Mijn man en ik waren nog jong toen we elkaar leerden kennen. 21 en 23, best jong. Toen ik een jaar later zwanger raakte van ons eerst kind waren we dus nog steeds jong.
We zijn zeer verschillende mensen. Ik zeg vaak: “Hij is alles wat ik niet ben, en ik ben alles wat hij niet is,” Dit gegeven heeft een heel positieve component, we vullen elkaar uitstekend aan, en ook een heel negatieve: “Zeg nou eens wat je bedoelt!” En dat is dus heel moeilijk. Het is heel moeilijk om te zeggen wat je bedoelt omdat wie jij bent en wat jij vindt zo logisch is voor jezelf, dat je zelfs nooit geprobeerd hebt om dat onder woorden te brengen.
Gelukkig wilde hij trouwen, want ik wilde niets liever, en dat deden we toen ik drie maanden zwanger was. Dit was de start van een zeer turbulent en bij tijden moeizaam huwelijk en tegelijk een huwelijk waarin wij beiden, mede om omwille van onze kinderen, probeerden elkaar te begrijpen en gelukkig steeds meer van elkaar gingen houden. Na 35 jaar huwelijk kan ik dat zeggen. Gedurende een groot deel van ons huwelijk voelde het niet altijd zo en durfde ik het ook niet altijd te geloven.
We zijn niet heel moeilijke mensen. Er was veel waar we het direct over eens waren. “Zeg geen nee wanneer het niet hoeft,” bijvoorbeeld, vond ik een heel goede. Het deed de kinderen goed nadenken over wat ze echt wilden. Het gaf ze verantwoordelijkheid en ook zelfvertrouwen want ze mochten veel zelf beslissen. Hun eigen tas inpakken voor de vakantie deden ze al vanaf hun zesde. Als ze wat hadden vergeten was dat jammer en dan waren er nog de twee opties: we konden het van elkaar lenen en als het echt nodig was kochten we het. Iedereen kan wel eens wat vergeten en dat is niet erger wanneer het de kinderen zijn.
Door de jaren heen heeft ons ‘heel verschillend zijn’ ons behoorlijk parten gespeeld. Nu weet ik dat dat komt omdat vooral ik er niet tegen kan ‘niet goed’ met mijn man te zijn en ik vond het naar voor de kinderen. Die merken het… altijd. In het begin vaak en later nog regelmatig kon mijn man iets zeggen wat ik heel naar vond, of ik kon iets zeggen dat hij totaal onacceptabel vond. Het gevolg was een onzichtbare muur die tussen ons werd opgetrokken. En ons gedrag sloeg onmiddellijk om van ons gewone, volwassen, ouderlijke gedrag naar dat van twee gekwetste kinderen die ieder op hun manier probeerden hun gelijk te krijgen. Ik werd verdrietig en hij werd boos.
Inmiddels weten we dat de verzoeningscommunicatie van mij moet komen en dat dat prima is. Ik vraag hem om uitleg of probeer zelf uit te leggen wat ik bedoel. Dat is hooguit een paar uur of maximaal een dag na het ‘conflict’ als je het zo al kunt noemen. Onlangs heb ik op een moment dat we ons allebei heel goed voelden gevraagd hoe het ons, volgens hem, overkomt. Niet inhoudelijk maar wat er met ons gebeurt en daar hebben we goed over kunnen praten. Mijn man kon benoemen hoe hij zich voelt en ik kon zeggen dat ik dat vervelend voor hem vind.
Onze oudste dochter (zij heeft eronder geleden, hoe goed we ook ons best deden er de kinderen niet mee te belasten) heeft wel eens tegen mij gezegd: “Jij en pappa kunnen niet communiceren, mam,” en op zulke momenten klopt dat ook.
Inmiddels accepteren we dat dit ook bij ons hoort. Niet wat er wordt gezegd is de trigger maar hoe wij daarop, zo verschillend, reageren. Onze communicatie heeft zich door de jaren heen liefdevol ontwikkeld en de kinderen en wij weten dat we te allen tijde het goede bedoelen en voor elkaar willen.
Daarom weet ik het heel zeker: accepteren kun je leren.
De maatschappij dat zijn wij.
