Voor jezelf

Ik was 23 toen ik mijn man leerde kennen. Een 23 jarige met verlatingsangst dat zich uitte in een jaloezieprobleem. En vanwege het feit dat ik in het enneagram een type 4 blijk te zijn, ook nog eens een 23 jarige die zich al te gemakkelijk afgewezen voelde. Het was lastig (een understatement) voor mij, maar ook zeker voor mijn man. Door mijn gedrag was onze relatie erg onstabiel wat voor ons en de kinderen die wij kregen, geen goede basis was.

Gelukkig besloten we samen al snel dat het goed zou zijn hulp te zoeken en even zo gelukkig kon ik al snel bij een psychiater van de GGZ (destijds Riagg) terecht. Meneer van Os heeft mij goed en prettig geholpen en na de kortdurende therapie begreep ik zelf dat er nog veel moest gebeuren voordat ik van die nare gevoelens, en het gedrag dat het met zich meebracht, af zou zijn. Omdat ik al een dagboek bijhield (ik voel me heel prettig bij schrijven) heb ik er daarnaast een zelfhulpschrift bijgenomen en alles gelezen wat ik te pakken kon krijgen over hoe het brein werkt, in bladen als Psychologie maar ook Flow en Happinez, bijlagen van de Volkskrant en Trouw en voor mij leesbare boeken daarover.

Om mij heen hoor en zie ik mensen die problemen hebben met gevoelens die ik van mezelf, van vroeger, herken. Wat er tegenwoordig bijkomt is de social media waar veel mensen elke gebeurtenis ten toon spreiden die ze meemaken. Het ziet er in de eerste plaats allemaal mooi en gelukkig uit (soms is dat maar een deel van het hele verhaal) en in de tweede plaats laat het mensen zien die erbij betrokken waren. Voor degene die dat wil, is het helemaal prima. Voor degene die daaruit conclusies kan trekken, is het niet altijd prima…maar dat is aan haar of hemzelf.

Ik weet het verschil van leven met een zwaar gemoed, door jaloezie of misschien alleen maar een gevoel dat je iemand heel erg benijdt, en het gevoel me regelmatig afgewezen te voelen enerzijds, en een leven waarbij ik 95% van de tijd vrij ben van die nare gevoelens anderzijds.

Als je nare gevoelens hebt, zoek dan hulp. Het helpt al om er met iemand over te praten die je vertrouwt. Wees ook kritisch naar jezelf. Dat heb ik op die lange weg om die nare gevoelens kwijt te raken geleerd. Het belang van kritisch kijken naar mezelf en me afvragen waarom ik die gevoelens had, heeft mij geholpen om veel lichter door het leven te gaan.

Doe het maar…voor jezelf.

Aandacht…echte aandacht

Jaren geleden toen ik nog op school stond, dus zeker tien, verzuchtte een collega dat er bij hem thuis bijna niet meer werd gesproken. Het gezin zat wel bij elkaar in de huiskamer maar ieder had een laptop of telefoon, op schoot of voor zijn neus, waarmee hij alleen bezig was. Storen werd niet op prijs gesteld. De kinderen, drie jongens, waren in de tienerleeftijd of misschien wel bijna adolescent.

Ik weet niet meer of ik er verbaal op heb gereageerd maar als dat zo was zal ik zoiets hebben gezegd als: ‘Daar kun je toch zelf wat aan doen,’ met in mijn achterhoofd ons eigen gezin met twee meisjes die tien jaar geleden al lang uit huis waren.

Hoe het met dit gezin verder is gegaan weet ik niet, maar ik hoop voor de verzuchtende vader dat hij gewenste verandering heeft kunnen bewerkstelligen.

In een boek uit 1999, van Gabor Maté (Het verstrooide brein), lees ik: ‘Gezinnen eten, praten en lezen niet meer samen,’ schrijft Bly. ‘Wat de jongeren nodig hebben is stabiliteit, aanwezigheid, aandacht, advies, goede voeding voor de geest, integere verhalen, maar dat is precies wat ze van de maatschappij niet krijgen.’

