraag. Wanneer we op 13 april mijn verjaardag vieren blijkt dit een uitnodiging voor een evenement in Zwolle, waar we Beatles liedjes gaan zingen onder leiding van twee leuke en vaardige muzikanten. Een evenement die we eerder op verschillende plekken, en in verschillende samenstellingen, hebben meegemaakt.

Muziek is in onze familie en ook in ons gezin één van de bindende factoren. Jarenlang hebben we onder de bezielende leiding van onze, helaas 10 jaar geleden overleden, broer Ruud de bandleider muziek gemaakt in zijn muziekkamer thuis en die op verschillende feestjes ten gehore mogen brengen.

Onlangs zijn we met de familie begonnen in een Karaoke café onze eigen karaoke feestjes te houden. Het is zo leuk de samenstellingen van diverse nichten en neven en ook tantes en ooms hun eigen geliefde repertoire ten gehore te zien brengen. Het brengt prachtige filmpjes op die ik soms bekijk wanneer ik even een oppeppertje nodig heb, en het is ook goed voor de saamhorigheid in onze grote familie. 

Op de bewuste 22ste rijd ik met onze jongste dochter van Diemen naar Zwolle, terwijl uit Groningen haar zus naar ons toekomt. De kerk waar het evenement plaats vindt is aardig gevuld. We krijgen teksten uitgereikt en beginnen al snel aan With a little help from my friends, Hard days’s night en Love me do. Iedereen kent het en zingt uit volle borst mee.

Van Here comes the sun krijgen we bladmuziek en die gaan we in canon zingen. Er is een lage, een midden en een hoge versie en het publiek wordt in drieën verdeeld. Iedereen mag gaan staan bij de stem die het beste bij hem past. Aanvankelijk kies ik het midden maar sluit me uiteindelijk toch aan bij de sopranen en daarmee bij de dochters.

De gitarist speelt de mooie melodie en begeleiding van het lied terwijl zijn collega de taak van koordirigent op zich neemt en moeiteloos alle stemmen voorzingt tot elke groep die (min of meer) beheerst. Om het even te laten indalen zingen we tussendoor Obladi-oblada, She loves you en Across te universe. In de pauze krijgen we nog een drankje om onze keel te smeren en wanneer we uiteindelijk samen, in canon, Here comes the sun ten gehore brengen klinkt dat als goed genoeg ingestudeerd. En dat in die heel korte tijd.  

Blij zingen we daarna, als uitsmijter, het hele kerk/mens-verbindende All you need is love. Wat een geslaagd cadeau en zoals mijn jongste dochter zei: ‘Zo leuk dat we dit met z’n drieën hebben gedaan, mam,’ 38, 41 en 66. En daar samen zoveel plezier aan beleven. Dank dochters, jullie zijn met recht goud waard.

Oogappels

Ik was niet mijn moeders oogappeltje, zoals ze dat wel eens zeggen, en ze had ook geen ‘draadje’ naar mij. Ik weet wel wie dat wel waren in ons grote gezin. Was dat erg? Nee hoor, ik hield evengoed zielsveel van haar.

Nu pas, vijf of zes jaar na de start van de serie, hebben wij de serie Oogappels ‘ontdekt’. Ik had al wel begrepen dat het niet alleen over kinderen, pubers, gaat maar dat er veel meer in zit. Een groot deel van de maatschappij komt erin voorbij op een goed ‘uitgebeelde’ manier. Per aflevering wordt drie keer door de grootouders hun visie op het betreffende onderwerp gegeven. De vier gezinnen die we in de serie volgen zijn op een bijzondere manier aan elkaar verbonden. Het uitgangspunt is dat de kinderen uit die gezinnen op dezelfde middelbare school zitten.  

Merel en Erik hebben een samengesteld gezin. Merel heeft twee dochters en Erik heeft een zoon. Tim en Dina hebben ook een samengesteld gezin. Tim is de ex van Merel en heeft met haar de twee dochters en met Dina een zoon. Erik heeft meer, en meer jaren, voor de dochters van Tim gezorgd dan hijzelf. Niet in de laatste plaats omdat hij een aantal jaren niet buitenshuis heeft gewerkt. Marcel en Carola hebben een zoon en een dochter, maar de dochter is op jonge leeftijd overleden. Het gezin lijdt daar, logischerwijs, enorm onder. Tim, Marcel en Erik zijn beste vrienden. Fabie is alleen met haar twee kinderen. Hun vader is in Noorwegen achtergebleven toen Fabie met haar kinderen terug ging naar Nederland. Fabie’s zoon en Carola’s zoon zijn beste vrienden en Fabie’s dochter is stiekem verliefd op Carola’s zoon. Carola en Fabie zijn beste vriendinnen.