Het is veel te weinig in het nieuws en ik begrijp het wel: want het is geen nieuws. Mensen moeten werken om de economie draaiende te houden. Dit klopt. En vrouwen moeten niet van hun partner afhankelijk zijn, ze moeten hun eigen geld verdienen, onafhankelijk zijn. Dat hoor je regelmatig in het nieuws.
Maar, dit klopt niet. Ja, dit klopt wel in een maatschappij waar geen kinderen zijn en dan is het verder van korte duur want dan houdt de maatschappij vanzelf op. Maar in de maatschappij zijn ook kinderen. Gelukkig maar want daarmee is onze toekomst veilig gesteld. En daarmee klopt het niet dat vrouwen niet van hun partner afhankelijk moeten zijn, dat moeten ze wel, wat geld betreft. En wanneer de man voor de kinderen zorgt moet hij, wat geld betreft, van zijn partner afhankelijk zijn.
Als er kinderen komen dan hebben deze kinderen zorg nodig. Deze zorg hebben ze grotendeels nodig van hun ouders. Dat is niet gek, deze ouders hebben immers voor de kinderen gekozen. Hoe ze dat verdelen is verder helemaal hun eigen zaak, maar met de komst van een kindje is dit prioriteit nummer één. Hoe gaan we voor ons kindje zorgen.
Natuurlijk is degene die minder gaat verdienen qua financiën afhankelijk van degene die meer blijft werken. En een keuze kan zijn dat je allebei minder gaat werken om ook allebei van het kindje te genieten, het goed te leren kennen en een bijdrage te leveren aan de verzorging en de opvoeding. Bij thuiskomst praat je elkaar bij over werk en thuis en zo wordt er dagelijks (liefst liefdevol) gecommuniceerd. Zo vorm je een gezinnetje en wordt het gezinnetje een team. Samen leef je je kindje goed voor en samen neem je daar verantwoordelijkheid voor. En wees niet bang elkaar aan te spreken wanneer de een niet begrijpt waarom de ander iets doet want dat ben je juist aan elkaar verplicht. Omdat het zo belangrijk is wat er met het kindje gebeurt. Want het kindje is onderdeel van de toekomstige maatschappij en hoe die eruit ziet daar hebben wij ons aandeel in.
Engels.
Ze komen met zijn vieren uit school. De twee tienjarige jongens voorop, op enige afstand volgt opa met het meisje van acht. De jongens zijn druk aan het praten, Engels met een verbazend goede uitspraak en intonatie.
We gaan allemaal zitten voor de lunch en de gast aan onze tafel vraagt of ze straks met nog een vriendje op de televisie mogen gamen. Hij schakelt voor mij over op Nederlands. Ik antwoord dat dat natuurlijk mag, een uur, als ze daarna lekker gaan buitenspelen. Ik weet dat ik dit niet hoef te zeggen want behalve dat deze kinderen graag gamen, mogen ze ook graag buiten spelen.
Aan tafel wordt door elkaar Nederlands en Engels gesproken en wanneer opa er net iets van wil zeggen (hij vindt al dat Engels eigenlijk wel wat overdreven) herinnert ons meisje ons aan de afspraak die in het gezin is gemaakt dat, wanneer er iemand bij is die geen Engels verstaat, er Nederlands moet worden gesproken. De jongens schakelen over op hun moederstaal en maar een enkele keer vergeet een van de twee het.
Wanneer ze met z’n drieën aan het gamen zijn valt me op enig moment op dat er twee commentaar geven en ik één steeds niet hoor. Na beter luisteren merk ik dat de twee oudsten weer zijn overgeschakeld op het Engels. Mijn: “Jongens!” is genoeg. De voertaal wordt weer Nederlands en ook de derde gamer reageert weer op wat er op het scherm gebeurt en op het commentaar van zijn medegamers.
Ik verbaas me er altijd weer over dat de kinderen meestal direct reageren wanneer we hen ergens op aanspreken. Tegelijk is dat ook wat ze hebben geleerd en daarmee aangeven dat je met hen heel goed afspraken kunt maken mits we ons daar met elkaar aan houden en er iemand is die erop let.
Probleemkind of kind met problemen.