Ik zou ervoor pleiten dat ze dit van hun ouders krijgen, die natuurlijk ook in deze maatschappij leven. Maar ouders zijn verantwoordelijk voor het welzijn van hun kinderen, die lang afhankelijk van hen zijn. Een goede opvoeding en verzorging van hun kinderen vraagt dus een kritische blik van ouders op deze maatschappij, waarvan we allemaal weten dat die niet ideaal is.

Ik zie met vreugde dat onze jonge kleinkinderen worden voorgelezen, elke dag. Ze zijn verbaal sterk en durven, beiden nog op de basisschool, hun ouders vragen te stellen die ze bezighouden. Ze hebben inspraak in hun eigen jonge leven en het lijkt mij een goede voorbereiding voor wanneer ze op een dag zelfstandig in de maatschappij zullen functioneren.

We zien ook onze oudere kleinkinderen die zich al wat losmaken van hun ouders. Hun leven is niet gladjes verlopen met de scheiding van hun ouders, maar waar ze altijd op konden en kunnen rekenen is de aandacht en aanwezigheid van hun ouders en stiefouder. Dat wij als grootouders nog zo bij hen betrokken worden vinden wij een groot goed en wellicht heeft dit te maken met de aandacht en aanwezigheid, die wij altijd hebben gehad voor onze kinderen, toen ze nog jong waren en thuis woonden.

Dat zou ik een mooie gedachte vinden.

Leesmonster

Toen ik een jaar of 8, 9 was kreeg ik van een buurvrouw een doos vol afgeschreven bibliotheekboeken. Ik geloof dat het mijn grootste schat ooit is geweest. Een groot aantal van die kinder- en jonge meisjesboeken heb ik tot op de dag van vandaag in mijn boekenkast staan en ik heb ze allemaal heel veel keren gelezen.

Sinds wij, zo’n 25 jaar geleden, bijna jaarlijks naar de boekenmarkt gaan in Deventer, heb ik daar door de jaren heen de series gevonden van de enkele delen van boeken uit die doos. Ik heb de Dorientje serie, de Goud-Elsje series, de Lijsje Lorresnor en de Guusje (uit de Goudsbloem) series. Van de Koppenolletjes serie, die ik onlangs weer achter elkaar las, ontdekte ik opeens dat ik nog een titel mis. Na minder dan tien minuten op het internet ontdekte ik een exemplaar dat ik hopelijk een dezer dagen krijg thuisgestuurd. Het grootste deel van mijn Davy Crockett serie (van Tim Maran) vond ik op die mooie boekenmarkt en voor de rest waren het internet sites als ‘boekwinkeltjes.nl’ waar ik ze vond.

Als jonge moeder vond ik de boeken van mevrouw Van Hille-Garthé en van mevrouw Scheherazade. Deze twee dames hebben met hun boeken een grote invloed gehad op mijn ontwikkeling als vrouw en moeder. Mevrouw Van Hille-Garthé overleed vlak voordat ik geboren werd, maar ik heb een keer de eer en het genoegen gehad om mevrouw Scheherazade te ontmoeten en te spreken bij een lezing die ze hield in mijn woonplaats. Ze was net zo leuk en ‘gewoon’ als ik dacht dat ze zou zijn, door het lezen van haar columns in Libelle en haar boeken. Toen wij elkaar ontmoetten was zij in de 70 en ik net in de 30.

Sinds ik in 2015 stopte met elke week een paar dagen werken heb ik nog meer tijd om mijn leeshonger te stillen. Ik koop weinig boeken, ik vraag ze voor mijn verjaardag, of als kerstcadeau en dat zijn dan boeken waarover ik heb gelezen in de bijlagen van Trouw en Volkskrant Magazine, bijna altijd non-fictie.