De uitvergrote inkijk in het leven van de vier gezinnen geeft een mooi beeld van hoe relaties kunnen zijn. Relaties tussen ouders en de pubers en tussen de pubers onderling. Het geeft ook een beeld van de relaties van de grootouders. Drie paren zijn bij elkaar en twee paren zijn gescheiden.

Merel, een geweldige rol van Malou Gorter, zou heel veel van haar kinderen, en van haar man Erik, hebben kunnen leren als ze niet zo halsstarrig zou vasthouden aan haar eigen gelijk en overtuiging. Overduidelijk komt dit door de relatie die ze had met haar eigen moeder. Het is haar stiefzoon Chris, een zeer uitgesproken persoonlijkheid met een fascinerende kledingsmaak, die haar het meest weet te raken, al botsen ze vanaf dat hij bij hun komt wonen.

De twee meisjes hebben een goede, warme, relatie met zowel hun stiefbroer als met hun halfbroer. Met hun stiefvader, een mooie rol van Ramsey Nasr, hebben ze een betere relatie dan met hun vader of met hun moeder. Hij is ook degene die echt naar ze luistert, net als naar zijn zoon, en bij wie ze oprecht altijd terecht kunnen.

We kijken meestal twee afleveringen achter elkaar en ik ben echt een fan van Erik en zijn zoon Chris en stiefdochter Hansje geworden. Als je het niet hebt gedaan, kijk dan alsnog en heb vooral compassie met Merel, want dat verdient ze wel.

Albert Schweitzer en Michelle van Tongerloo

Ik lees een meer dan 100 jaar oud boek geschreven door Albert Schweitzer over de eerste jaren met zijn vrouw in Afrika. Albert Schweitzer was al theoloog, filosoof, schrijver en musicus toen hij op 30 jarige leeftijd besloot medicijnen te gaan studeren om ook nog arts en chirurg te worden. Zijn vrouw studeerde daarom verpleegkunde.

Van zendelingen had hij begrepen dat er gebieden waren in Afrika waar mensen stierven die met relatief eenvoudige middelen en ingrepen hadden kunnen worden gered. Met de opbrengst van door hem geschreven boeken en later met het houden van lezingen en het geven van orgelconcerten bouwde hij (begonnen in een kippenhok) een ziekenhuis in Lambaréné en redde daarmee honderden en misschien wel duizenden mensen van een enorme lijdensweg leidende naar een onnodig vroege dood. Behalve het geld dat hij zelf inbracht werd hij financieel en met medische middelen gesteund door vrienden en familie.

Michelle van Tongerloo, straatarts in Rotterdam, doet in de Pauluskerk hetzelfde voor mensen die in ons land verstoken blijven van medische hulp omdat ze ‘er officieel niet zijn’. Niet mogen zijn. Veel van deze mensen worden via arbeidsbureaus uit het buitenland gehaald om werk te doen die ‘onze eigen mensen’ niet willen doen voor loon waar ‘onze eigen mensen’ niet voor willen werken. Wanneer zij hun baan verliezen, verliezen ze  ook hun huis en belanden dan op straat waar ze om allerlei redenen afglijden naar een leven dat ongezond en onveilig is. Waar ze ziektes en ongelukken overkomen waarvoor ze niet in de reguliere zorg terecht kunnen. Bij haar krijgen ze medische hulp en met haar stichting ‘Lekker geven’ zorgt zij voor deze mensen. Net als Albert Schweitzer meer dan 100 jaar geleden deed voor zijn patiënten die hij ook onderdak bood, eten en verzorging zolang zij ziek waren. Ook omdat de officiële instanties destijds dat niet voor die mensen deed. Ik kan niet aan iedereen geven maar wanneer deze straatarts weer een oproep doet voor een donatie dan doneer ik, al is het maar een klein bedrag.

Nederland is geen Afrika maar op dit gebied is er wel een schrikbarende overeenkomst…met 100 jaar geleden.