Toen ik nog docent en leerlingbegeleider was op een MBO, had ik dagelijks met kinderen te maken die het zichzelf en ons wel moeilijk maakten. Ze waren te vaak afwezig, hadden hun werk niet voor elkaar, hun boeken niet mee en vaak vielen ze van meerdere opleidingen uit. Soms zeiden ze (met het idee dat MBO voor hen te gemakkelijk was): “Maar ik heb HAVO gedaan, mevrouw,” en dan zei ik keihard: “Nee, je hebt erop gezeten maar je hebt het niet gedaan, anders zat je nu niet bij ons,”
Op mijn woorden is nog steeds niets af te dingen, want zo is het. Iemand die ‘HAVO gedaan’ heeft komt niet op het MBO terecht want die heeft een HAVO diploma en daarmee een startkwalificatie. Maar ze waren wel keihard, die woorden, als je beseft dat het 9 van de 10 keer kinderen met problemen betreft.
Hoe vroeger kinderen die problemen krijgen en hoe langer deze problemen blijven aanhouden, hoe groter de kans is dat dit kind meer en meer probleemgedrag gaat vertonen. Het is niet fijn om van een hoog niveau naar een lager niveau te moeten afstromen en soms gaat het lager en lager. Zeker als je beseft dat je dat hoge niveau wel zou kunnen halen. Het is het probleem van het kind maar is het daarmee een probleemkind?
Kinderen hebben ouderen nodig om hen te begeleiden. In een goede verstandhouding zou ik zeggen liefst hun eigen ouders. Als het kan binnen één gezin. Als dat niet kan zou het nog steeds goed zijn als die begeleiding komt van hun eigen ouders.
Kinderen hebben sturing nodig en dat kan alleen maar met aandacht en goede (liefst, liefdevolle) communicatie. Het is dus belangrijk dat ouders aandacht voor hun kind hebben en met hun kind communiceren wanneer het aan hun zorg is toevertrouwd. Bij ouders die zichzelf verdeeld hebben (alleen of met een nieuwe relatie of gezin) betekent dat een goede communicatie met hun ex(geliefde). Trots, angst, verdriet, alles wat daarbij in de weg zit is groot en naar … maar mag niet het probleem zijn van het kind.
Goede bonusouders (ik hoor zo vaak over bonuskinderen dat er dus ook bonusouders zullen zijn) kunnen een waardevolle aanvulling zijn voor deze kinderen … maar geen vervanging van eigen ouders.
Laten we nooit meer spreken over probleemkinderen en onderkennen dat onze kinderen met problemen ons nodig hebben. Dat wij onderdeel zijn van hun probleem. Als we dat onderkennen is het misschien gemakkelijker om erachter te komen wat er voor het kind nodig is om zijn problemen (samen) te kunnen oplossen. Misschien is een eerlijk, liefdevol gesprek daar een goede opening voor en dan moeten we ook aan het kind kunnen bekennen dat we het moeilijk vinden en ons realiseren dat wij onderdeel zijn van zijn probleem.
Paniek, of was het ‘pavor nocturnus’?
Je bent een paar dagen bij ons te logeren. Overdag hebben we samen de grootste lol. Je kunt al heerlijk op een kleed zitten spelen. In onze speelgoedmand vind je allerhande popjes, boekjes en autootjes waarmee je even zoet bent. Oma zit bij jou op het kleed, want dat heb je het allerliefst.
Met opa heb je buiten gefietst, in het fietsstoeltje voorop de fiets heb je opa van alles verteld in je grappige babytaal. Opa heeft jou ook alles gewezen en benoemd, de huizen, de bomen, de bloemen, de vogels en alle auto’s die jullie voorbijreden. Je hebt heel erg genoten, zei opa, je houdt heel erg van ‘buiten’.
Nu is het al lang avond. Oma is een beetje ongerust want je wordt voor de tweede keer vanavond onrustig. Een paar uur geleden heb ik je uit je bedje gehaald omdat je wel heel hard ging huilen. Ik probeerde je te sussen, klopte zachtjes op je ruggetje maar je bleef maar huilen en het leek net of je je tegen mij afzette. Toen heb ik je maar weer in je bedje gelegd. Je huilde nog even heel hard maar werd toen gelukkig toch weer stil.