Ik volg een beetje het nieuws en haal veel informatie uit de zaterdagkranten en bijlagen die ik lees. Ik lees nu een boek waar ik niet, zoals ik graag doe, vier andere boeken (vaak voor de zoveelste keer) doorheen kan lezen. Het is ‘Het verstrooide brein’ van Gabor Maté’ en ik hoop er iets uit te leren wat mijn meestal onrustige ADD brein tot wat meer rust kan brengen.

In het eerste hoofdstuk zegt hij (de schrijver heeft zelf ADD): ‘Ik ben altijd doodsbang voor mijn geest geweest, waardoor ik het altijd heel erg eng vond om alleen met mijn geest te zijn. Ik had altijd een boek bij me voor als ik ooit ergens vast kwam te zitten…Ik gaf mijn geest altijd wel wat te eten, alsof hij een woest en kwaadaardig beest was dat mij zou verslinden als het niet iets anders te vreten had…’

Ik heb er nooit zo over gedacht maar ik heb ook altijd een boek of een magazine bij me voor als ik ergens moet wachten. Zou ik na het bestuderen van dit boek (dat doe ik met dit soort boeken) nog een leesmonster zijn?

Twee vliegen…

Vroeger, voordat we er hout voor kapten, werd papier gemaakt uit…textiel. In die tijd droegen en gebruikten mensen alles wat ze hadden, kleding maar ook gordijnen en lakens, tot ze tot op de draad versleten waren.

In de toen nog veel grote gezinnen was het heel normaal dat je de kleding van je oudere broers of zussen kreeg en verder ‘afdroeg’. Soms keek je alvast uit naar een bloesje of rok dat je oudere zus droeg en waarvan je wist: op een dag pas en draag ik het.

De tot op de draad versleten textiel werd in die tijd opgehaald door de voddenman. Het waren ook ‘vodden’ die je niet meer kon of wilde dragen. Ik las ergens dat deze voddenmannen er destijds goed mee verdienden. Ze deden ook goed werk, want het verzamelde textiel werd weer gebruikt om papier van te maken.

Voor veel gezinnen was het noodzaak om op deze manier met kleding en ander textiel om te gaan. In die tijd waren er ook al veel gezinnen die wel regelmatig nieuwe kleding konden kopen. Zij gaven vaak hun nog goed bruikbare kleding aan gezinnen die dat niet konden betalen. Het was liefdadigheid en de armere gezinnen waren er blij mee en dankbaar voor.

Vanwege het fenomeen ‘mode’ gingen mensen vaker nieuwe kleren kopen. Hun oude kleding was nog lang niet afgedragen en omdat ook de welvaart was toegenomen en er minder arme gezinnen waren kregen we langzamerhand een textieloverschot. Deze gingen op enig moment in grote balen naar arme landen. Daar konden tegen lage prijzen de kleding worden gekocht. En omdat daar ook niet alles werd verkocht begon zich daar, in die landen het overschot op te hopen.

Tegelijk worden, onder anderen voor het maken van papier, bomen gekapt die we niet kunnen missen omdat die nodig zijn om de CO2 uitstoot tegen te gaan. Met de CO2 uitstoot is het al zover gekomen dat er nu wordt geopperd dat het terugdringen ervan niet meer genoeg is om ‘de aarde te redden’ en dat we moeten proberen negatief CO2 te bewerkstelligen. Maar hoe?

Wacht eens…is 1+1 niet gewoon 2?

Op verschillende plekken op de aarde liggen enorme bergen afgedankte kleding en we kappen nog steeds hout voor papier wat ook van die bergen textiel kan worden gemaakt. Waarom zouden we dat eigenlijk niet doen? Er kan inmiddels zoveel dat ik zeker weet dat ook dit kan. Veel beter, sneller en efficiënter dan hoe het ooit vroeger werd gedaan. En dan zijn die ‘arme landen’ eindelijk van onze rotzooi af.

‘Ja, maar wie dan, mamma?’ vroeg mijn dochter toen ik het er met haar over had. ‘Nou,’ zei ik, ‘de regering.’ En zij: ‘Welke regering dan?’ Ik: ‘Onze regering, of alle regeringen van de EU…of nee, alle regeringen van de wereld. We zijn toch allemaal verantwoordelijk voor het terugdringen van de CO2 uitstoot’.

