Je hoeft het nooit alleen te doen.

“Wat heb je een mooi mens gemaakt, mijn kind,”. Afwachtend keek ik mijn Vader aan. Ik mocht komen en wat vragen voor mijzelf, voor het mensenkind dat ik ging worden. “Heb ik teveel gevraagd, Vader?” vroeg ik aarzelend, want dat had ik niet bedoeld.
God keek mij aan met zijn liefdevolle blik. “Oh nee,” zei Hij, “zeker niet,”
Ik dacht na over de woorden die ik had gekozen. Liefde en trouw, samen, sterk, helpen en ook humor.
Ik mocht ook kiezen tussen één ding heel goed kunnen of meerdere dingen ‘een beetje’. Ik had gekozen voor dat laatste want er waren zoveel leuke dingen om te doen, dat had mijn Engel mij verteld.
“Je zult ons wel missen, mijn kind,” zei God en in Zijn blik meende ik medelijden te bespeuren. “Dat zeker, Vader, maar daarom heb ik ook gevraagd om bij veel mensen te mogen wonen, zodat ik nooit alleen ben,”
Met mijn Engel had ik alles besproken. Dat ik een zorgeloos zieltje ben en ook straks, bij mijn missie op aarde, graag zou blijven, als het kon. We hadden besproken hoe rijkdom begerenswaardig kon zijn en tegelijk altijd problemen met zich mee zou brengen en ik wist al snel dat ik dat niet zou willen. Niet die soort rijkdom.
“Denk erom,” had mijn Engel gezegd: “als je veel hebt (ook aan mensen) dan kun je ook veel verliezen,” en ik wuifde dat weg: “Ja, dat weet ik, dat heb je gezegd. Je hebt gezegd dat ik dan sterk genoeg zal zijn om dat te dragen,” “En ook …,” begon de Engel, “Ja,” zei ik, “en ook voor andere mensen,”
Zowel de Engel als God hadden ernstig en tegelijk liefdevol met mij gesproken. Over de wereld waar ik heen zou gaan, de mensen bij wie ik ging wonen. En de mens die ik zou zijn. Ik leerde dat het niet gemakkelijk zou zijn om mij in de wereld te bewegen. Dat in deze wereld veel mensen alleen voor zichzelf leven in plaats van om te kijken naar een ander. Soms zelfs niet omkeken naar hun familie, of alleen als zij ze nodig hadden. Maar ik leerde ook dat ik alles mag vragen en dat ik het nooit alleen hoef te doen.
“Maar, wat is dan niet gemakkelijk, Vader?”
“Mijn kind, wat je ziet zal niet gemakkelijk zijn. Ja, je bent er met velen, net als hier maar de saamhorigheid is er niet vanzelfsprekend. En of je die op kunt zoeken hangt van zoveel af. De familie waarin je opgroeit, en ook wie jij bent, wie jij wordt als je groot geworden bent. Durf je te vragen? Durf je te vragen wat je nodig hebt? En zul je je realiseren dat je altijd een keuze hebt. En daar verantwoordelijk voor bent?”
Ik keek naar God en voelde Zijn liefde. In stilte vroeg ik die mee te mogen nemen op mijn grote reis.

Relatieslim.

