Wat doe je dan?

Wanneer ik haar een appje stuur, zie ik dat ze al bijna een week niet op haar telefoon heeft gekeken. Ik vermoed dat er iets mee is gebeurd en dat blijkt ook zo te zijn. Omdat ik toch in de buurt ben bel ik bij haar aan en kan haar daardoor even spreken en tegelijk genieten van haar net, heel mooi, nieuw ingerichte tuin.

We spreken over haar werk waarmee zij is gestopt en mijn werk, dat ik met veel plezier doe. ‘Het is niet veel werk, niet constant,’ vertel ik haar, ‘in maart had ik alleen een cursus van twee uur, waarvan ik één uur betaald kreeg, en zes examens na te kijken waarvan de deadline in de nieuwe maand lag. Maar in april had ik wel drie diensten en werd ik ook nog voor één wakker gebeld, omdat er iemand was uitgevallen.’

‘En wat doe je dan?’ vraagt ze, ‘wat doe je als je niet werkt?’

Het eerlijke antwoord zou waarschijnlijk zijn: veel lanterfanten. Maar dat zeg ik niet, omdat me dat niet direct invalt. ‘Schrijven en lezen,’ zeg ik, ‘ik schrijf en lees heel graag en ook heel veel. En ik praat veel met mensen, ik bezoek regelmatig mensen.’

De dag voor dit gesprek bezocht ik mijn oudste zus. Zij is één van de mensen die ik regelmatig bezoek. Ik sprak met haar ook over wat ik doe en dat is vooral omdat zij denkt dat ik ‘altijd’ weg (van huis) ben en ‘zoveel dingen doe’.

Ik zeg dan altijd dat dat wel meevalt. En misschien heeft het wel te maken met wat een kennisje, die bij mij op bezoek was, zich liet ontvallen. Als zij zich druk voelt dan doet ze bewust dingen langzaam, waarop ik oprecht reageerde met: ‘Ik doe altijd alles langzaam, omdat ik het niet sneller kan.’ Het leek een soort eyeopener voor ons allebei.

Ik lees inderdaad veel, zaterdagkranten met bijbehorende magazines, boeken, altijd meerdere ‘tegelijk’. En ik schrijf een dagboek, brieven, gedichten en blogs. Schrijven doe ik best wel snel, maar het ‘kost’ toch altijd tijd.

En mijn huishouden…dat doe ik zoals wij het goed vinden en wanneer het moet. Dit ‘alles’ doe ik dus wanneer ik niet werk. En…een beetje lanterfanten.

Dankbaar…elke dag

‘Maar dan waren wij er ook niet, oma.’

‘Tel je zegeningen’. Zo’n uitspraak die door veel mensen heel gemakkelijk wordt gedaan. En ik ben iemand die dat niet vaak zegt, maar wel elke dag doet. Ik ben elke dag dankbaar dat ik gezond ben, kan en mag doen wat ik doe en geniet van kleine dingen die op mijn pad komen.

Het is zelfs zo sterk dat ik me wel eens heb afgevraagd of ik misschien bij geboorte al een ‘bijna dood ervaring’ kan hebben gehad. Niet dat ik dat ooit echt heb gedacht, maar ik vind het zelf wel opmerkelijk, de dankbaarheid die ik elke dag voel.

Onlangs bedacht ik me waar het misschien wel vandaan kan komen.

Toen mijn ouders jong waren, echt jong, zijn ze vrij kort achter elkaar ernstig ziek geweest. Van mijn vader weet ik niet precies wanneer het was, maar mijn moeder was 26 en moeder van vier heel jonge kinderen toen ze op een dag haar kleine jongen van zes bij zich riep. Ze lag in bed en tot zijn grote schrik begon er schuim uit haar mond te komen toen ze tegen hem wilde praten. Ze bleek hersenvliesontsteking te hebben en kwam na een paar dagen blind uit een coma. Gelukkig was dit van korte duur. De eerste die ze daarna zag was haar schoonmoeder, zich afvragend wat die (op afstand wonend), bij hun deed.

Ze heeft mij ooit, over die tijd, verteld dat ze zich in een donkere tunnel had bevonden en naar een licht toe werd getrokken. Terwijl ze door die tunnel ging hoorde ze dat ze terug moest gaan en ik kan me niet herinneren dat ze heeft verteld hoe ze zich daaronder voelde.