We hebben allemaal verantwoordelijkheid…maar, wie neemt die eindelijk eens? 

Top 2000 a gogo

Elk einde van een jaar verheug ik me enorm op de Top 2000 a gogo. Ik hou van de verhalen achter de artiesten of de verhalen die onder de clips verschijnen. Ik hou nog meer van de mini documentaires die door Leo Blokhuis worden gemaakt.

Soms lijkt een liedje gewoon een liedje en soms kom je er door zo’n documentaire achter dat het veel meer is dan ‘gewoon een liedje’. Bij de laatste uitzending van de Top 2000 a gogo van het afgelopen jaar bleek dit voor het nummer ‘Why tell me why’ destijds gezongen door Anita Meijer.

We zien beelden van Anita met de componist van het lied, Piet Souer. Samen praten zij over het ontstaan van het lied en wat het ze gebracht heeft. Souer noemt de schrijver van de lyrics, Gregory Elias, en dan zien we hem op het tropische eiland waar hij woont.

Elias vertelt over de tekst van het lied. Hij zegt (in het lied) dat we ons verstand moeten gebruiken en dat onze tijd ‘opraakt’. Hij zegt dat het niet nodig is moeilijk te doen en ruzie te maken of misschien zelfs te vechten. Hij vraagt ons te geloven in onze bestemming, onze menselijkheid en elkaar weer te ontmoeten. Hij spreekt de wens uit dat vrijheid snel ‘onze kant op’ mag komen. Met andere woorden, dat we snel vrij zullen zijn. En hij zegt ook ‘dat we allemaal weten waar we staan’, ‘hoe het er met ons voorstaat. En dat klopt, dat weten we allemaal.

We zullen vrij zijn wanneer we het allemaal zullen zijn. Vrij zijn is niet dat een deel van de bevolking vrij is, terwijl het een ander deel van de bevolking overheerst. Want die zijn dan niet vrij. Vrij zijn we pas, wanneer iedereen echt gelijk wordt behandeld. Als het niet uitmaakt wie je bent, of wat; man, vrouw, lhbtqia+… Vrij zijn we pas als het niet uitmaakt hoe we eruit zien, wat we dragen qua kleding of welke kleur onze huid heeft. Vrij zijn we als het niet uitmaakt wat we hebben gestudeerd, of we hebben gestudeerd of ons beroep met onze handen uitvoeren. Vrij zijn we als niemand denkt dat er een reden kan zijn dat de ene mens meer of minder waard kan zijn dan de andere mens. Vrij zijn we pas als we goed met onze medebewoners op aarde kunnen omgaan, de dieren, de planten, alles wat er op onze aarde leeft.

Het lied is 43 jaar geleden uitgebracht en hoe actueel is het met de oorlogen in Oekraïne en Gaza. Wat heeft een oorlog ooit opgebracht. Wat is de zin van het vernielen van dorpen en steden die later weer met hulp van anderen moeten worden opgebouwd. Hoeveel pijn en verdriet moeten de mensen in die gebieden verdragen om wat henzelf of hun geliefden overkomt.

Nee, niet zeggen dat God dit allemaal ‘laat gebeuren’, het zijn de mensen die het doen, net zoals het de mensen zijn die de aarde vernielen, eigenlijk net zo erg als de dorpen en steden die in een oorlog worden vernield.

Why…tell me…why?

Ruim voldoende geld maar te vaak verkeerd besteed

Stel je het volgende voor:

In een mooi vrijstaand huis woont een gezin. Hun huis wordt elke vier jaar mooi opgeverfd. De weelderige tuin wordt door een tuinman onderhouden en een interieurverzorgster zorgt ervoor dat hun huis spic en span schoon blijft. In de dubbele garage staan twee glanzend-nieuwe auto’s met een kostprijs waarvan je ook een huis zou kunnen kopen.