“Heb je gekeken, mam?” vraagt ze me door de telefoon. Eerder die week appte ze mij met de vraag of ik die zondag ‘Zomergasten’ had gezien. Toen ze de naam van de gast noemde kwam die mij wel bekend voor. Ik had inmiddels de halve uitzending gezien en vertelde haar dat.
“Was je erg onder de indruk?” vraagt ze. Ik antwoord dat ik, wat ik gezien had, heel herkenbaar had gevonden. Ik realiseerde me dat ik veel had zitten knikken tijdens het kijken. Ik vroeg haar of zij ook dacht dat dit ook ons gedachtengoed was en, ja, dat dacht zij ook.
We zijn beiden al jaren getrouwd en hebben allebei twee kinderen. Onze mannen lijken in bepaalde opzichten op elkaar en volgens mij klopt dat met het gegeven dat ik wel eens ergens heb gelezen: dat een vrouw zich het liefst een man zoekt die lijkt op haar vader.
Omdat ik om de week op hun kinderen pas en we op 200 km afstand van elkaar wonen logeer ik regelmatig bij hen. Daardoor heb ik wel een kijkje in hun leven gekregen. Het is fijn dat ze ook openstaat voor ‘goede raad’ en soms mijn raad vraagt bij kwesties met haar man en/of haar kinderen.
De acht jaar die zij inmiddels getrouwd zijn staat niet in verhouding tot de 35 jaar die wij achter de rug hebben en toch denk ik al te weten dat zij de rest van hun leven bij elkaar zullen blijven. Het heeft te maken met hun communicatie en de manier waarop ze, vanaf het begin van hun relatie, naar elkaar kijken.
“Misschien zijn we wel ‘relatieslim’ of zoiets,” zegt ze en ik denk: “Ja, dat kon het wel eens zijn, relatieslim.” Ik vind het een mooi woord. Ik houd hem erin.

Als het toch anders had gekund.

Het is stellig ons plan om altijd bij elkaar te blijven wanneer we beginnen aan het grote avontuur dat ‘gezin’ heet. En we weten dat dat vele gezinnen niet lukt. Helaas. Voor de scheidende ouders verdrietig en voor de kinderen die daarvan de dupe zijn, soms een onoverkomelijke ramp. Gelukkig zijn er nog veel gescheiden ouders die hun eigen belang dan aan de kant kunnen zetten en ervoor kunnen zorgen dat het scheidingsleed voor de kinderen beperkt wordt.
Er zijn ook gescheiden ouders die ,soms na vele jaren als de kinderen volwassen en uit huis zijn, erachter komen dat ze toch bij elkaar willen zijn. Dat is mooi voor de ouders die het betreft en soms moeilijk voor de betreffende kinderen. Zij hebben veel verdriet gehad in hun (vaak jonge) leven en kunnen zich afvragen waarom pappa en mamma dan niet bij elkaar konden zijn toen zij ze allebei zo nodig hadden. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Het is mooi als ouders hun kinderen daarin dan kunnen erkennen. Hun verdriet over de verloren jaren is reëel en niet af te doen als ‘aanstellen’ of op een andere manier te bagatelliseren.
Soms ook wil een gescheiden ouder weer naar zijn of haar ex terug en kan dat niet omdat de ander met zijn leven is verdergegaan en het geluk bij een ander heeft gevonden. En soms durft de ex het niet meer aan omdat het vertrouwen teveel is beschadigd.
Waarschijnlijk hebben nog veel gescheiden (echt)paren een soort van relatietherapie gehad voordat ze tot de grote, verdrietige beslissing van een scheiding zijn overgegaan. En vaak zal in die therapie geprobeerd zijn de dan nog echtelieden opdrachten te laten doen, waardoor ze mogelijk meer met elkaar verbonden raken. Grappig genoeg zijn dat vaak opdrachten die met ‘anderen’ niet moeilijk te doen zijn en met ‘eigen’ wel, zoals: “Ga eens samen iets leuks doen,” Sta er eens bij stil hoe vaak je iets met anderen doet en hoe vaak met je man of je vrouw.
Wat volgens mij in die therapieën vergeten wordt is, dat voor het slagen van dergelijke opdrachten er daadwerkelijk iets moet veranderen in de communicatie van die mensen. Verbeter je namelijk je communicatie dan verbeter je ook je relatie. Het is daarom wenselijk om er regelmatig bij stil te staan hoe de communicatie is in de meest intieme relatie die je hebt wanneer je samen ouders bent van een of meer kinderen. En om hulp in die richting te zoeken wanneer je dat samen niet lukt.
Het zou mooi zijn als een scheiding kan worden voorkomen als het wel anders kan.

Tussen twee werelden.

