Eternal flame

Ik werd wakker met het mooie liedje ‘Eternal flame’ van The Bangles in mijn hoofd. Zin voor zin kwam bewust in mij op. ‘I believe, ’t was meant to be, darling. I watch you when you are sleeping, you belong with me’. En dan verder in het liedje ‘A whole life, so lonely and then you come and ease the pain, I don’t want to loose this feeling’.

En opeens weet ik het: dit zijn wij, dit gaat over ons. Onze relatie, ons samenkomen was tegelijk onmogelijk en onvermijdelijk. Aldoor vraag ik mij af hoe het kan dat ik me tegenover hem vaak zo voel: blij, trots, een beetje verlegen en ook een beetje dankbaar.

Ik ben nog steeds in een menigte of zelfs een kleinere groep mensen ‘verloren’. En dan is hij mijn veilige baken. Zoals ik in de vroege ochtend schreef in een gedicht ‘… my beacon in the crowd’. Ook in abstracte zin klopt het. Deze wereld is voor mij complex, zoals het is voor veel mensen. En lang geleden, toen ik mij net in een onmogelijk leven had gestort, was hij daar en loste het voor mij op. Nu zorgen wij, al heel lang, voor elkaar. Hij lenigt mijn nood en ik die van hem en ik weet: our flame wil eternally burn.

Om dat in woorden te vatten is niet gemakkelijk en daarom werd ik vanmorgen met het liedje wakker en moest ik huilen omdat ik het opeens begreep. Ik stond op en schreef de eerste woorden van het gedicht ‘I wake up with the song in my head…’.

Ik voel me Santiago, de jonge herder uit het bekende boek van Paulo Coelho ‘De Alchemist’. Om op mijn leeftijd de schat te vinden die er altijd al lag ontroert me diep.

Ik had al heel veel liefde toen hij in mijn leven kwam. Ik heb het al vaker geschreven, van mijn grote familie had ik niemand kunnen missen. Van hen heb ik mijn leven lang de onvoorwaardelijke liefde gekregen zoals wij, hij en ik, die nu ook geven aan onze kinderen en hun gezinnen. Behalve natuurlijk onze schoonzoons zijn zij onze bloedverwanten en dat maakt het tussen hem en mij anders. Dat hij kwam en onder de toen lastige omstandigheden bleef was een keuze…en dat maakt dat het me zo ontroert.

Poeh, poeh!

Gelukzalig keek Winnie om zich heen. Hij was weer terug en hij voelde zich zo veel beter dan de laatste weken. Hij knikte naar deze en gene en voelde zich heel behaaglijk in zijn nieuwe jas. “Hé Win, waar was je eigenlijk en hoe kom je opeens aan die mooie jas en laarsjes. Wel lekker zeker, hè?”

Winnie keek het witte engeltje aan dat dicht bij hem stond. Hij zag ook anderen nieuwsgierig naar hem opkijken. “Ja, “ begon Winnie, “hebben jullie wel gezien dat er een mevrouw een paar keer achter elkaar bij ons was geweest?” de één schudde nee terwijl een aantal anderen ja knikten. “Dat was een tante van Linda. Ach jullie kennen haar toch wel, ze komt hier ieder jaar wel een paar keer maar nooit zo vaak als de afgelopen weken. Vorige week kwam ze opeens met een andere tante. Die ken ik niet zo goed maar Linda wel. Ze zei dat dat haar tante Rely was. Daar was ze vroeger heel vaak geweest. Haar tante Rely die woont bij haar oom Bert. En die tante ging het graf een beetje schoonmaken,” Nu vielen een paar beeldjes hem bij: “Ja, dat zag ik wel.” En een ander riep: “Ik ook, ik ook,” En weer een ander riep: “En ze zetten iedereen die gevallen was weer overeind,” “Ja, dat zag ik ook en ze haalden heel veel vieze blaadjes van ons af,”

“Juist,” zei Winnie, “ en toen hebben ze mij meegenomen. Ik hoorde hun wel zoiets zeggen en ook iets over een jasje, maar ik dacht: nee , dat kan toch niet. En ze deden het wel. Hoe vies ik ook was, ze namen mij gewoon, hup, mee in de auto.” Winnie keek even tevreden rond om te kijken wat ze daar nou allemaal wel van zouden vinden.