Oh nee, je begint weer harder te huilen. “Stil maar, jongetje, stil maar,” Je begint ook wild te woelen maar het is net of je nog slaapt. Ik pak je er toch maar even uit. Je spartelt onrustig in mijn armen. “Stil maar ventje, wat is er toch?” Ik loop met je op en neer, strijk over je ruggetje en probeer je een beetje te sussen. Maar je huilt alleen maar harder en het huilen gaat zelfs over in gekrijs. We worden een beetje wanhopig: “Moeten we de dokter niet bellen?” “Het is bijna nacht, kan dat dan wel?” “Ja, dan moeten we de dienstdoende arts maar bellen, dit is toch niet normaal?” Op mijn arm zit je zo te vechten en je van me af te zetten dat ik je maar weer in bed leg terwijl opa de dokter belt. Je lijkt een beetje rustiger te worden maar snikt nog hevig na. Ik hoor opa met de dokter bellen als je, op dat heftige snikken na, toch weer in slaap lijkt te vallen. Je ligt in een vreemde houding, je hoofdje achterover, op je zij, maar je valt echt weer in slaap. Of eigenlijk, ben je wel wakker geweest? Het was alsof je krijste … in je slaap. Ik durf je niet te verleggen, wij gaan ook maar slapen, als het lukt.
Wij hebben haast niet geslapen maar jij bent vanmorgen wakker geworden in een opperbeste stemming. Je hebt gegeten en gespeeld, alsof er helemaal niets aan de hand is, en zo zie je er ook uit. Ik breng je toch maar naar je pappa. Ik zal zelf pas weer rustig zijn als je veilig bij pappa en mamma thuis bent.
Later hoor ik van mamma dat je vaker zulke aanvallen hebt en achteraf denk ik dat je vast en zeker last hebt gehad van ‘pavor nocturnus’ oftewel slaappaniek aanvallen. Als we dat toen hadden geweten dan hadden we beter kunnen handelen en was je misschien sneller uit een aanval gekomen, of hadden we het zelfs kunnen voorkomen. Gelukkig weet ik dat jij er geen herinneringen aan hebt maar oh, wat vond ik het naar.
Samen een kind.
Toen mijn man en ik ons eerste kindje kregen waren we allebei nog jong. Hij was net 23 en ik nog net 24. We waren nog niet heel lang samen en besloten te trouwen en goed voor het kindje en elkaar te zorgen. Dat klinkt mooi en we wilden het graag … en het was niet heel eenvoudig.
Terwijl het kindje in mij groeide veranderde er nog niet heel veel voor ons. We konden nog samen alle kanten op en doen en laten wat we wilden. De grootste verandering voltrok zich natuurlijk in mij. Ik kreeg al snel een relatie met ons kindje terwijl mijn man het even voelde bewegen wanneer ik hem vroeg mijn buik te komen voelen.
Toen ons meisje er was zorgde ik het meest voor haar omdat ik het meeste thuis was. Ze was gelukkig een gemakkelijk meisje en toch werd het mij zelfs weleens te veel. Na een paar gebroken nachten bleef ik een keer wat langer liggen. Ons kleintje was een maand of acht en ik werd wakker toen ik haar hartverscheurend hoorde huilen. In de kamer vond ik mijn man, met een gezicht als een donderwolk en ons kleintje met dikke tranen in zijn armen. Ik weet niet meer of ze niet wou eten of dat er iets anders aan de hand was maar ik weet nog precies wat we deden: ik nam ons kleintje van zijn schoot , we spraken beiden niet en ik praatte met haar tot ze rustig was en ik met haar kon doen wat op dat moment nodig was. Later die dag spraken we erover. Wat er was gebeurd en waarom dat niet goed was gegaan. We namen beiden onze verantwoordelijkheid en hebben gehandeld in het belang van ons kind.
In de afgelopen jaren heb ik als zelfbenoemd Prille ouder coach veel met (voornamelijk) moeders gesproken. Zij hebben vaak naast hun moederschap, net als hun partner, een baan. Ik verwonder me altijd over het woord ‘pappadag’. Ik heb nog nooit gehoord van een ‘mammadag’. Het lijkt soms alsof voornamelijk de moeders zich verantwoordelijk voelen voor het gezin. Als er een ‘pappadag’ is. Is dan de rest van de week ‘mammaweek’? En wat betekent dat dan? Er is zorg en er is werk en daarnaast is er nog heel veel wat voor beiden belangrijk is, hobby’s, studies, invulling van vrije tijd. En de zorg voor je relatie.