Grensoverschrijdend gedrag

Een vriendin appt: ‘Soms denk ik terug aan vervlogen tijden: toen ik jong was werd ik wel eens nagefloten door bouwvakkers of stratenmakers…’ en iets verderop ‘en op het werk werd ik door één persoon begroet met goedemorgen schoonheid.’ Ik antwoord: ‘En we mochten dat nafluiten beschouwen als een compliment want voor ‘me too’. Ja, zoete herinneringen.’

Een paar minuten later open ik LinkedIn en stuit op een post die begint met: Nederland is een ziek land. Als een man of vrouw zich mooi aankleed is dat verre van een uitnodiging tot aanraking, nafluiten, obscene gebaren, vulgaire grensoverschrijdende opmerkingen.

De post gaat vergezeld van een filmpje waarin een juf, met wat mij voorkomt als basisschoolleerlingen, in gesprek gaat over grensoverschrijdend gedrag. De jonge leerlingen, die op het filmpje worden getoond, vinden dat iemand die er aantrekkelijk uitziet of zich heel mooi kleedt, bepaald gedrag uitlokt.

De juf geeft aan het daar niet mee eens te zijn, ze klimt op een tafel en zegt dat zelfs wanneer iemand naakt op een tafel zou gaan staan dat nog geen bepaald gedrag zou mogen uitlokken.

Persoonlijk zou ik dat toch ook grensoverschrijdend gedrag vinden.

Nederland is in mijn beleving geen ziek land maar ik denk dat we, net als in de rest van de wereld, in veel overtuigingen zijn doorgeschoten. Dat deze juf dit belangrijke onderwerp aankaart vind ik heel goed. Ik hoop dat ze ook de ouders van de kinderen zal vragen er met ze over te praten.

Wat ik niet zo goed begrijp is dat er een filmpje van is gemaakt met de kinderen herkenbaar in beeld en dat dit op LinkedIn werd geplaatst. En wat ik heel jammer vind is, dat we elkaar blijkbaar niet meer kunnen complimenteren zonder dat we er iets achter hoeven te zoeken.

Grensoverschrijdend gedrag is altijd fout, het is alleen soms niet helemaal te duiden. We hebben er helaas in ieder geval onze spontaniteit en onbevangenheid mee verloren.

Egoïstisch of niet egoïstisch, dat is de vraag

Ik heb wel eens heel stoer gezegd dat ik acht kinderen heb. En dan word ik wat glazig aangekeken. Als ik dan vertel dat mijn moeder twaalf kinderen heeft gekregen weten mensen helemaal niet hoe ze het hebben. Dat van mijn moeder is waar, maar ik heb ‘natuurlijk’ geen acht kinderen. Wel gekregen, maar niet zelf gebaard. Ik heb meerdere keren gelezen dat kinderen willen egoïstisch is…en ik heb net zo vaak gelezen dat geen kinderen willen egoïstisch is.

Wat ik ook wel eens zeg is dat ik als moeder geboren ben. Dat kan te maken hebben met het feit dat ik één van twaalf kinderen ben, maar dat weet ik niet. Omdat onze eerste dochter zich al heel snel aankondigde nadat wij een relatie waren begonnen, hebben wij er samen niet bewust over nagedacht, laat staan dat we het ooit hadden gepland. We waren jong en vroegen ons alleen maar af: ‘Hoe gaan we dit kleine meisje zo goed als we kunnen verzorgen en opvoeden,’. Dat ze welkom was staat buiten kijf. Toen haar zusje een paar jaar later volgde was dat een even grote vreugde, voor ons en ook voor ons kleine kindje. Ik vind het goed voor een kind om met een broertje of zusje op te groeien en ik weet tegelijk dat dat niet altijd mogelijk is.

Geen kinderen krijgen zou mij een groot verdriet zijn geweest…denk ik. Niet voor kinderen kiezen was bij mij niet aan de orde. Misschien hadden we ze later gekregen al zou ik niet weten wanneer het ‘juiste moment’ ervoor was geweest.

En niet voor kinderen kiezen kan ik me ook heel goed voorstellen. Niet elke vrouw wordt persé als moeder geboren. Dan zal opvoeden en kinderen verzorgen een ingewikkeld gebeuren lijken en de kosten en het ongemak dat het met zich meebrengt misschien wel niet te overzien zijn.

Egoïstisch of niet egoïstisch dat is misschien de vraag maar voor mij niet aan de orde. Ik hoop dat moeders blij zijn met hun kinderen, en iedere moeder wil zijn kind wel eens achter het behang plakken, maar dat willen we met elkaar toch ook wel eens? Na de geboorte van ons eerste kind zei ik: ‘Zo wil ik er wel tien,’. Het zijn er acht geworden (met een beetje smokkelen) en daar ben ik superblij mee.