Nu begonnen een paar door elkaar te vragen: “Waar was je dan?” en: “Was je niet bang?” en: “Waarom deden ze dat?” Toen begon Winnie te vertellen.

“Eerst moest ik in een emmer met een heleboel sop. Het water was lekker warm en ik bleef alleen in het donker in die badkamer. Dat was natuurlijk hartstikke saai dus toen viel ik ook direct in slaap. Ik werd wakker omdat het licht aanging en toen mijn ogen uit geknipperd waren zag ik dat die tante weer terug was. Ze mompelde een beetje terwijl ze me uit het water trok en in mij begon te knijpen. “Wat ben je slijmerig,” zei ze: “Huuh,” “Dat kon ik natuurlijk ook niet helpen. Ik was al jaren niet meer gewassen. Ze gooide het water weg, echt vies man, en toen deed ze weer lekker warm water met sop erin. En toen deed ze net of ik een ding was wat je op de hand moet wassen. Weet je wel, een kledingstuk of zo. Ze kneep steeds in mij en trok me uit en duwde me in het water. Toen draaide ze mij op de kop en deed ze het weer. Ik was ook echt heel vies. Wel een beetje minder vies dan na de eerste emmer,”

“Ik had wel mee gewild,” zei de roze bad eend  toen Winnie even ademhaalde voordat hij verder ging, “dan hadden we samen in bad gekund.”

“Ja,” zei Winnie, “dat had ik wel gezellig gevonden. Nou, en toen moest ik nog in de wasmachine. Ik dacht dat ik dat heel eng vond maar dat was niet zo hoor. Het was net wildwaterkanoën zonder kano. Ik werd heen en weer door dat sop geslingerd. Dat kon die tante natuurlijk niet doen in die emmer. En toen het water weg was werd ik heel hard rondgeslingerd, daar werd ik wel heel duizelig van, maar toen dat klaar was, was ik ook al bijna droog. En schoon.”

“En toen?” vroeg het beertje op ‘nous t’aimons’, “Oh,” zei Winnie, “zat jij ook te luisteren, wat leuk. Nou, toen zat ik lekker de hele nacht tegen de verwarming. Die was natuurlijk ’s nachts niet aan, maar ’s avonds wel. En de volgende ochtend zette die tante mij in een tas en ze nam mij  mee naar een winkel. Een speelgoedwinkel. En ze stond heel lang stil op een plek waar ik allemaal poppen boven ons zag, op planken. En allemaal dingen voor de poppen. En toen pakte ze iets en liep naar de kassa en toen mompelde ze ‘straks is het te klein’ en ze legde het terug. Maar ze bleef er wel bij staan. Ik kon niet zien wat het was maar dat was dus deze jas. Want ik had wel iets roods voorbij zien schemeren boven mijn hoofd. Toen bleef ze weer een poosje staan en toen nam ze het toch mee. Gelukkig want ik ben er toch zo blij mee. Het scheelt een jas, echt een jas.”

“En die laarsjes?” vroeg het meisje dat, samen met haar vriendje, hen elke dag voorlas voordat ze gingen slapen. Gelukkig hadden zij beiden schoenen aan maar haar waren die laarsjes direct opgevallen.

“Ja, die zaten erbij. Daar ben ik ook zo blij mee, want ik vind ze heel mooi. Echte, mooie rubberen laarzen. En die jas vind ik ook heel mooi. En Linda ook, ze stond te juichen toen ik terug was.”

“Oh, Pooh,” zei ze, “wat ben je mooi. Heeft mijn tante Rely dat voor jou gekocht?”

“Nou,” zei Pooh, “toen vertelde ik dat die andere tante het had gekocht en dat ik  bij haar in de wasmachine was. Maar ik had gehoord dat ze het allemaal samen voor mij hadden bedacht en dat ze het samen hadden betaald. Samen met al die andere broers en zussen van Linda’s mamma. Omdat haar mamma het niet meer kan. En ze wouden dat ze het eerder hadden bedacht, maar, zei ik tegen Linda, dat kwam wel omdat jouw tante Rely het had gezegd.”