Qua meubels en apparaten hebben ze steeds het nieuwste van het nieuwste en het ouderpaar let scherp op dat ze in ieder geval steeds kunnen blijven concurreren met de gezinnen om hen heen. Het liefst zijn ze altijd in alles nummer één. Het mooiste huis, de mooiste tuin, de mooiste auto’s, de mooiste…mooiste…mooiste.

Qua eten hoeven ze zich ook niets te ontzeggen. Koken doen ze soms en dan van pakketten waar alles in zit. Liever gaan ze uit eten in hun mooiste kleding zodat ze er vooral mooi en goed uitzien. Status is voor hen een belangrijk woord. Ze willen meetellen en doen daar alle moeite voor.

In een van de kamers ligt een kind. Hij is ziek, langdurig en ook wel ernstig. Hij kan niet zo goed mee met de rest van het gezin. Het frustreert hem erg, maar hij is er ook aan gewend. Soms laat hij even van zich horen, als hij het alleen-zijn en zich niet goed voelen niet meer kan verdragen. Maar meestal ligt hij maar alleen, wetende dat hij niet veel te verwachten heeft…door de keuzes die zijn ouders maken.

Wat zou je hiervan vinden?

Nederland is een rijk land. De meeste mensen hebben het hier goed, enkelen leven zelfs in weelde. Ook in het grotere Europa staat het land er goed op en de inwoners van Nederland blijken tot de gelukkigste mensen van de wereld te behoren. Misschien is daarom het algemene antwoord: ‘Goed.’ op de algemene vraag: ‘Hoe is het?’ wel zo gangbaar.

Maar er is ook een groep mensen dat in de reguliere zorg niet geholpen wordt. Een groep mensen dat niet, zoals de meesten van ons gelukkig wel, een dak boven hun hoofd heeft. Deze groep mensen wordt door onze regering niet geholpen. Zij kunnen niet meekomen en er wordt niet naar ze omgekeken.

Gelukkig zijn er mensen als Michelle van Tongerloo en de mensen van de Pauluskerk die naar deze mensen wel omkijken en ze daadwerkelijk helpen.

Wat vind je hiervan?

Rouw

Ons eerste verlies in de familie was, in 2001, ons kleine nichtje van vier. Het leek een gewoon griepje dat ze had maar bleek uiteindelijk een abces bij de longen, waar ze binnen korte tijd aan overleed. We hebben, ieder op onze eigen manier, om haar gerouwd en ik weet dat vandaag de dag nog steeds soms familieleden worden overvallen door het verdriet om het verlies van dit kleine meisje.

Elf jaar later was het ons jongste zusje, de moeder van dit kleine meisje dat na een kort ziekbed overleed. Dat was zeven maanden na het verlies van onze tweede ouder. Haar ziekte openbaarde zich precies tussen het overlijden en de begrafenis van onze oude vader.

Nog niet uitgerouwd om onze ouders die dertien maanden na elkaar overleden trof ons dit onverwachte verlies als een mokerslag. Bij het overlijden van mijn vader was ik, na het overlijden van mijn moeder, eigenlijk nog niet eens hersteld. Misschien gold dat wel voor meer van onze grote schare broers en zussen. Maar je moet wel door, dat is de ongeschreven wet van het leven.

Rouw is altijd rauw. Het doet pijn en het verschilt met de persoon om wie we rouwen hoe we het ervaren. Hoe mijn zusje en haar man verder leefden nadat ze hun kleine meisje aan de dood hadden verloren is mij een raadsel. Ik kon er alleen maar enorm bewondering voor hebben.

Wanneer mensen bijna niet verder kunnen leven na het overlijden van hun kind, of van hun partner begrijp ik dat heel goed. Ik weet niet hoe dat zou zijn, want ik heb het gelukkig niet hoeven ervaren maar ik begrijp het wel.

En ik begrijp het ook wanneer je wel verder kunt na het overlijden van een geliefde. Misschien zelfs kunt openstaan voor een nieuwe liefde. Volgens mij maakt leeftijd daarbij niets uit, wel omstandigheden en die weten alleen degenen die het rechtstreeks aangaat. 

