Mijn jongetjes.

Ze heten Magnus en Noah en ze wonen met hun pappa en mamma in een klein plaatsje vlak bij Amsterdam. Ik trein al vijf jaar om de andere dinsdag vijf uur, reistijd heen en weer, om die dag zo’n tien uur met hen door te brengen. “Wordt je daar ook heel moe van, Roos?” heeft iemand mij wel eens gevraagd. Nee, ik wordt daar eigenlijk nooit moe van. Ik krijg daar bijna elke keer alleen maar energie van.
Nu mogen ze drie nachtjes bij ons logeren.
Zij zijn beiden vroege vogels, het lijkt of de oudste een wekkertje in zijn hoofd heeft dat spontaan om 6 uur afgaat. De jongste is een ander verhaal. Die wordt geregeld ’s nachts hard huilend wakker en is soms moeilijk te troosten. Dat is ook omdat we niet weten waarvoor hij getroost moet worden. Ik weet dat zijn ouders daardoor veel slaap ontberen en vind het mede daarom prettig dat zij een paar nachten bij ons zijn.
Magnus is vijf en een klein, fijn klim aapje. Het liefst hangt hij ondersteboven aan ons stapelbed of balanceert op de brede rug van onze oude, groene chesterfield stoel. Hij oefent voor ‘Ninja’ en heeft zich daar deze dagen helemaal op kunnen uitleven. Met brede armgebaren maakt hij langzaam figuren die mij wel doen denken aan wat ik me bij ‘Ninja’ voorstel. Ondertussen schiet razendsnel een voetje vooruit, het liefst tegen een stoel aan of tegen zijn broertje.
Hij is verbazend sterk en kan van het beneden bed door zich op te trekken en een knie op de rand te krijgen zonder trap op het bovenbed klimmen. Hij doet dat ook eindeloos, met iedere keer evenveel plezier. Op de oude chesterfield oefent hij hoe snel en gemakkelijk hij op een obstakel aan de ene kant klimt en aan de andere kant met een soepele sprong weer afspringt. Ik vind het best knap van een vijfjarige autodidact Ninja in spe.
Zijn broertje is een veel steviger exemplaar. Daardoor vechten en stoeien ze bijna als twee gelijken. Ik hoor Magnus veel vaker verontwaardigd de naam van zijn broertje roepen dan andersom. Dit betekent vaak dat Noah iets doet wat Magnus absoluut niet wil. En soms doet Noah hem pijn maar dat is meestal ongewild. Dat Magnus een enkele keer ‘van zich afslaat’ vind ik niet altijd onterecht. Toen Magnus op enig moment bij mij kwam klagen en Noah erbij kwam staan, gaf de oudste de jongste een duw terwijl de jongste net zei: “Stil maar,” De vanzelfsprekendheid waarmee ze elkaar dan omhelzen omdat er even een verkeerde inschatting was gemaakt vind ik dan ook weer aandoenlijk.
Och mijn jongetjes toch. Ze houden mij de hele tijd bezig en soms lijkt een dag met hen uit twee te bestaan. Ik hoor mijzelf op enig moment roepen: “Pas op. Kijk uit,” terwijl ik me heel goed realiseer dat ze toch wel ‘doen’, wat ik ook roep. Magnus heeft een buil op zijn hoofd opgelopen omdat hij rennend om de stoel uitgleed op het kleed en met zijn hoofd tegen de tafelrand aanviel en nadat Noah al van een stoel was gevallen kon ik hem nog net aan een beentje grijpen. Anders was hij ‘met de kop naar beneden’ ook nog van de bank afgestort.
Ik ben blij als ik ze weer heelhuids bij hun ouders heb afgeleverd en tegelijk weet ik: zo worden kleine kinderen groot en alleen door te doen zullen ze leren.