Mijn vader kreeg zwartwaterkoorts, een ziekte waar meerdere mannen in hun omgeving aan leden en ook aan overleden. Maar mijn moeder kenden een Chinese mevrouw. Die gaf haar een kruid, en dat kruid redde zijn leven.

Ik sprak hier met mijn kleinzoons over. Ik ben mijn ouders’ negende kind en zou er dus zeker niet zijn geweest wanneer één van hen toen aan een ziekte was overleden. ‘Dan was mamma er dus ook niet geweest,’ zei ik. En het duurde niet lang voordat mijn kleinzoon concludeerde dat dat dus ook voor hen gold.

Ik heb lang getwijfeld aan het verhaal van de tunnel, dacht dat ik dat misschien zelf wel had bedacht…tot een zus mij vertelde dat onze moeder het haar ook had verteld. En zo verklaar ik nu voor mezelf waarom ik elke zo dag dankbaar kan zijn, met alles wat ik heb.

Internationale dag van het kind

‘Voor mama, een boekje over ons’ kreeg ik van mijn oudste op Moederdag. Ze had het gedeeltelijk ingevuld en ze zal de rest op een later moment aanvullen. Een mooi antwoord uit dit boekje (als zij iemand zou moeten uitleggen wie ik ben), vind ik: ‘Dat is mijn moeder. Ook als je haar nog nooit hebt gezien dan herken je haar onmiddellijk.’

Van mijn jongste dochter kreeg ik, naast een cadeautje dat ik haar had gevraagd, een pakje zelf gemaakt (samen met haar jongste zoon) briefpapier. Op het oorspronkelijke vel met een mooie, rode rand en een groot rood hart, had zij haar Moederdagbrief voor mij geschreven.

Sommige mensen hebben een hekel aan dagen als vader- of moederdag. Ik niet. Misschien komt het omdat wij geluk hebben (met hopelijk een heleboel andere vaders en moeders) met de relatie die we hebben met onze kinderen. Maar ik koester het ook als een wezenlijk onderdeel van ons leven waar zowel wij als onze kinderen een aandeel in hebben (gehad).

Wij vierden vroeger thuis ook vader- en moederdag. En misschien is dat wel (omdat wij dat goed en prettig vonden)  waarom wij het nu ook doen. Wij vieren het soms met één kind (al dan niet met gezin) of met beide kinderen. En er zijn ook dagen geweest dat ze er allebei niet waren, en dat is dan ook goed. Er wordt altijd op een moment aandacht aan besteed en dat vind ik wel fijn.

Gisteren was de internationale dag van het kind en op ‘beleven.org’ lees ik dat ouders ‘op deze dag hun kinderen cadeaus geven en ze meenemen op excursies, naar pretparken, dierentuinen of musea’. Wordt dit in Nederland gevierd (zoals op die site wordt genoemd) vraag ik mij af?

Wij vieren pakjesavond rond 5 december of met kerst en verder krijgen de kinderen, schoon- en kleinkinderen cadeautjes wanneer ze jarig zijn en soms voor een andere gelegenheid. Toen ze jong waren zijn we met ze naar pretparken en dierentuinen geweest en een heel enkele keer naar een museum, wanneer daar voor hun echt iets moois te zien was.

Voor mij is elke dag kinderdag in de zin dat ze altijd bij mij zijn, in mijn hoofd en in mijn hart. En als we fysiek bij elkaar zijn koesteren we nog steeds de aandacht die we dan ook, daadwerkelijk, voor elkaar hebben.

Hoe…dat weet ik niet

Het is niet dat ik perse slordig ben, of eigenlijk, ja, ook wel. Maar ik denk dat ik eerder ongeduldig ben, of onhandig. En ik denk dat dat ook allebei klopt. Ik ben tot drie keer toe een lens verloren en heb hem weer terug gevonden. De laatste keer lag hij op zijn kant (en een lens is echt heel dun) in de afvoer van de wastafel. Hij is daar ooit doorheen gevallen waardoor we de zwanenhals moesten openmaken en daar lag hij toen gelukkig in. Maar nu lag hij dus nog in de afvoer, niet met het water weg gespoeld. Gelukkig.

De eerste keer was ik hem twee dagen kwijt. We hadden minutieus de wastafel en omgeving afgezocht en hem niet gevonden. Ik had al een nieuwe lens besteld, toen ik hem opeens gewoon zag liggen, naast de kraan, waar hij eerder echt niet lag.