De oervraag van de filosofie

In Trouw van 28 december 2024 lees ik een interview met Denker des Vaderlands, Marjan Slob. In het interview zegt ze onder andere: ‘De vraag is hoe je hier op aarde een goed leven leidt als mensje, met je grote verlangens, je beperkte inzicht, en je geringe persoonlijke invloed. Wat noem jij dan ‘goed leven’, en waarom? Dat is de oervraag van de filosofie.’

Ik vind het een mooie vraag die ik, voor wat mezelf betreft, denk ik wel kan beantwoorden. Ik leid hier op aarde een goed leven en liever nog zeg ik, ik heb hier op aarde een goed leven. Het betekent voor mij in de eerste plaats goed zorgen voor mezelf. Dat kan egoïstisch klinken maar dat bedoel ik juist niet zo. Het is nodig om goed voor mezelf te zorgen omdat een goed leven leiden voor mij alles te maken heeft met goed zorgen voor ons gezin en onze families. En dat doen we samen. Zij zorgen ook goed voor ons.

Wij proberen met elkaar een goede relatie te hebben en te houden. Dat vraagt om communicatie waarbij luisteren het belangrijkste onderdeel is en wat opvoeden betreft, het goede voorbeeld te geven.

Om verder voor mezelf te spreken, ja, ik heb grote verlangens. Ik zou heel graag willen dat onze maatschappij beter zou functioneren. Beter in de zin dat mensen belangrijker zouden zijn dan geld. Ik zou graag willen dat belangrijke zaken als Recht, Onderwijs en Zorg niet afhankelijk zouden zijn van marktwerking. Ik zou willen dat niet wantrouwen maar vertrouwen de maatstaf was zodat we afkunnen van al die regeltjes en controles die onder andere de toeslagenaffaire tot gevolg heeft gehad. En wat ik echt heel graag zou willen is, dat kinderen veilig zouden zijn in plaats van door misstanden in de Jeugdzorg op onveilige plekken te moeten opgroeien, als dat al lukt.

Ik heb hele grote verlangens maar natuurlijk geringe persoonlijke invloed. Ik heb ook nooit de illusie dat ik grotere invloed zou hebben maar ik heb lang hoop gehad dat de bestuurders van ons land daar goede beslissingen in zouden nemen. Die hoop neemt gaandeweg wel af.

Dus richt ik me op waar ik wel invloed op heb, de kleine omgeving waarin ik leef. Niet elke dag (meer) vlees eten, tweedehands kleding kopen, soms biologisch eten kopen en soms niet. Goede doelen steunen. Aardig zijn voor mensen om me heen en helpen wanneer ik kan. Is dit een goed leven leiden? Ik hoop het en het werkt voor mij in ieder geval goed.

De kledingindustrie blijft ons bezighouden

Onlangs las ik een column met de titel ‘Gratis kleding klinkt nobel’. Het woordje ‘klinkt’ doet mij vermoeden dat de schrijfster Anna Roos van Wijngaarden daar niet zo over denkt en, na lezing van het artikel, blijkt dit in mijn beleving deels waar.

Anna Roos schrijft over de winkelketen ‘Free Fashion’ waar alle kleding gratis wordt weg gegeven. Dat dit concept positief wordt ontvangen begrijpt ze, en ook het statement dat de winkel hiermee wil maken: we hebben genoeg kleding, stop met de productie hiervan.

 Ze was gecharmeerd van de ideeën van Free Fashion totdat een ‘wijze’ collega zich afvroeg ‘hoe je mensen dan nog leert dat ze wél voor kleding moeten betalen’. Bovendien vindt deze collega dat ‘mooiere, duurzame stukken hard nodig zijn in een circulair kledingsysteem’.

Ik ben het daar helemaal mee eens alleen…deze mooie, duurzame stukken kon ik in mijn leven lange tijd niet betalen. Ik had het er letterlijk niet voor OVER. Ons geld ging op aan huisvesting en de vele rekeningen die iedereen moet betalen, aan school en de studie van onszelf en de kinderen. Kleding was voor ons lange tijd een sluitstuk en dan gingen de kinderen bij ons voor.