It takes a village to raise a child. Misschien ken je het gezegde. Een heel dorp is wat overdreven maar het is handig wanneer je een netwerk hebt zodat daarvan iemand kan inspringen wanneer pappa en mamma tegelijk een bezigheid hebben buitenshuis. Opa en oma zijn (wanneer aanwezig) vaak leuk en handig om in te zetten en wanneer dat niet kan dan is het goed voor je kindje wanneer er een of twee vaste personen zijn die (in nood) ook voor hem kunnen zorgen. Als dat duidelijk is dan geeft dat vaak rust. En de mogelijkheid om samen je relatie te onderhouden. Blijf behalve ouders als het even kan ook partners (man en man, vrouw en vrouw of man en vrouw). Je hebt oorspronkelijk voor elkaar gekozen en het kindje … dat kreeg je samen.
Het eigen gezin.
We zijn 35 jaar getrouwd en zolang hebben we al ‘ons eigen gezin’. Wij zijn de vader en moeder van twee nog redelijk jonge vrouwen, twee schoonzoons en een ex-schoonzoon en opa en oma van vier kleinkinderen. De kinderen en kleinkinderen met wie we ons bloed hebben gedeeld zitten vast verankerd in ons hart. Wij hoeven niet bij elkaar te zijn om te weten dat we van elkaar houden en altijd bij elkaar zullen horen, wat er ook gebeurt.
De mannen die erbij zijn gekomen hebben we op ‘latere leeftijd’ leren kennen. De vaders van onze kleinkinderen waren jonge twintigers toen ze aansloten bij ons gezin. Ik heb hen niet onder mijn hart gedragen en ga respectvol en met liefde met hen om omdat zij kozen voor onze meisjes en met hen hun leven delen en deelden en ook onze nieuwe schoonzoon behandelen we met liefde en respect.
Het is een prettig en over het algemeen rustig leven en soms toch wat ingewikkeld omdat we verschillende mensen zijn met verschillende behoeften en ideeën. Van mijn man en mij is het door alle jaren heen ‘ons eigen gezin’.
Stel je nu het volgende voor: Een jong stel is wel of niet getrouwd en heeft een klein kindje van twee of drie wanneer een van de twee besluit niet met de ander verder te willen gaan. Het ‘eigen gezin’ wordt opgebroken. Het jonge stel is nog steeds jong en krijgen beiden een nieuwe relatie met allebei ‘nieuwe’ kinderen. De nieuwe partner wordt direct stiefvader of -moeder en heeft vaak (nog) veel met het kindje op. Het is het kindje van hun liefste en na die verbroken relatie zullen ze vast van plan zijn de relatie te laten slagen. Vaak lukt dat de eerste jaren wel. Het is niet voor elke stiefouder gemakkelijk een plaatsje te krijgen in het hartje van het kind maar daar zal hij of zij veel voor over hebben. Of het lukt zal ook veel afhangen van de houding van de biologische ouders van het kleine kindje, dat na een paar jaar nog steeds een klein kindje is.
Dan komt het eerste nieuwe kindje. Een stressvolle periode breekt aan. Opeens is er het verschil dat het ene kindje elke dag bij zijn ouders is en het andere kindje … niet. Behalve stiefouders zijn de nieuwe partners nu ook zelf ouders geworden van een kindje dat ‘bloed is van hun bloed’. En dat is anders. Dat voelt anders dan het kindje dat wel bij hen hoort maar niet vanaf de eerste dag dat hij er was. Als je er dan toch met hart en ziel voor hem kan zijn, als je toch van hem houdt en hem kunt behandelen zoals je je eigen kind behandelt, dan heeft hij een heel groot geluk.
En je partner, die heeft dat ook. Want zijn ‘eigen gezin’ zou voor hem anders kunnen zijn dan jouw ‘eigen gezin’. En dat is prima, als je de kinderen gelijk kunt behandelen.
Voorleven.
Wat zou het heerlijk zijn als kinderen precies zouden doen wat wij van hun vragen. Wat een rust zou dat geven. Of als ze konden praten vanaf de dag dat ze geboren worden. Of dat er bij hun geboorte een briefje werd geleverd met daarop alle bijzonderheden vermeld die voor dit specifieke kindje gelden.