De tweede keer, vlak na de eerste keer, was ik echt zuur. Het geld dat ik voor zo’n lens kwijt ben vind ik niet leuk, maar de tijd dat ik een bril moet dragen voordat ik een nieuwe kan nemen, vind ik echt vervelend. Ik kon het dan ook niet geloven toen mijn man, die mij uitgebreid had helpen zoeken (weer), belde dat hij mijn lens had. Hij had met zijn handen in zijn zakken opeens iets kleins gevoeld en dat was mijn lens.

Ik heb vaker gelezen dat we wel eens wat hulp krijgen van ‘boven’ en daar geloof ik ook in. Een van mijn broers kreeg na een werkloze tijd opeens een baan aangeboden en zei oprecht te geloven dat één van onze overleden broers daar vast de hand in had gehad. Ik geloof dat ook. Ik denk helemaal niet vaak aan deze gebeurtenissen. Het is meer dat ik op zo’n moment even denk: ‘Goh, wat een geluk.’ Omdat ik me er dan wel druk om heb gemaakt.

Van de week dacht ik er wel aan. Ik was in Schotland geweest voor een bijeenkomst met mijn New Seekers-vrienden. Ik had van een Australische vriend, die nu in Engeland woont, een klein Koalabeertje gekregen aan een sleutelhanger. Ik had hem aan mijn mini-schoudertasje gehangen, heel leuk. In de rij voor de douane merkte ik opeens dat hij niet meer aan het ringetje hing. Ergens had ik hem dus verloren. Ik vond het echt jammer.

‘Net iets voor mij,’ dacht ik. Ik zag dat het kettinkje, waar hij aan had gehangen, niet helemaal sloot. In de trein naar huis, vele uren later, voelde ik in de zak van mijn jas. Natuurlijk dacht ik niet echt dat hij daarin zou zitten…maar dat zat hij dus wel.

Dat een klein sleutelhangertje van mijn tasje (die ik de hele tijd alle kanten op slinger) precies in mijn jaszak valt, dat kan natuurlijk. De kans is klein. Net zo klein als de kans dat mijn man een lens, die ik in de badkamer verlies, in zijn broekzak vindt. Maar ik weet dat het kan. En, nee, die eerste lens heeft hij niet op de wastafel neer gelegd. Dus ik weet niet hoe het kan. Maar dat wij soms een beetje hulp krijgen van ‘bovenaf’, daar geloof ik graag in.

Over Jeugdzorg

Ik lees in de Volkskrant van 18 maart 2023 een artikel over Jeugdzorg (door Charlotte Huisman). In grote gekleurde letters staat er (de kop): En nu gaat het beter worden *(maar niet heus). Ertussen staat in kleinere letter: Sharon Stellaard trekt in haar proefschrift een ontluisterende conclusie over de jeugdzorg. De knelpunten zijn al vijftig jaar dezelfde. En ze zijn al die tijd niet opgelost.

Alsof de kinderen dit zelf doen, luidt de tussenkop:

Al vijftig jaar sluiten vraag en aanbod in de jeugdzorg niet goed op elkaar aan en doen te veel kinderen een beroep op hulpverlening.

Volgens mij is de volgende tussenkop een understatement en/of een verkeerd statement:

De oorzaak van vermeend probleemgedrag van een kind wordt alleen in het individu gezocht en niet in de norm, die wellicht te strak is gesteld. Mijn vraag is hierbij ‘Heeft het probleemgedrag van het kind misschien ook te maken met zijn omgeving en niet alleen met hem- of haarzelf?’

De laatste vraag (en het antwoord) in dit artikel:

Wat moet er volgens u gebeuren?

‘Ik hoop dat mensen die aan de knoppen zitten zichzelf fundamentele vragen durven te stellen. Wat ik een mooie vraag zou vinden: hoe kan het dat er zoveel energie gaat naar de hervormingen, terwijl het niet beter wordt voor de kinderen om wie het draait? Kunnen we niet beter terug naar de basis? Ik hoop dat mensen dit ervaren als een uitnodiging om mee te denken en niet als een aanval, of een klaagzang.’

Ik kan bijna niet geloven dat die laatste zin er echt staat. Dit wordt gezegd door een persoon die op 8 maart promoveerde aan de afdeling bestuurswetenschap van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit op het proefschrift met de naam ‘Boemerangbeleid – Over de aanhoudende tragiek in passend onderwijs en jeugdzorgbeleid’.