Dat we op Vinted en in tweedehandswinkels ‘onze troep rouleren met duurzame bedoelingen’, daarmee ben ik het met de schrijfster oneens. Ik koop graag tweedehands, terwijl ik nu veel meer dan vroeger aan mijn kleding kan besteden, maar ik WIL het niet. Ik vind ook dat er al genoeg kleding is. Dat betekent niet dat ik nooit een nieuw kledingstuk koop, lingerie zal ik nooit tweedehands kopen en schoenen in een heel enkel geval. Maar er is genoeg goede, tweedehands kleding te vinden. En ik hoop, met Free Fashion mee, dat uiteindelijk de modemerken zullen stoppen met die overproductie.

Wat mij betreft is het niet of/of, maar en/en. Er zijn rijke mensen, minder rijke mensen en niet rijke mensen. En ieder kan nu terecht bij de soort winkel waar hij/zij/hen hun kleding wil kopen of gratis halen. Ik vind het mooi dat die keuze er nu is.

Bureau voor aanstaande ouders

Je bent een niet meer zo jonge vrouw, of man, en je had al op veel jongere leeftijd vader of moeder willen worden. Maar met de relaties, die je wel door de jaren heen hebt gehad, is het niet gekomen tot het stichten van een gezin.

Je hebt je kinderwens nooit verloren maar je komt op een leeftijd dat het steeds minder voorstelbaar is dat je nog een relatie met iemand zult opbouwen met wie je dat door jou zo gewenste gezin kunt vormen. Het kan een enorm gemis zijn en terwijl je ouder wordt, en misschien wel alleen blijft, een gemis blijven. Als vrouw kun je, met hulp van een donor, ervoor kiezen alleenstaande moeder te worden en je kind(eren) alleen op de voeden…als man kun je dat niet.

Stel je voor dat er dan een bureau is dat je helpt om een potentieel vader, of moeder voor jouw kind te vinden. Iemand die net als jij een echte kinderwens heeft en met wie je een dusdanige vriendschappelijke relatie kunt opbouwen dat je samen voor je kind(eren) kunt zorgen. Iemand die jou respecteert en die jij respecteert als de co- ouder van jullie kind. Tijdens de zwangerschap doe je samen een ouderschapscursus en maak je samen een ouderschapsplan, om goed voorbereid te zijn op de geboorte van jullie gezin. En ook daarna blijft het bureau je ondersteunen.

Je hebt geen liefdesrelatie samen en je kind groeit in twee huizen op, zoals veel andere kinderen. Al hebben zij vaak ouders die ooit van elkaar zijn gescheiden. Jullie delen wel de liefde voor je kind en hebben daarom regelmatig contact met elkaar om te bespreken hoe het met het gezin gaat.

Stel je voor dat zo’n bureau er was en je kon helpen het gezin te krijgen dat je al jong voor ogen had. Het is een andere vorm dan je had gedacht maar je weet dat je beiden betrokken ouders zult zijn, omdat wat bij jullie voorop staat altijd het zo gewenste kind, of misschien wel kinderen, zal zijn.  

En het kind zal betrokken, liefdevolle ouders hebben en weten dat het uit liefde is geboren.

Verstand komt met de jaren

Vroeger…lustte ik geen groenten. En dat hoefde ik ook niet te eten. De Indische gerechten die mijn moeder maakte vond ik soms ingewikkeld met taugé en tempeh en namen als ketoprah en gado gado. Er zaten meestal groenten bij die ik niet lustte. Gelukkig was er altijd rijst met ketjap en flikkadel of een kippenpootje, waar ik gek op was. 

Thuis aten we vroeger witbrood. Er was zoet en hartig broodbeleg en ik koos het zoete. Chocopasta, hagelslag (liefst met suiker erover, heerlijk), en pindakaas (met suiker). Yoghurt met suiker en als ik een keer een sinaasappel at deed ik daar een paar scheppen suiker over. Er was genoeg gezond eten maar ik koos vooral dat, wat mijn kindermondje lekker vond.

Als tiener had ik een sinaasappelhuid, cellulitis. Ik had het vooral op mijn bovenbenen. Ik vond het lelijk maar wist niet zo goed hoe ik ervan af kon komen. Ik wist wel dat het met voeding te maken had, maar ook toen ik al ‘op mezelf’ woonde at ik nog niet gezond. De eerste vijf jaar misschien nog wel minder gezond.

