Je hoeft het nooit alleen te doen.

“Wat heb je een mooi mens gemaakt, mijn kind,”. Afwachtend keek ik mijn Vader aan. Ik mocht komen en wat vragen voor mijzelf, voor het mensenkind dat ik ging worden. “Heb ik teveel gevraagd, Vader?” vroeg ik aarzelend, want dat had ik niet bedoeld.
God keek mij aan met zijn liefdevolle blik. “Oh nee,” zei Hij, “zeker niet,”
Ik dacht na over de woorden die ik had gekozen. Liefde en trouw, samen, sterk, helpen en ook humor.
Ik mocht ook kiezen tussen één ding heel goed kunnen of meerdere dingen ‘een beetje’. Ik had gekozen voor dat laatste want er waren zoveel leuke dingen om te doen, dat had mijn Engel mij verteld.
“Je zult ons wel missen, mijn kind,” zei God en in Zijn blik meende ik medelijden te bespeuren. “Dat zeker, Vader, maar daarom heb ik ook gevraagd om bij veel mensen te mogen wonen, zodat ik nooit alleen ben,”
Met mijn Engel had ik alles besproken. Dat ik een zorgeloos zieltje ben en ook straks, bij mijn missie op aarde, graag zou blijven, als het kon. We hadden besproken hoe rijkdom begerenswaardig kon zijn en tegelijk altijd problemen met zich mee zou brengen en ik wist al snel dat ik dat niet zou willen. Niet die soort rijkdom.
“Denk erom,” had mijn Engel gezegd: “als je veel hebt (ook aan mensen) dan kun je ook veel verliezen,” en ik wuifde dat weg: “Ja, dat weet ik, dat heb je gezegd. Je hebt gezegd dat ik dan sterk genoeg zal zijn om dat te dragen,” “En ook …,” begon de Engel, “Ja,” zei ik, “en ook voor andere mensen,”
Zowel de Engel als God hadden ernstig en tegelijk liefdevol met mij gesproken. Over de wereld waar ik heen zou gaan, de mensen bij wie ik ging wonen. En de mens die ik zou zijn. Ik leerde dat het niet gemakkelijk zou zijn om mij in de wereld te bewegen. Dat in deze wereld veel mensen alleen voor zichzelf leven in plaats van om te kijken naar een ander. Soms zelfs niet omkeken naar hun familie, of alleen als zij ze nodig hadden. Maar ik leerde ook dat ik alles mag vragen en dat ik het nooit alleen hoef te doen.
“Maar, wat is dan niet gemakkelijk, Vader?”
“Mijn kind, wat je ziet zal niet gemakkelijk zijn. Ja, je bent er met velen, net als hier maar de saamhorigheid is er niet vanzelfsprekend. En of je die op kunt zoeken hangt van zoveel af. De familie waarin je opgroeit, en ook wie jij bent, wie jij wordt als je groot geworden bent. Durf je te vragen? Durf je te vragen wat je nodig hebt? En zul je je realiseren dat je altijd een keuze hebt. En daar verantwoordelijk voor bent?”
Ik keek naar God en voelde Zijn liefde. In stilte vroeg ik die mee te mogen nemen op mijn grote reis.

Advertenties