Zou de politiek, degenen die daadwerkelijk over die knoppen gaan, niet onmiddellijk moeten zeggen: ‘Ja, we gaan nu terug naar de basis en we gaan het helemaal anders doen (er zijn genoeg mensen die daar de juiste ideeën voor hebben, volwassenen die die niet-functionerende jeugdzorg aan den lijve hebben ondervonden, bijvoorbeeld).’

Wanneer iets 50 jaar niet heeft gewerkt en je gaat het niet helemaal anders doen, dan is de kans groot dat er over 50 jaar, over Jeugdzorg een kop in de krant staat die luidt: En nu gaat het beter worden *(maar niet heus).

Hij is mijn thuis

‘Nu ben je een uur eerder thuis,’ zei hij. Hij was onverwachts gekomen terwijl ik op de kleinkinderen paste en ik, zoals gewoonlijk, met de trein naar huis zou gaan. Ik zei: ‘Ik ben al thuis, want ik ben bij jou.’

Het is al een paar jaar geleden, en ik weet niet meer of we er verder over gesproken hebben, maar ik weet nog precies het gevoel dat ik had toen we elkaar aankeken en ik dat naar hem uitsprak. Want ik wist dat het waar was. Waar ik ook ben, bij hem ben ik thuis.

We hebben nooit ruzie en ik weet dat dat sommige mensen als onmogelijk voorkomt. Maar het heeft ermee te maken dat we geen ruzie willen maken. En het betekent ook niet dat het tussen ons nooit ongemakkelijk is, want dat is het soms wel.

We hebben moeten leren communiceren, omdat we jong waren, omdat we elkaar nog betrekkelijk kort kenden toen we ons huishouden opstartten, omdat een relatie niet begeleid wordt, bij het krijgen van een kindje en omdat we nog niet wisten hoe kwetsbaar onze relatie zou zijn.

Ik leed bovendien aan verlatingsangst en dat maakte het voor ons wel heel moeilijk. Ik ben daarvoor al jong in therapie geweest en ontdekte bovendien de zelfhulpboeken die mij een heel eind op weg hebben geholpen. En toch kan het altijd weer opkomen. De geruststelling die ik nodig heb om mij goed te voelen. De grenzen die ik steeds weer opzoek om zeker te weten dat ik echt niet bang hoef te zijn om verlaten te worden.

En die zekerheid vind ik altijd bij hem.

Hoe onmogelijk ik me soms ook gedraag, hoe kwetsend ik me soms ook kan uitlaten (en altijd en alleen over hem en tegen hem), hij is er altijd voor mij, in voor- en in tegenspoed. Hij is anders dan ik, en dat moet ik leren accepteren. Hij kan dat wel…mij accepteren zoals ik ben.

Toen ik Michelle Obama over haar man Barack hoorde zeggen: ‘He’s my home,’ wist ik: ‘Ja, dat is het, ik ben bij hem niet alleen thuis…hij IS mijn thuis,’.

Wat als…

Stel je voor dat de ‘toeslagenaffaire’ niet was gebeurd omdat we er gewoon op kunnen/zouden vertrouwen dat gezinnen die toeslagen krijgen dat nodig hebben en daarom krijgen. Stel dat we de dame die van haar moeder geld kreeg (en toeslag van de regering) om extra boodschappen te kunnen kopen het gewoon gunden en het niet als ‘fraude’ hadden bestempeld.

Stel dat we zouden stoppen met het enorm geld verslindende controleren van alles omdat we ervan uitgaan dat scholen zorgvuldig met ons onderwijs omgaan, dat mensen in de zorg het beste bedenken en uitvoeren voor mensen die die zorg nodig hebben. Stel dat één van mijn lieve vriendinnen niet een onvoldoende had gekregen op een (nieuw ingevoerde) checklist die haar leidinggevende bij haar moest afnemen. Stel dat betreffende directeur haar het voordeel van de twijfel had gegeven toen zij aangaf dat zij de dingen, die de directeur als manco’s had opgeschreven, wel had gedaan. Dan had een schoolklas de o zo nodige goede docent (ze had al 18 jaar goed les gegeven op die school), misschien nog gehad en hoefde in ieder geval haar klas niet naar huis gestuurd te worden, bij het ontberen van een leerkracht.

Stel dat we een voorstel zouden mogen doen zonder dat daar direct negatief op gereageerd zou worden. Ik zou dan willen voorstellen dat iedereen die wat voor uitkering dan ook krijgt daar ‘iets’ voor de gemeenschap voor zou doen: één keer in de maand een rondje afval grijpen, kopieerwerk doen (of iets dergelijks) voor een school in de buurt, koffie schenken in een zorghuis voor ouderen en zieken, overal waar werknemers overbelast zijn, helpen die lasten te verlichten. Dat vergt een heleboel organisatie maar dat kunnen misschien de mensen doen die nu controles uitvoeren en dat dan niet meer hoeven te doen.