Dat is jammer genoeg niet aan de orde. We zullen helemaal zelf moeten uitvissen wie dit kleine mensje is, hoe hij zich voelt en hoe we met hem moeten omgaan. Gelukkig krijgen we de eerste dagen hulp van de kraamverzorgster en ook daarna gaan we regelmatig met de baby naar het consultatie bureau om zijn ontwikkeling te bespreken. En dit gaat allemaal over zijn fysieke gesteldheid.
Om uit te vinden hoe hij zich voelt en hoe we het beste met hem kunnen omgaan moeten we vooral goed met hem communiceren. Het is goed om altijd met hem te praten, bij elke handeling die je met hem verricht. Het is een samenspel. Bij het voeden, verschonen, in badje doen, bij alles kun je hem vertellen wat je doet. We weten niet wat hij ervan snapt, en misschien is dat in het begin wel niets, maar zo kunnen we hem alles leren.
Bedenk dat het belangrijk is dat jij goed voordoet wat je bij je kindje wilt zien. Kinderen doen alles na wat ze zien. Dat is een van de manieren waarop ze leren. Dus leef ze goed voor. Het aloude gezegde: kinderen doen wat je doet, niet wat je zegt zal altijd aan de orde blijven.
En als je kindje huilt en je hebt alles gecheckt: hij is gevoed, verschoond, heeft een boertje gelaten, stel hem dan gerust door zachtjes met hem te praten of hem op zijn rugje te kloppen. En als hij moet slapen, leg hem dan in zijn bedje en zeg dat je later nog even naar hem komt kijken.
Kinderen moeten geleid worden, dat hebben ze nodig. Als voor hen duidelijk is wat ze moeten en wat ze mogen zal het de minste moeite kosten. Dat betekent niet dat kinderen dan makke lammetjes zijn maar wel dat ze handelbaar zijn en daar hebben zowel zij als hun ouders baat bij.
Bildeberg.
Op een vrijdag, vlak voor de vakantie vraagt ze: “Ga je mee mam? De kinderen willen naar Bildeberg en we gaan de 29ste want dan hebben ze een margedag,” Vrijdag is sinds 10 jaar onze oppasdag en dat komt dus goed uit. Ik was anders ook gegaan. Als mijn kind wat vraagt zeg ik in principe ‘ja’.
We zitten in de auto naar wat voor mij klinkt als ‘Bildeberg’. De kinderen zitten achterin en vragen om de zoveel kilometer of we er al zijn. 250 km is best ver en ik opper dat ze nog even gaan slapen, dan duurt het niet zo lang. Na enig morren lukt het en zijn ze beiden onder zeil. “Wat gaan we eigenlijk doen,” vraag ik mijn dochter. Ik ben heel vaak met haar mee geweest zonder aan de start van het gebeuren te weten wat we gingen doen. Nu weet ik dat we naar ‘Bildeberg’ gaan maar wat het is? Geen idee. “Nou,” zegt ze, “de workshop duurt maar 15 minuten, wel een beetje kort,” “Okay,” zeg ik. Ze vertelt iets over knuffels en zelf maken en ik denk: “Klinkt leuk,” al kan ik me nog steeds niet voorstellen wat er gaat gebeuren. Tegelijkertijd denk ik: “250 km heen en 250 km terug voor een workshop van 15 minuten, beetje ver maar, het zal wel heel leuk zijn,”
We parkeren de auto in een plaats die geen ‘Bildeberg’ heet en we lopen een enorm winkelcentrum in. We gaan een roltrap op en lopen langs verschillende winkels. Dan wijst ze naar de overkant en zegt: “Daar is het,” Ik kijk en zie boven de winkelingang staan ‘Build a bear’. En opeens begrijp ik het, het is geen Bildeberg maar Build a bear. Geen plaatsnaam maar de naam van een winkel. Ooookay, dat dus. Dochterlief en de kinderen kennen het van Youtube waar ze blijkbaar in een filmpje laten zien hoe het werkt.