Tenzij we helemaal alleen op de wereld zijn zullen we allemaal verliezen lijden. 70 jaar bij elkaar mogen blijven, zoals mijn ouders, is lang niet eenieder gegund. Laten we hopen op compassie van onze omgeving…wanneer het onszelf overkomt.

Blijf toch bij elkaar

Jaren geleden kreeg ik een krantenartikel toegestuurd waarin een dame pleitte voor een relatie-APK die stellen om de zoveel tijd (jaar?) zouden kunnen doen om te kijken of ze nog op één lijn zitten. Om te kijken hoe hun relatie ‘ervoor staat’. Dit artikel sprak mij direct aan omdat ik bij veel mensen gezien heb hoe hun relatie onder druk staat, terwijl ze wel van elkaar houden. In bijna alle gevallen heeft het te maken met communicatie. Iedereen weet hoe belangrijk het is om goed met elkaar te communiceren en bijna iedereen weet ook hoe moeilijk het is. Om daarbij hulp van een derde te vragen kan dan een heel goede stap zijn.

In de afgelopen jaren heb ik dit onderwerp, soms ook door anderen relatie-APK genoemd, regelmatig voorbij zien komen. Dat betekent dat het leeft en er meerdere mensen op zoek zijn naar hulp bij de ontwikkeling van hun relatie. Wanneer deze mensen kinderen hebben is het wellicht voor de kinderen nog belangrijker dan voor henzelf.

Volkskrant Magazine van 16 september jongstleden heeft als titel ‘Let’s stay together’. Dit nummer is grotendeels gewijd aan relaties en relatietherapie. Een kopje uit het artikel ‘De zin en onzin van relatietherapie’ luidt: Van alle psychologische interventies is relatietherapie betrekkelijk nieuw. En een ander kopje luidt: Timing is lastig, de meeste mensen willen pas in therapie als het water ze aan de lippen staat. En een derde, en laatste, kopje luidt: Een therapeut kan geen wonderen verrichten.

Ik vind het een positieve ontwikkeling dat mensen blijkbaar meer dan vroeger bereid zijn om te werken aan hun liefdesrelatie. In mijn beleving is het een van de mooiste en ook een van de meest kwetsbare vormen van relaties. Mensen blijken soms al in relatietherapie te gaan wanneer ze nog geen problemen hebben, dat lijkt wat vroeg maar qua timing, denk ik, veel beter dan wanneer er al forse problemen zijn. Wat het laatste kopje betreft; alleen het liefdespaar zelf kan, geholpen door de therapeut, problemen oplossen. Dat kan niemand voor hen doen.

Ooit viel bij mij het kwartje toen een therapeut tegen mij zei: ‘Mevrouw Jeltema, u moet niet verwachten dat een ander voor u het paradijs maakt.’ Achteraf ben ik heel blij dat ik toen op tijd hulp heb gezocht, ik was pas 28 en onze kinderen een baby en de ander drie jaar. Een therapeut kan geen wonderen verrichten, dat kun je alleen zelf, samen met je liefste.

Het is wel belangrijk de juiste therapeut te vinden.

Huizen, huizen, huizen

Op LinkedIn lees ik verschillende berichten in relatie tot het huizenprobleem dat ons land in zijn greep heeft. De berichten zijn verschillend van aard. Ik lees over ‘terugroepactiegroningen.nl’ waarbij young professionals die elders zijn gaan wonen en werken worden gevraagd of ze terug willen verhuizen naar Groningen om hier hun kennis in te zetten en tegelijk in een omgeving met meer ruimte (dan bijvoorbeeld in de Randstad) te komen wonen. De terechte vraag die ik daarbij in een commentaar las was: ‘Waar kunnen ze in de stad dan snel een betaalbare woning vinden?’