Stel dat we de helft van onze kleding niet nieuw maar tweedehands zouden kopen en al onze kleding langer zouden dragen. Stel dat we mensen betalen waar ze recht op hebben. Zelfs in ons land gebeurt dat te vaak niet maar in de landen over ver, de ‘lage lonen landen’, helemaal niet.

Wat als…we dat zouden doen.

Uit huis geplaatst…en dan?

‘Maar, als ze thuis niet veilig zijn, dan kunnen ze daar toch niet blijven?’ Ik beluisterde een tijdje terug een Podcast met en over 4 mensen die kort of langer geleden in een pleeggezin hadden gewoond en waarvan de jongste deelnemer zijn pleegmoeder voor het gerecht had gedaagd en in het gelijk was gesteld. Het was duidelijk dat zij hem, in de jaren dat hij bij haar veilig had moeten zijn, niet goed heeft behandeld. Het hoger beroep, door de pleegmoeder aangegaan, is nog in behandeling. De overige drie deelnemers hadden soortgelijke ervaringen en de oudste deelnemer, een oudere dame, benoemde dat 75% van de kinderen die ooit uit huis geplaatst zijn, hun verdere leven van GGZ afhankelijk zullen blijven.

Ik heb mij vaak verbaasd, en nooit begrepen, waarom kinderen opgesloten worden in instellingen terwijl zij juist niet degenen zijn die fouten maken maar die onrecht wordt aangedaan. Waarom moeten zij worden opgesloten en in aanraking komen met jongeren die om heel andere redenen in zo’n instelling worden geplaatst.

Als ze thuis niet veilig zijn dan kunnen ze daar toch niet blijven…is dat wel zo?

Ik denk dat in veel gevallen er in zo’n thuis een ‘agressor’ is in de persoon van een ouder of stiefouder. De andere ouder of stiefouder is niet in staat het gedrag van die ouder te veranderen en daarmee het kind te beschermen. Anders kan het niet in stand blijven.

Zou het dan niet veel logischer zijn de ‘agressor’ in een instelling te plaatsen en daar te behandelen? De andere ouder heeft ook hulp nodig, en het kind zeker, want er zal al veel gebeurd zijn voordat dit punt is bereikt. Misschien moet die hulp wel heel rechtstreeks worden gegeven door een soort ‘gezins-au-pair’, zoals iemand met wie ik hierover sprak opperde, en liefst twee zodat er altijd één bij het gezin kan zijn, net zolang tot de ‘goede ouder’ in staat is om het verder zelfstandig te doen en het kind zich weer veilig kan voelen.

De ‘agressoren’ in onze samenleving moeten ook geholpen worden en niet alleen opgesloten wanneer ze door seksueel misbruik of ernstige mishandeling een kind voor zijn leven hebben beschadigd en de andere ouder erbij.

Er is veel krom in onze maatschappij, en het uit huis plaatsen van kinderen is daar in veel gevallen een voorbeeld van. Stop met het verder beschadigen van kinderen die in een onveilig thuis leven en pak de daders van die onveiligheid aan (en help ze). Dat lijkt me veel rechter en rechtvaardiger dan wat er nu gebeurt.

Uit mijn dagboek

Ik zag een programma over maaltijdbezorgers, pakketpunthouders en een Über taxichauffeur. Allemaal mensen die als ZZPer ‘moeten’ werken, enorm investeren en heel slecht verdienen. Ik hoorde de pakket-jongen (en zijn moeder met wie hij het samen doet) zeggen €1,25 per uur. De taxichauffeur die 6 à 7 diensten voorbij ziet komen en die niet ‘krijgt’. En dit alles omdat mensen voor haast geen geld pakjes uit China laten komen, te lui zijn om eten op te halen of van alles meerdere bestellen omdat ze ‘de rest toch gratis kunnen terug sturen’. En een maaltijdbezorger die de hele ochtend, soms voor niets, rondrijdt om maar een maaltijd te mogen bezorgen. Waarom doen mensen dit?