Ooit las ik ergens dat kinderen tot hun zevende tussen twee werelden leven. De wereld waar ze vandaan zijn gekomen en de wereld waar ze naartoe zijn gegaan. Toen Eefje nog een klein baby’tje was keek ze vaak net even boven mijn hoofd. Ik weet, na het leren van de kindercoachcursus, dat baby’s kijken naar de haargrens van de moeder omdat die het duidelijkst zou zijn.
Ik geloofde toen sterk, en nu nog, dat ze keek naar haar beschermengel(en) die zij nog zag en ik niet (meer).

‘Maar als jullie er niet meer zijn dan ben ik alleen, oma,’
Ik kijk naar het blonde jongetje aan mijn hand. Zijn ogen staren ernstig in de verte. Hij heeft mij eerder gevraagd waar mijn pappa en mamma zijn en toen ik zei dat zij zijn overleden zei hij ontsteld: ‘Dus ze zijn dood. Maar waarom dan?’
Ik vertel hem dat mijn vader en moeder heel oud waren toen ze overleden. Bijna honderd en dat dat heel oud is. Hij kijkt mij aan met zijn ernstige, grote kinderogen en ik zie hem nadenken.
‘En jij en mamma en pappa dan?’
‘Oma is 58, dat is ook oud maar nog lang geen 100 en mamma en pappa zijn nog jong.’ Hij laat het tot zich doordringen maar ik weet dat hij slim is. We zijn allemaal nog lang geen 100 maar oma’s pappa en mamma zijn er niet meer. En hij weet dat ze ook niet meer terug komen.
‘Maar als jullie er niet meer zijn dan ben ik alleen, oma,’

‘Nee, dan ben je niet alleen,’ stel ik hem gerust, ‘want Noah is er ook. En dan zijn jullie groot en getrouwd, jij misschien wel met Ana. En misschien hebben jullie dan ook wel kinderen. Mijn pappa en mamma zijn er niet meer maar wij zijn er allemaal wel,’

Hij lijkt het te accepteren en zijn lijfje ontspant. Och jongetje, wat hou ik van jou. Mijn zorgelijk zorgenkindje. Soms denk ik dat je nog vastzit aan die andere wereld en ik hoop dat je daar snel van loskomt. En dat je dan steviger en sterker wordt. Gelukkig geloof ik dat al.

Vriend(in) of vijand(in)?

