Mag ik even uw aandacht?

Het was een jongetje dit keer en de aanleiding zo anders dan toen het de meisjes overkwam. Ik was vijf toen het mij overkwam, gezeten achterop de fiets van een hooguit zevenjarige. Zij was een vriendinnetje uit de straat, trots op haar nieuwe fiets met bagagedrager waarop ze mij meenam naar huis. We waren al achter in mijn eigen straat, maar ze vroeg het zo lief dat ik natuurlijk achterop klom. Ik denk niet dat ze al eerder met iemand achterop had gefietst en 55 jaar later denk ik ook niet dat het mocht. Ze slingerde vervaarlijk en ik hield me stevig aan haar zadel vast. Maar mijn benen…die slingerden mee en toen ik bijna thuis was, ter hoogte van het rijtje waar zij met haar familie woonde, sloeg het noodlot toe. Een van mijn slingerende voetjes, in open sandaaltje gestoken, gleed soepeltjes in het wiel. Een pijnscheut vlijmde door mijn lijf en omdat we abrupt stilstonden vielen we samen om en op straat, mijn vriendinnetje, haar fiets en ik.
Ik denk dat ik gilde en heel hard huilde want in no time stonden er mensen om ons heen en er kwam iemand met een deken. Het volgende wat ik me herinner is dat ik in een taxi naar het ziekenhuis werd gereden, mijn bloedende voet bij mijn vader op schoot en zijn met bloed doordrenkte zakdoek. Voordat ik in die taxi werd gedragen had ik heel hard geroepen: ‘Doe er maar een pleister op,’ Ik was vijf.
Tien jaar later was het een nichtje dat achterop bij haar moeder, achterstevoren als ik het goed heb begrepen, met haar voet tussen de spaken kwam. De bijzonderheden omtrent dit gebeuren heb ik nooit geweten. Misschien heb ik me ervoor afgesloten of hield de familie het bij mij weg, want het trauma dat ik nog geen tien jaar daarvoor had opgelopen was nog niet van mij weg. Het enige wat ik er ooit van heb geweten is dat zij daarbij haar enkeltje had verbrijzeld. Het is goed gekomen, dat weet ik maar ik heb er ook later nooit naar gevraagd.
En nu dit kleine jongetje. Hij is nog maar drie. Hij kan al heel veel maar is ook continue op ontdekkingsreis. In zijn hoofdje gaan de hele tijd vragen om: ‘Hoe…, wat? Stel je voor dat…,’ en zo zat dat kleine voetje tussen het wiel, terwijl de vraag doorging: ‘ …ik mijn voet tussen het wiel steek, zou die dan stoppen?’
Hij stopte, en hoe? Terwijl hij een gil gaf, misschien zijn moeder ook en zijn broertje die voor hun fietste, in de berm stuurde, van de fiets sprong en geschrokken naast hun stond. Na zorgvuldig onderzoek blijkt zijn voetje heel en hij kan hem zelf bewegen, zelf met zijn tenen wiebelen. Wat een geluk, mamma en broertje herademen, jongetje komt bij, ook enorm geschrokken van zijn ondoordachte daad. Is dan alles er ongeschonden afgekomen? Nee, zijn ene schoentje is aan flarden. Gelukkig, want die heeft zijn voetje beschermd. Terwijl ze nog een beetje natrillend naar huis lopen kijkt hij trouwhartig zijn mamma aan en zegt: ‘Nu heb ik alleen nog mijn witte…,’