Ik heb bij de kringloop een oud boek gevonden over hoe de wereld is geworden tot wat hij is in relatie tot de economie, uit het jaar 2000. De auteur beschrijft in dat boek al het gevaar dat de multinationals het voor het zeggen krijgen in plaats van regeringsleiders en hoe slecht dat voor de mensen zal zijn. Koot en De Bie schreven daar zelfs al in 1977 over. Het slechte van de consumptiemaatschappij.

Wij zijn niet zo. Wij willen niet ‘steeds meer, meer, meer’, maar veel mensen helaas wel. Meer geld, meer spullen. Floortje (Dessing) is op reis met fotograaf Jasper voor het programma ‘Floortje gaat mee’. Hij was bij een dame in India die een opvang heeft voor inmiddels 3000 koeien. Allemaal gewond of de straat op gestuurd nadat ze geen melk meer gaven.

Ze zei dat onze kalfjes niet leren ‘praten’ omdat ze direct na de geboorte van hun moeder worden gescheiden. Ze noemde dat een traumatische ervaring voor de koe en het kalfje. Omdat wij zo nodig melk en melkproducten moeten hebben. Ik zou het niet nemen als het er niet was, wel hypocriet, denk ik. Ik eet en drink niet veel melkproducten, relatief, maar toch nog veel. Deze dame en haar 100 vrijwilligers (ze krijgen een kleine vergoeding en ze noemen haar ‘onze moeder’) hebben niks voor zichzelf. Wat zou de wereld er anders uitzien als mensen de helft namen van wat ze nu nemen.

Ik koop als het kan tweedehands kleding en de broeken en schoenen die ik wel nieuw koop draag ik tot ze echt versleten zijn.

Tot zover uit mijn dagboek.

Natuurlijk beslist ieder voor zich zelf wat hij/zij/hen wel of niet doet, wel of niet koopt. Ik hoop alleen dat dit bewust gebeurt en niet alleen omdat het gewoon gemakkelijk is.

Kinderen

Hoe oud je kinderen ook worden, ze zullen altijd je kinderen blijven. Met elf broers en zussen groot geworden had ik er zelf minstens vijf willen hebben. Ik heb dat een keer gedroomd, dat ik van vijf kinderen zwanger was…maar het is bij twee gebleven.

Ik dacht ook altijd dat ik een zoon wilde hebben maar ik ben gelukkig met de twee meisjes die we kregen en die ik mocht opvoeden en verzorgen.

Mijn relatie met de meisjes is heel verschillend. Zij zijn ook heel verschillend. Onze oudste heeft altijd bij ons in de buurt gewoond, en nog, waardoor we elkaar veel ‘hebben’. We hebben 11 jaar op haar kinderen gepast en er zijn niet veel weken geweest waarop we elkaar niet hebben gezien of gesproken. Ik denk niet één.

Nu we gedeeltelijk in Diemen wonen bezoeken we elkaar nog zo goed als iedere week. Wij haar vaker dan andersom en dat heeft alles te maken met de drukke levens van onze kinderen.

Onze jongste dochter vertrok op haar 17de al naar ‘het westen’ om er au-pair te worden. Ze is er later gaan studeren en samenwonen en heeft er, met haar gezin, haar werk en sociale leven opgebouwd. De eerste jaren dat zij daar woonde heb ik haar veel te weinig bezocht. Ik werkte nog volop, vier dagen per week en op de vijfde paste ik op de kinderen van onze oudste dochter. Gelukkig heeft het onze relatie niet geschaad, al had dat wel kunnen gebeuren.

Sinds de geboorte van hun oudste zoon in 2013 heb ik om de andere week een dag bij hen opgepast en nu we, al anderhalf jaar, een deel van de week boven hen wonen, pas ik elke week op. Het is voor ons bijzonder plezierig om, na al die jaren zo dicht bij onze dochter te wonen. Het bij elkaar wonen en elkaar regelmatig zien heeft ook onze relatie verdiept en dat is logisch. Alleen met regelmatig contact kun je een relatie met elkaar hebben.

Ik heb gemerkt dat onze meisjes ook regelmatig contact met elkaar hebben. Meer dan eens wordt er door de ander gebeld wanneer ik bij de één op bezoek ben. Dat doet mijn moederhart goed. Ik hoor en zie vaak verstoorde relaties tussen ouders en volwassen kinderen of tussen volwassen broers en zussen onderling. Wij hebben dat ook in onze heel grote familie gehad en ik ben blij dat we daar met elkaar uit zijn gekomen. Omdat we het allemaal graag wilden. Omdat we familie van elkaar zijn en ooit, toen onze ouders er nog waren…kinderen van onze ouders.