Sommige dingen lijken zich altijd toe te spitsen op een deel van iets … of iemand … of mensen. Zo ook bij het volgende. Het ‘fenomeen’ schoonmoeder. Ik hoor zelden van mensen die problemen hebben met hun schoonvader. Dat gezegd hebbende herinner ik me wel de problemen die ik had met mijn ‘tweede’ schoonvader. Het was mijn eerste officiële schoonvader want ik was een jaar met zijn zoon getrouwd. Hij was mijn tweede schoonvader in de zin dat ik een relatie van twee jaar achter de rug had en ik de vader van mijn eerste vriend beschouw als mijn ‘eerste’ schoonvader. Hij vond mij (vanwege die eerste relatie) een ‘afgelikte boterham’. Ik was in die tijd een schuchter, verlegen meisje en toch stond ik tegenover hem steeds weer op wanneer, in die vier jaar dat wij bij elkaar over de vloer kwamen, ik werd geconfronteerd met zijn nare, autoritaire manier van praten en handelen. Wat had ik een hekel aan die man, zeg. En tegelijk weet ik dat ik ook toen al zocht naar wat daarvan de achterliggende oorzaak was. Wat deed die man dat mij zo triggerde?
Ik heb in mijn leven drie schoonmoeders gehad. Met geen van de drie had ik een soepele relatie. Dat lag aan hen … en aan mij.
Je hoort soms dat mensen heel gek met hun schoonmoeder zijn of dat ze er juist niet mee door één deur kunnen. Soms wordt het tweede gevolgd door het eerste. Is er dan gehuichel in het spel geweest? Heeft iemand zijn best gedaan tot hij er bijna bij neerviel en werd het nog niet gezien en/of gewaardeerd? Spreken zij elkaars taal niet? Dat is altijd een heel lastige. Je kunt namelijk allebei gewoon Nederlands spreken en elkaar toch totaal niet verstaan of begrijpen. Of is er sprake van twee totaal verschillende zienswijzen of belevingen van het moeizame leven dat velen van ons moeten leven (omdat we geen ander hebben). Twee verschillende karakters? Zeg het maar.
De niet soepele relaties die ik zelf heb gehad heb ik altijd eerst en vooral mezelf enigszins kwalijk genomen. Dat neemt niet weg dat ik ook van tijd tot tijd de ander erop aankeek. En ik ben ook niet streng voor mezelf. Als iemand mijn goede bedoeling niet kan zien dan is dat zo. Veranderen kan ik dat niet, ik kan alleen veranderen hoe ik ertegenaan kijk en erop reageer.
Ik ben zelf al jaren schoonmoeder van schoonzonen. Wij hebben twee dochters en dan spreekt dat niet vanzelf, maar in ons geval is het zo. Met hen, die door hun kinderen aan mij zijn en blijven verbonden heb ik verschillende relaties. De schoonzoon die ik het minst heb gezien, omdat we fysiek weinig bij elkaar zijn geweest, ken ik het minst goed. Voor zover ik het weet respecteren we elkaar. Hij is de vader van onze kleinkinderen en wij de grootouders van zijn kinderen. De moeizame communicatie die ik met hem had begrijp ik goed en misschien wordt die in de toekomst ooit beter … of niet en dan accepteer ik dat. Mijn andere schoonzoon zie ik regelmatig. Hij woont met onze dochter en hun kinderen op twee uur reisafstand van ons. Omdat ik om de andere week bij hen oppas zien we elkaar dan en regelmatig blijf ik een nachtje bij hen slapen. We communiceren de ene keer wat meer dan de andere en het is zoals dat is. Niet moeizaam, niet vlot. Het feit dat wij verschillende moedertalen hebben speelt daar een rol in. Wij respecteren elkaar met de wetenschap wie wij tegenover elkaar zijn, respectievelijk vader en grootouders van dezelfde kinderen. En we hebben ook een band met elkaar gekregen. Die band maakt dat de relatie warm voelt.
Ben ik voor de één vriend en voor de ander vijand? Ik weet het niet. Ik weet van mezelf dat de intenties goed zijn en of je vriend of vijand ‘bent’ hangt af van wat de ander voelt of hoe hij verkiest naar jou te kijken. Was ik van mijn schoonmoeders en mijn schoonmoeders van mij vriend of vijand? Geen vijand, moeizame relatie of niet ik heb ze allemaal gerespecteerd omdat zij de moeders waren van mijn vriend, mijn man. Geen vijand, omdat ik begreep dat wanneer ze het mij moeilijk maakten dat meestal te maken had met de liefde en zorg die zij hadden voor diezelfde man, die ik zo liefhad of (in het geval van mijn man) al bijna 37 jaar liefheb. Geen vijand omdat ik niet wilde dat mijn schoonzusters en zwagers zo naar mijn moeder zouden kijken. Geen vijand omdat ik toen al dacht (toen ik de nog echt jonge schoondochter was) dat ik ooit zelf schoonmoeder zou worden en niet wist hoe ik dan zelf zou zijn.
Je schoonmoeder hoeft niet je vriend(in) te zijn. Respecteer haar om wie ze is. De moeder van je geliefde. De oma van je kinderen. Zij zijn elkaars familie en hebben een bloedband met elkaar. In NLP heb ik geleerd uit te gaan van de goede bedoeling. Die is er altijd ook als die er alleen is voor de persoon zelf, uit een soort onmacht. Heb compassie met degene die moeizaam gedrag vertoont en bedenk, vanwege interactie, dat de ander ook reageert op jouw gedrag. En dat jij bepaalt hoe jij reageert.
Schoonmoeders, probeer ze te koesteren.

Wat communicatie zo moeilijk maakt.