Voormalig minister De Jonge roept mensen op overbodige kamers in hun huis te gaan verhuren aan studenten. Ik ken mensen die dat doen en weet dus dat het kan. Natuurlijk moet je daarbij selectief zijn in de keuze van wie je dit ‘gunt’. En wanneer de studenten zich niet aan de regels wensen te houden, moet je ze de huur kunnen opzeggen.  

In een commentaar in die LinkedIn post wordt gezegd dat ‘wanneer AOW’ers niet zouden worden gekort bij samenwoning er wellicht meer mensen zouden gaan samenwonen waarbij veel woonruimte zou vrijkomen’.

Waar ikzelf van overtuigd ben is dat wanneer minder mensen gaan scheiden, hun relatie verbreken, er ook minder huizen nodig zullen zijn. Ik weet dat veel scheidingen niet te voorkomen zijn en ik denk dat met een goede oudercursus aan het begin van een zwangerschap misschien evenzoveel scheidingen wel te voorkomen zijn. De grote winst bij het voorkomen van een scheiding (wanneer die inderdaad te voorkomen is), is het lot van de kinderen. Om dit een voordeel te noemen is een understatement, dit is een enorme winst.

Misschien moeten we dus zeggen: kinderen, AOW’ers, studenten en huizen, huizen, huizen.

Zij niet…en wij ook niet

‘Je gaat het toch wel doen?’ Ik kijk hem verwachtingsvol aan, terwijl ik wel zie dat hij het, om wat voor reden dan ook, niet wil. De vraag was heel simpel: ‘Ach, wil jij even de lege flessen weg gooien?’ gevraagd door zijn pappa.

Hij maakt geen aanstalten om in beweging te komen en ik zeg: ‘In onze familie en in ons gezin hebben we een vaste regel en die is: als iemand je vraagt iets te doen, dan doe je dat. Tenzij je bijvoorbeeld ziek bent…maar dan vragen we het niet.’ Ik zie dat hij erover nadenkt en ik moedig nog even aan: ‘Kom, doe het nou maar.’

Hij staat op en gaat in de gang zijn schoenen aantrekken. Zijn gemoed is nog duidelijk in mineur. Terwijl hij op de trap zit, en blijft zitten zeg ik op enig moment: ‘Nou, kom maar binnen. Ik ga wel.’ Maar dat wil hij ook niet. Hij trekt zijn jas aan en gaat met de tas met flessen naar beneden. Voor het raam kan ik hem bijna helemaal volgen en na korte tijd komt hij weer terug, zijn gezicht nog altijd op onweer.

Hij trekt de slaapkamerdeur achter zich dicht en na een tijdje gaat hij in de kamer televisie kijken. ‘Bedankt dat je de flessen hebt weggebracht,’ zeg ik, nog steeds tegen zijn wat stugge gezicht. ‘Heb je begrepen wat ik zei?’ beantwoordt hij met een kleine ruk van zijn hoofd. De juiste toon vinden we weer terug wanneer ik hem even later wat lekkers breng en zijn gezicht weer opklaart.

Lang geleden, toen onze kinderen nog klein waren, gingen we samen een dagje uit. Tussen ons was wat geharrewar en de kleine meisjes zaten muisstil achterin de auto. Ik vond het vooral voor hen vervelend maar wist ook dat wij, groten, ook de stemming die we onbedoeld hadden opgeroepen naar vonden. Op enig moment vroeg ik iets waar mijn man uitgebreid op kon reageren en al pratend werden zijn toon en mijn toon weer rustig. Achterin de auto hoorde ik twee kleine zuchtjes van opluchting en zag ik, in mijn verbeelding, twee stel gespannen schoudertjes zakken.

Het overkomt ons allemaal wel eens dat we, om wat voor reden dan ook, onbedoeld de goede sfeer bederven. We kunnen wat gefrustreerd zijn of niet lekker in ons vel zitten. Wij doen dat niet expres, en dat geldt ook voor onze kinderen. Het is alleen voor de kinderen wel prettig als wij ze kunnen helpen daar weer uit te komen en dat geldt ook voor onszelf. Wie het vervolgens doet is niet belangrijk, dat we er niet in blijven hangen is dat wel.