“Zie je wel,” juichte Linda, “mijn tante Rely is zo lief. Dat weet ik  nog precies van toen ik altijd bij haar was. En dat zei mijn mamma ook altijd. Dat het zo lief van mijn tante Rely was dat ik altijd mocht komen logeren,”

Iedereen was blij dat Pooh weer thuis was. Want hij paste altijd op hun en nu waren alle engeltjes extra alert geweest omdat de grote Winnie er niet was. Maar er was natuurlijk niets gebeurt, want zij zijn altijd veilig samen.

Iedereen kletste nog heel lang met elkaar over Winnies grote avontuur en ze waren allemaal blij dat hij nu lekker droog zou blijven als het regent en als straks de sneeuw gaat vallen. En Winnie schurkte zich nog eens lekker in zijn jas.

“Goh,” dacht hij, “wat heb ik toch een geluk. Een jas voor mij, wie had dat nou gedacht,”

Coronavirus

Ongewild schrijven we met ons allen geschiedenis. Wie had dit voor mogelijk gehouden? Ik niet. Ik denk niemand. Het coronavirus is een pandemie geworden. We hebben in Nederland tot nu toe meer dan twintig (inmiddels meer dan honderd) dodelijke slachtoffers te betreuren. Volgens het RIVM hadden allen al gezondheidsklachten. Onderliggend lijden noemen ze het.
De ziekenhuizen en andere hulpdiensten kunnen gelukkig nog functioneren. Wellicht door de vergaande maatregelen die toch dit weekend zijn genomen. Gesloten scholen, afgelaste evenementen. We kennen ze allemaal. Ik ben blij met deze maatregelen. Het is van levensbelang deze ziekte zo snel mogelijk te beteugelen.
Tegelijk denk ik na over de overige gevolgen van deze bizarre situatie. Schiphol wil uitbreiden, wat ik persoonlijk niet wenselijk vind, aangezien er al veel teveel co2 uitstoot is. Mensen hebben zich enorm druk gemaakt over parttime werkende ouders. Alles om de economie te laten groeien.
En nu … wordt ten gevolge van dit virus de co2 uitstoot zomaar enorm verminderd. Ouders en kinderen, veel meer dan de tot nu toe parttime werkende ouders, zullen tot drie weken achter elkaar met elkaar doorbrengen. We kunnen tijd aan elkaar besteden.
Het is te hopen en zou heel verstandig zijn als wij, die gedwongen een stapje opzij moeten doen, inderdaad onze rust nemen en ondertussen om ons heen kijken of er iemand is die ons nodig heeft. Laten we onze helden eren, de mensen die de slachtoffers moeten helpen, beter maken en bijstaan. En de mensen die ervoor zorgen dat, als wij ons hoofd koel houden, iedereen gewoon de boodschappen kan krijgen die ze nodig hebben. De mensen die ervoor zorgen dat de maatregelen worden uitgevoerd en de mensen zullen opvangen die hiervan in de war raken.
Nee, ik weet niet hoe dat straks moet met de economie. Natuurlijk krijgt die een enorme knauw. Maar ik ben wel blij dat eindelijk de mensen voorop staan. Misschien kunnen we na deze crisis met elkaar nadenken over wat echt belangrijk is. En hoe wenselijk het eigenlijk is om steeds meer te willen. En hoe fijn het is om wat meer rust te hebben en meer bij onze jonge kinderen en elkaar te zijn.
Thuis werken en thuis je kinderen opvangen kan elkaar bijten. Het is dus belangrijk ook daar de goede keuzes in te maken. Na al het rennen en vliegen, wat we zo gewend zijn, zal het moeilijk zijn maar … alles moet even op een lager pitje en op een lager tempo.
Laten we uit deze beroerde en bizarre situatie proberen iets goeds te halen. Zou dat kunnen? En dankbaar zijn voor de mensen die in deze moeilijke omstandigheden onze redders zijn in de nood.