Over communicatie wordt veel gesproken, bijna iedereen heeft wel moeite met een vorm van communicatie . Communicatie is een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste onderdeel van de samenleving. Over welke samengestelde groep mensen je het ook hebt, zij zullen altijd communiceren.
Iedereen zou het al vroeg moeten leren. Is dat dan niet altijd zo? Ik denk het niet. In feite begint het al wanneer een nieuw mensje nog niet eens zichtbaar is. Zou iedere zwangere vrouw, zich daar wel bewust van zijn? Was ik het mij bewust? Ja, ik was het mij bewust. Ik denk wel dat het ermee te maken had dat ik op dat moment niet voor een zwangerschap had gekozen maar wel voor het kindje toen ik zwanger bleek te zijn.
Net als ik raakte onze dochter ook zwanger toen zij 24 was. Bij hen was het een bewuste keuze. Toen haar ventje nog maar een kleine baby was zei ze: “Mam, wil je alles voor hem benoemen want een baby heeft daar wel behoefte aan. Hij wil weten wat hij ziet,” en ik dacht: “Ja, dat kan ik mij goed voorstellen,”
Dus stond ik met hem voor het raam en vertelde wat we buiten zagen: “Kijk, een boom met een vogeltje, en dat is een bus en daar komt een meisje aan op een fiets,” Vijf jaar later sta ik versteld van de woorden die hij en zijn drie jarige zus weten te gebruiken, de volzinnen waarin ze spreken, maar ook de volwassen zinnen die heel grappig klinken uit die kleine kindermondjes.
Toen ik vanmiddag haar chocolademondje wilde afvegen en begon te zeggen: “Kom Famke, laat oma even je toetje ………..,” riep zij verheugd naar haar broer: “Ja, toetje, toetje, toetje, Finn we mogen een toetje,” voordat ik kon afmaken: “……. je toetje vegen,” Wij eten normaal gesproken ook ons toetje na het avondeten maar dit keer aten zij midden op de dag alvast een toetje vanwege onze ‘communicatiestoornis’.
Misschien is dat wat de communicatie zo lastig maakt. Wat wordt gezegd en wat wordt begrepen komt lang niet altijd overeen. Over het algemeen ‘horen’ we allemaal goed, maar de vraag is vaak: in hoeverre ‘luisteren’ we echt.

De middelste.

Ik ken een aantal kinderen die in hun gezin het middelste kind zijn. Deze gezinnen hebben drie kinderen. Ik ken een gezin waarvan de jongste en de oudste blond zijn, terwijl de middelste een afwijkende haarkleur heeft, wel blond maar een heel andere tint. Gelijkmatig is een woord dat past bij de twee ‘buitenste kinderen’ terwijl je van de middelste zijn ontwikkelproces eerder een woord zou noemen als ‘turbulent’ of misschien wel ‘wanordelijk’.
Bij een ander gezin zijn de oudste en de jongste donker van kleur, zowel huid, als haar. Ze kunnen goed met elkaar opschieten en lijken elkaar volkomen te begrijpen. Hun zusje echter, de middelste van dit gezin, is met haar blanke huid en blonde haren een heel ander kind. Ook innerlijk lijkt ze totaal niet op de andere twee.
En dan zijn er de grotere gezinnen waarin ook ‘middelste kinderen’ kunnen zijn. In ons grote gezin (12 kinderen) hebben bijna alle jongens een jongen onder of boven zich en alle meisjes een meisje. Alleen mijn oudste zus en ik zijn omringd door jongens. Je zou kunnen zeggen dat wij, tussen twee jongens ‘een middelste kind’ zijn. Zij sprak eens uit zich altijd beter ‘tussen de jongens te voelen’ en dat begrijp ik wel, ik voel wat zij daarmee bedoelt. En we zijn ook opgegroeid in dat grote gezin wat absoluut anders is dan opgroeien in een gezin van vier of minder kinderen. Vaak sta ik beschouwend, zonder echt deel te nemen aan wat er om me heen gebeurt, alles in me op te nemen en soms roep ik net iets te hard of dwars door iemand heen wat mij op dat moment bezig houdt. Ik wijt het allebei aan de manier waarop ik ben opgegroeid.
Toen ons jongste meisje 8 maanden was dacht ik even dat ik weer zwanger was. Omdat ik heel graag een derde, en heel stiekem wel een jongetje wilde, was ik er heel blij mee. Tegelijkertijd maakte ik me grote zorgen omdat ik ons meisje nog te klein vond om al zo snel ‘plaats te moeten maken’ voor een volgende kind. Mijn gevoel was dus dubbel toen het niet zo bleek te zijn en heel lang, tot mijn veertigste heb ik verlangd naar dit derde kind dat misschien wel een jongetje was geweest.
Uiteindelijk kwam het allemaal ‘goed’ en kreeg ik toch nog de kans om drie jongetjes en een meisje mee op te voeden. En tot op de dag van vandaag denk ik, wetende hoe ons jongste meisje zich heeft ontwikkeld en hoe ze is opgegroeid: “Zou ze anders zijn geworden als ze niet de jongste was gebleven maar ‘de middelste’ was geworden