In de winkel liggen platte knuffels en bij een apparaat waarin vulsel continue ronddraait zit een meisje dat het eigenlijke werk gaat doen. Verder staat de winkel vol met stellingen waarop allerlei accessoires waarmee je de knuffels kunt aankleden en versieren. Dat de platte knuffels zeer prijzig zijn heb ik dan al gezien en ook dat de knuffels niet bloot mee naar huis zullen gaan. “Laat mij maar één betalen, liefje,” zeg ik tegen mijn dochter. Op de kaartjes aan de kleertjes, schoentjes etc. zie ik steeds 3 staan en ik denk €3,= dat valt me mee. Als ik beter kijk zie ik dat dat de leeftijd is dat het kind minstens moet hebben. De prijzen zitten meer in de dubbele cijfers.
De kinderen kiezen een knuffel en ondergaan beiden het heel leuke ritueel dat hoort bij de workshop zoals de wens die ze in het hartje blazen, de knuffel wassen met lucht en kammen met een borstel. Dan kiezen ze een outfitje en worden hen nog meer accessoires nagedragen door de aardige winkeldames. Op een speciale kindercomputer maken ze zelf het geboortecertificaat en bij de kassa blaast de juffrouw leven in het kartonnen huis waarin de knuffel kan worden vervoerd. Ze gooit hem plat in de lucht en hij komt dan opengevouwen naar beneden. Ik vind het knap en ik vind ook dat ze er echt wat van maken, die 15 minuten workshop waarvoor we 500 km reizen.
“Het is wel heel bijzonder dat mamma dit met jullie doet hè, dat weten jullie toch wel?” vraag ik de kinderen dringend. “Ja hoor,” zegt mijn kleinzoon, “EN oma,” Ik weet niet of ze het zich echt realiseren, nu, maar ik hoop dat het in de toekomst een mooie herinnering voor ze zal zijn. Dat ze de intentie zullen voelen van deze liefdesdaad van een moeder en een oma.
Huilbaby’s.
Buikkrampjes? Ja, natuurlijk hebben we daar wel eens van gehoord maar moet een baby daar dan echt zo hard van huilen? En drinken is toch gewoon drinken? Speen of tepel in de mond en zuigen maar. Maar zo gemakkelijk blijkt dat helemaal niet te gaan. Is hij klaar? Nee, anders huilde hij toch niet. We weten niet wat hij heeft gedronken. Nog maar even aan de borst laten? Drinkt ie wel? Volgens mij niet … dan er maar af want hij drinkt nu al … oh nee, hij begint weer te huilen, gauw weer aan de borst. En zo zit je zomaar uren met je baby aan de borst, drinkt hij niet maar sabbelt hij en krijgt en passant allemaal lucht mee naar binnen waarvan hij weer krijgt … ja precies, buikkrampjes en je vraagt je weer af …
Baby’s moeten heel veel slapen. Hoe lang is ze nou op? Ja, ze moet naar bed, maar als ik haar neerleg begint ze te huilen. Nou, dan huilt ze maar even. Huilt ze nou nog? Ze krijst. Nog steeds? Zal ik haar ophalen? Of in slaap wiegen? Straks verwen je haar teveel. Hoe kan dat nou, ze is nog maar een baby. Pas maar op …
Een bevalling is nooit een feestje … en dat geldt ook voor de baby. Het is niet gemakkelijk om geboren te worden en daarna alle comfort die je negen maanden hebt gehad achter je te laten. Het is knap van alle baby’s dat ze zich uiteindelijk aanpassen.
Sommige pappa’s en mamma’s hebben geluk. Als hun kindje relatief gemakkelijk geboren wordt (of misschien zit het gewoon in het karakter) kan hij zich misschien zo snel aanpassen dat eten en slapen ‘vanzelf’ gaat. Voor alle andere pappa’s en mamma’s zal het lang of nog langer duren voordat er iets met de baby vanzelf gaat maar dat komt echt goed.
Probeer ondertussen goed voor de baby en elkaar te zorgen (communiceer met elkaar) en probeer daar rustig onder te blijven. Vraag hulp als je die nodig hebt en wees gerust, een baby kun je niet zomaar teveel verwennen. Probeer hem wel zo snel mogelijk te leren kennen en probeer zijn slaapsignalen te ontdekken (gapen, aan zijn oor trekken, duim in de mond, in de oogjes wrijven). Dat zal de eerste maanden nog niet lukken en mocht hij lang blijven huilen wieg hem dan gerust een keer in slaap.
Baby’s huilen en sommige baby’s huilen langer en vaker. En op een dag is dat echt over.