Stil maar, het komt echt goed, al zie je nu nog niet hoe. Het bolletje wol om mee te spelen, de slaapmandjes voor iedereen, verdwenen naar hier of naar daar. Het plekje waar pa poes zijn soepele lijf graag legt te rusten is dan weer bezet met dit of met dat of misschien ben je er zelfs wel gaan liggen, verzonken in diep gepeins.
Twee kitten lopen verdwaasd door het huis. Waar is ze nu toch weer gebleven. Net was ze ze nog aan het wassen en opeens was ze weg. Ze dwalen samen door het grote huis. In een kamer vinden ze een kattenbelletje, in de volgende een etensbak en in een derde slingert de poesenmand. En nergens een spoor van moeder poes.
In het grote bos zoeken ze verder. Miauw, mamma poes, waar ben je? Ze klimmen in de bomen en kruipen door de struiken. En opeens horen ze iets. Het is de stem van de wijze uil en hij fladdert op en neer. In zijn snavel niets meer dan een luchtspiegeling die hij groot maakt en dan weer klein. Mamma poes kijkt stil voor zich uit. Als de uil op en neer is gefladderd, klinkt heel zachtjes haar kleine: “Miauw,” Hij fladdert nog eens en nog eens en tussendoor haar zachte: “Miauw,” ondersteund met een klein knikje van haar sierlijke poezenkopje. Nog drie keer fladdert hij op en neer, hij fladdert bijna om, maar dan is het echt voor elkaar. Moeder poes klinkt nu ferm: “Miauw!”
Het poezenhuis is nu een lust voor het oog, alles heeft een vaste plek. De was maakt mamma poes keurig af, de kitten varen er wel bij. Hun speelgoed staat altijd voor ze klaar, hun eten keurig op tijd. Hun vachtjes glanzend schoongelikt en pa poes kan zijn geluk niet op. En moeder poes, die heeft eindelijk rust, ze weet nu hoe het moet. Eerst dit afmaken en dan dat. Geen gesleep meer van hier naar daar. Dank u uil, nu ben ik klaar.