Relaties.

Ooit startte ik mijn Prille ouder coach project toen ik dacht dat mensen gingen scheiden omdat het krijgen van kinderen een te grote impact had op hun relatie. Ik denk nog steeds dat dat voor veel mensen en relaties geldt. Het mooie van een project is dat je je verdiept in een onderwerp en vervolgens veel meer leert dan wat je had bedacht.
Door mijn prille ouder coach project krijg ik veel inzicht in relaties. Het doet me erg nadenken over de redenen om een relatie te beginnen en hoe ermee om te gaan. Ik vraag me ook af, hoe en of je daarbij kunt voorkomen dat mensen met de ‘verkeerde partner’ aan kinderen beginnen.
Neem mijn eigen relatie. Ik zat in een huwelijk dat een half jaar geleden was gesloten toen ik de liefde van mijn leven tegenkwam. Die relatie duurde toen 3½ jaar. Ik stapte er direct uit om met mijn liefste verder te gaan. Ik raakte na een jaar zwanger en we trouwden en kregen ons eerste kind toen we elkaar nog geen twee jaar kenden. We waren toen 23 en bijna 25 jaar jong. Het was de start van 20 moeizame jaren (op relatiegebied) die na die 20 jaar had kunnen eindigen in een scheiding. We zijn dit jaar 35 jaar samen. Op dat cruciale moment, toen wij 20 jaar samen waren besloten we beiden dat we zoveel hadden om voor te vechten dat het echt een drama zou zijn geweest als we toen uit elkaar waren gegaan. Want we hielden veel van elkaar. Nog niet zoveel als nu, maar wel veel. En we hadden het geluk dat er niet iemand serieus probeerde tussen ons te komen. Of misschien hebben we dat niet toegestaan. We hebben ons op elkaar geconcentreerd.
De moeizame huwelijken die ik nu om me heen zie hebben met elkaar gemeen dat, vanaf het begin, de communicatie niet goed is geweest. En daar heeft ‘de lieve vrede’ veel mee te maken. Hoe lief kan eigenlijk zo’n vrede zijn?
Communicatie is zoveel meer dan de woorden die we zeggen. De manier waarop we naar elkaar kijken, de woorden die niet worden gezegd hebben veel meer impact op de relatie dan wat veel mensen denken bij ‘communicatie’. Een woord dat uit elke relatie moet worden geweerd (en ik weet dat niemand een ander iets ‘moet’ opleggen, maar dit ‘moet’) is verwijten. Het zou zo mooi en goed zijn als we daarmee konden stoppen. Verwijten is voor niemand zinvol. Als we uitgaan van ieders goede bedoeling dan is verwijten ook in die zin een kwalijk woord.
Bij communiceren zonder verwijten kun je beter naar elkaar luisteren. En als je allebei uitgaat van elkaars goede bedoeling dan denk je na over wat de ander je probeert te zeggen. Je leert elkaar ook beter kennen want met communiceren zonder verwijten raak je elkaar meer dan oppervlakkig, dan raak je aan elkaars hart.
Misschien is het wat waard om op deze manier te leren communiceren wanneer je aan zoiets belangrijks en groots wilt beginnen als het krijgen en opvoeden van kinderen.
“En jij, dan?” hoor ik je vragen. “Heb jij dat zelf gedaan?” Nee. Ik heb dat niet gedaan. Ik keek mijn liefste in de ogen, die allereerste keer toen hij zachtjes gitaar spelend in die kamer zat en zag meteen de mooie, integere man die hij is. Ik hield direct al zoveel van hem dat ik niet anders kon dan met hem de moeizame relatie aangaan die nu resulteert in een gelukkig en tevreden leven dat met geen goud te betalen is. En daar hebben onze kinderen een belangrijk aandeel in gehad.
Niet iedereen heeft het geluk dat wij hadden en daarom wil ik je deze tip geven. Begin je relatie met liefdevol communiceren. Betrap jezelf op verwijten die je maakt en verontschuldig je ervoor. En wil je die verwijten toch steeds maken, dan ben je blijkbaar bij de verkeerde persoon om mee samen te zijn en zo iets groots mee te starten als een gezin.
Voor jullie die in een moeizame relatie zitten, er moet in beginsel liefde zijn. En als je kinderen hebt, dan is die liefde er. Dan zul je, samen of apart, de liefde hebben om het voor je kinderen goed te maken. Met heel veel respect voor elkaar en zonder verwijten naar elkaar. Ik wens iedereen zo liefdevol mogelijk communiceren.