Gelukkig leerde ik toen mijn man kennen en met hem het ‘Hollandse eten’, aardappels, groenten en vlees. Van witbrood stapte ik over op bruin brood en al snel daarna op volkorenbrood omdat ik had gelezen dat dat echt gezond is. Net als andere volkoren producten. Gaandeweg verdween toen de cellulitis vanzelf.

Onze boodschappen doe ik (net als vroeger thuis) bij, wat ik nog steeds vind, de beste grootgrutter van ons land. Toen wij ons jonge huishouden begonnen was dat niet echt handig. Er was een veel goedkopere supermarkt maar die had destijds nog niet veel merkartikelen en die waren wij allebei gewend. Ook het huismerk van ‘onze’ winkel was goed. Ik vind dat wij daarmee een goede keuze deden. Liever minder kopen van wat wij kwalitatief goed vinden, dan goedkope artikelen die we niet goed of niet lekker vinden. De laatste decennia kopen we ook regelmatig biologische artikelen.

De laatste jaren kopen we ‘overall’ minder. Onze kleding kopen we het liefst tweedehands via Vinted en nog liever in tweedehandswinkels, die er tegenwoordig genoeg zijn. Verder willen we niet veel. We doen lang met onze huisraad en al onze apparaten gaan mee tot ze ‘af’ zijn. Dat zijn ze sneller dan vroeger, maar we hoeven niet het nieuwste dat er is.

Wat we zeker niet hoeven is al het overbodige spul dat door websites voor een habbekrats wordt aangeboden. Daarbij denk ik vaak: ‘Wie heeft hiervoor betaald?’

Waarom een schrijver, deze schrijver, schrijft

Je zou zeggen dat een schrijver schrijft om te worden gelezen…en dat is ook zo. Ik vind het ook leuk om te weten dat ik word gelezen. De afgelopen maanden is er iemand die regelmatig tussen de 15 en 20 blogs leest per bezoek aan mijn website. Al weet ik niet wie het is, ik vind het wel heel leuk. Voor mij betekent dat, dat de blogs goed en prettig leesbaar zijn. Anders kun je er niet zoveel achter elkaar lezen.

Ik plaats sinds 2018 elke week een blog op mijn website www.liefdevolcommuniceren.com en ik plaats ze ook op Facebook en LinkedIn. Dat laatste doe ik sinds een jonge vrouw, met wie ik ooit een opleiding deed, zei: ‘Je moet ze daar ook plaatsen, het is je werk,’ en ik dacht: ‘Al brengt het geen geld op, het is wel werk,’ dus ze heeft daar wel gelijk in.

Wordt ik veel gelezen? Dat weet ik niet, wat is veel. Krijg ik veel reacties? Nee, dat niet. Gemiddeld denk ik tussen de zeven en tien per blog. Ik heb ontdekt dat ik meer reacties krijg op Facebook wanneer ik over mezelf of ons gezin schrijf en meer op LinkedIn wanneer het een maatschappelijk onderwerp betreft.

Op één blog kreeg ik zowel op LinkedIn als op Facebook meer dan 50 reacties en op LinkedIn had dit blog meer dan 5500 weergaven. Het verschil met de andere blogs was dat ik er een foto bij had geplaatst van ons gezin van 24 jaar geleden. Een foto die was gemaakt voor een tijdschrift. Wij stonden daar wat ‘glamourachtig’ op.

Welk blog het ook betreft, ik heb aan alle blogs evenveel plezier gehad om ze te schrijven. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik aan 80% van de blogs nog net even meer plezier heb beleefd dan aan de overige 20% en dat zijn de blogs die moeiteloos uit mijn vingers rollen.

Het allerfijnst is het blog dat ‘zichzelf schreef’. Het blog over Winnie de Poe die van ons een wasbeurt kreeg en een regenpakje dat ik in een speelgoedwinkel kocht. Ik schreef precies op hoe dat proces was gegaan en dan door de ogen van Winnie en de beeldjes om hem heen, op het grafje van ons nichtje. Hoe ik erop kwam? Ik weet het niet. Het ging vanzelf. Ik vond het verhaaltje zo mooi dat ik het stuurde naar mijn broers en zussen en hun reacties waren zo leuk, daar heb ik nog heel lang om met een grote glimlach om mijn mond gelopen.

Ik denk dat ik, zelfs als niemand ze zou lezen, met evenveel plezier de blogs zou schrijven. Mijn vriendin uit Wales noemde haar en mij een keer ‘compulsory writers’ en ik denk dat dat het is. Ik moet schrijven, ik zou niet ander kunnen.