Voordat je het weet …

We zijn elke week minstens een dag bij elkaar, al sinds ze een paar maanden oud zijn. De jongen, het meisje en wij. Elk stapje in hun leven hebben we meegemaakt, steeds met een sprongetje van een week.
We hebben ze de fles gegeven, broodjes voor ze gesmeerd, hun slaapsignalen leren kennen om ze op tijd naar bed te brengen, in bad gedaan, hun eerste woordjes opgevangen en eindeloos met ze gespeeld.
We hebben samen t.v. gekeken en bij de kreet: “Oh nee, dit mogen we niet zien van mamma!” gauw doorgeschakeld naar een ander kanaal. Later werd dit gemakkelijker want dan zochten ze Mr. Bean, Lego City of Miss Moon op waar we altijd van genoten.
We hebben ‘dierentuintje’ gespeeld waarbij de grote krokodil oma echt in haar bil beet ondanks dat ze riep: “Nee, Fin, niet doen!” En samen brachten we de illustraties tot leven van Puck van de Petteflet waarbij Famke van één rol verzekerd was. Zij was maandag, dinsdag, woensdag … elke dag Aagje.
Volgens mij was Fin nog maar drie toen we samen de instructieboekjes van Lego begonnen te volgen. We zochten stap voor stap de legosteentjes en alle andere ronde, draaiende, vierkante en soms fel gekleurde kleine legodingetjes op en dan zette Fin ze op of aan elkaar. Hij kon het al snel zelf en later maakte hij er altijd zijn eigen wonderlijke bouwwerken van. Hij kan daar nog steeds van genieten.
Toen hun ouders uit elkaar gingen hadden ze het zwaar, we leden met hen mee en probeerden ze ondertussen dapper te ondersteunen. Weken achter elkaar sliepen ze na onze oppasdag bij ons en zowel zij als wij vonden het prettig en het gaf hun ouders wat rust in die onrustige tijd.
Nu is de rust al lang weergekeerd. Ik ben trots op hun pappa, mamma en vriend omdat ze met elkaar zich houden aan de afspraken die de ouders van deze kinderen samen hebben gemaakt. In deze scheiding is in ieder geval het belang van de kinderen beschermd en er wordt naar gehandeld. Wij weten nu dat je heel goed feestdagen, die oorspronkelijk op de zondag en maandag zijn, op een andere dag kunt vieren. Omdat de kinderen ook op hun verjaardagen bij pappa waren hebben we voor het eerst verjaardags-filmpjes voor ze gemaakt en natuurlijk later hun verjaardagen bij mamma gevierd.
Vannacht slapen ze weer een keer bij ons. Het voelt als vanouds en toch anders. Ze zitten een poos op een schermpje maar dan wil Famke een tekening maken en Fin stort zich op de lego bak die we hier altijd hebben staan. Famke heeft de tekening gemaakt om er een placemat van te maken zoals we ook vroeger deden. Hij is heel mooi geworden want voor een meisje van haar leeftijd tekent ze echt goed.
We hebben afgesproken wie vanavond eerst gaat douchen en zonder morren verdwijnt de eerste in de douche. Af en toe steek ik mijn hoofd om de deur om te kijken hoe het gaat met het douchespul en de shampoo en ik leg ondergoed en handdoeken klaar. Fris gedoucht komen ze met gepoetste tanden tevoorschijn en als ze even later in bed liggen, heerlijk rustig te slapen, denk ik: “Wat hadden we er vroeger een werk aan en nu … ze deden alles zelf,”
Ja, voordat je het weet zijn ze groot. Echt groot.

Missie.

Het is alweer zes jaar geleden dat ik het stuk: Liefde, pleidooi voor het kind, schreef. Ik schreef het naar aanleiding van drie kinderen die op de leeftijd van respectievelijk 4 maanden, 17 maanden en 2 jaar hun gezin verloren door een scheiding. Het kind van destijds 17 maanden heeft een halfbroer voor wie het toen al de tweede scheiding was. Bij de andere twee kinderen is inmiddels ook een tweede scheiding voorgekomen. Deze ‘gevallen’ laten zien wat ik vaak heb gehoord, dat tweede scheidingen nog vaker voorkomen dan eerste scheidingen.
Het is een streng stuk: Liefde, pleidooi voor het kind waarin de hoofdboodschap is dat het ‘nemen’ van een kind feitelijk het meest egoïstische is wat je kunt doen. En dat je het dus niet moet doen als je niet alles voor je kind over hebt.
Sindsdien probeer ik mijn Prille ouder coach idee, bij iedereen die het horen wil, duidelijk te maken. Met dit idee wil ik aanstaande ouders beter voorbereiden op de tijd die totaal anders wordt dan ze tot dan toen hebben beleefd, vanwege de komst van de baby. Zodat ze beter zijn opgewassen tegen de stress die dit met zich meebrengt. Oud minister Rouvoet noemde het ‘ouderschapsgym’ en ik heb sindsdien nog niet gemerkt dat er daadwerkelijk iets mee gedaan is.
Ik heb gesproken met mensen van de gemeente, een kinderarts in het UMCG, een dame van MIM (moeders informeren moeders), collega docenten, collega coaches, vrienden en bekenden. Iedereen knikt en begrijpt wat ik bedoel als ik spreek over de problemen waar kinderen mee te maken krijgen door de onmacht van hun ouders. In veel gevallen krijg ik direct meer verhalen te horen over kinderen in soortgelijke situaties.
Ik voel me vaak een roepende in de woestijn en zal er toch niet mee kunnen stoppen tot ik daadwerkelijk de mensen vind die mij kunnen helpen mijn idee te realiseren. Wat mij steunt bij deze (wat lijkt op een onmogelijke) missie is af en toe op een boek te stuiten waarin precies dat verwoord staat wat ik bedoel. Zo’n boek vond ik vandaag. Het heet ‘Gezin eerst’ en is geschreven door Dr. Phil. Hij schreef in 2004: “Cynici zullen zeggen dat in onze snelle, moderne maatschappij ‘het gezin’ uit de gratie raakt, dat het niet meer is dan een ouderwets, achterhaald concept dat zijn waarde verliest in een drukke wereld van ‘verlichte’ mensen. Ik zeg jullie dat dat niet zo is – verre van dat zelfs. Het gezin is tegenwoordig juist nog belangrijker dan in vorige generaties, en we kunnen niet accepteren dat het zou worden uitgehold. Deze strijd kunnen en moeten we winnen,”
14 jaar later denk ik dat het nog steeds geldt. Als meer gezinnen beter gaan functioneren zal dat een positieve invloed hebben op de maatschappij. Daarom blijf ik mijn missie uitdragen. Ik geloof daarin.
Ooit hoorde ik op de televisie een mevrouw van ‘de opvoedpoli’ zeggen: “We kunnen aan de voorkant niets doen maar we kunnen wel helpen als er problemen zijn,” en ik denk juist dat we aan de voorkant wel iets kunnen doen en zo problemen kunnen voorkomen.