Sommige dingen lijken zich altijd toe te spitsen op een deel van iets … of iemand … of mensen. Zo ook bij het volgende. Het ‘fenomeen’ schoonmoeder. Ik hoor zelden van mensen die problemen hebben met hun schoonvader. Dat gezegd hebbende herinner ik me wel de problemen die ik had met mijn ‘tweede’ schoonvader. Het was mijn eerste officiële schoonvader want ik was een jaar met zijn zoon getrouwd. Hij was mijn tweede schoonvader in de zin dat ik een relatie van twee jaar achter de rug had en ik de vader van mijn eerste vriend beschouw als mijn ‘eerste’ schoonvader. Hij vond mij (vanwege die eerste relatie) een ‘afgelikte boterham’. Ik was in die tijd een schuchter, verlegen meisje en toch stond ik tegenover hem steeds weer op wanneer, in die vier jaar dat wij bij elkaar over de vloer kwamen, ik werd geconfronteerd met zijn nare, autoritaire manier van praten en handelen. Wat had ik een hekel aan die man, zeg. En tegelijk weet ik dat ik ook toen al zocht naar wat daarvan de achterliggende oorzaak was. Wat deed die man dat mij zo triggerde?
Ik heb in mijn leven drie schoonmoeders gehad. Met geen van de drie had ik een soepele relatie. Dat lag aan hen … en aan mij.
Je hoort soms dat mensen heel gek met hun schoonmoeder zijn of dat ze er juist niet mee door één deur kunnen. Soms wordt het tweede gevolgd door het eerste. Is er dan gehuichel in het spel geweest? Heeft iemand zijn best gedaan tot hij er bijna bij neerviel en werd het nog niet gezien en/of gewaardeerd? Spreken zij elkaars taal niet? Dat is altijd een heel lastige. Je kunt namelijk allebei gewoon Nederlands spreken en elkaar toch totaal niet verstaan of begrijpen. Of is er sprake van twee totaal verschillende zienswijzen of belevingen van het moeizame leven dat velen van ons moeten leven (omdat we geen ander hebben). Twee verschillende karakters? Zeg het maar.
De niet soepele relaties die ik zelf heb gehad heb ik altijd eerst en vooral mezelf enigszins kwalijk genomen. Dat neemt niet weg dat ik ook van tijd tot tijd de ander erop aankeek. En ik ben ook niet streng voor mezelf. Als iemand mijn goede bedoeling niet kan zien dan is dat zo. Veranderen kan ik dat niet, ik kan alleen veranderen hoe ik ertegenaan kijk en erop reageer.
Ik ben zelf al jaren schoonmoeder van schoonzonen. Wij hebben twee dochters en dan spreekt dat niet vanzelf, maar in ons geval is het zo. Met hen, die door hun kinderen aan mij zijn en blijven verbonden heb ik verschillende relaties. De schoonzoon die ik het minst heb gezien, omdat we fysiek weinig bij elkaar zijn geweest, ken ik het minst goed. Voor zover ik het weet respecteren we elkaar. Hij is de vader van onze kleinkinderen en wij de grootouders van zijn kinderen. De moeizame communicatie die ik met hem had begrijp ik goed en misschien wordt die in de toekomst ooit beter … of niet en dan accepteer ik dat. Mijn andere schoonzoon zie ik regelmatig. Hij woont met onze dochter en hun kinderen op twee uur reisafstand van ons. Omdat ik om de andere week bij hen oppas zien we elkaar dan en regelmatig blijf ik een nachtje bij hen slapen. We communiceren de ene keer wat meer dan de andere en het is zoals dat is. Niet moeizaam, niet vlot. Het feit dat wij verschillende moedertalen hebben speelt daar een rol in. Wij respecteren elkaar met de wetenschap wie wij tegenover elkaar zijn, respectievelijk vader en grootouders van dezelfde kinderen. En we hebben ook een band met elkaar gekregen. Die band maakt dat de relatie warm voelt.
Ben ik voor de één vriend en voor de ander vijand? Ik weet het niet. Ik weet van mezelf dat de intenties goed zijn en of je vriend of vijand ‘bent’ hangt af van wat de ander voelt of hoe hij verkiest naar jou te kijken. Was ik van mijn schoonmoeders en mijn schoonmoeders van mij vriend of vijand? Geen vijand, moeizame relatie of niet ik heb ze allemaal gerespecteerd omdat zij de moeders waren van mijn vriend, mijn man. Geen vijand, omdat ik begreep dat wanneer ze het mij moeilijk maakten dat meestal te maken had met de liefde en zorg die zij hadden voor diezelfde man, die ik zo liefhad of (in het geval van mijn man) al bijna 37 jaar liefheb. Geen vijand omdat ik niet wilde dat mijn schoonzusters en zwagers zo naar mijn moeder zouden kijken. Geen vijand omdat ik toen al dacht (toen ik de nog echt jonge schoondochter was) dat ik ooit zelf schoonmoeder zou worden en niet wist hoe ik dan zelf zou zijn.
Je schoonmoeder hoeft niet je vriend(in) te zijn. Respecteer haar om wie ze is. De moeder van je geliefde. De oma van je kinderen. Zij zijn elkaars familie en hebben een bloedband met elkaar. In NLP heb ik geleerd uit te gaan van de goede bedoeling. Die is er altijd ook als die er alleen is voor de persoon zelf, uit een soort onmacht. Heb compassie met degene die moeizaam gedrag vertoont en bedenk, vanwege interactie, dat de ander ook reageert op jouw gedrag. En dat jij bepaalt hoe jij reageert.
Schoonmoeders, probeer ze te koesteren.
Wat communicatie zo moeilijk maakt.
Over communicatie wordt veel gesproken, bijna iedereen heeft wel moeite met een vorm van communicatie . Communicatie is een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste onderdeel van de samenleving. Over welke samengestelde groep mensen je het ook hebt, zij zullen altijd communiceren.
Iedereen zou het al vroeg moeten leren. Is dat dan niet altijd zo? Ik denk het niet. In feite begint het al wanneer een nieuw mensje nog niet eens zichtbaar is. Zou iedere zwangere vrouw, zich daar wel bewust van zijn? Was ik het mij bewust? Ja, ik was het mij bewust. Ik denk wel dat het ermee te maken had dat ik op dat moment niet voor een zwangerschap had gekozen maar wel voor het kindje toen ik zwanger bleek te zijn.
Net als ik raakte onze dochter ook zwanger toen zij 24 was. Bij hen was het een bewuste keuze. Toen haar ventje nog maar een kleine baby was zei ze: “Mam, wil je alles voor hem benoemen want een baby heeft daar wel behoefte aan. Hij wil weten wat hij ziet,” en ik dacht: “Ja, dat kan ik mij goed voorstellen,”
Dus stond ik met hem voor het raam en vertelde wat we buiten zagen: “Kijk, een boom met een vogeltje, en dat is een bus en daar komt een meisje aan op een fiets,” Vijf jaar later sta ik versteld van de woorden die hij en zijn drie jarige zus weten te gebruiken, de volzinnen waarin ze spreken, maar ook de volwassen zinnen die heel grappig klinken uit die kleine kindermondjes.
Toen ik vanmiddag haar chocolademondje wilde afvegen en begon te zeggen: “Kom Famke, laat oma even je toetje ………..,” riep zij verheugd naar haar broer: “Ja, toetje, toetje, toetje, Finn we mogen een toetje,” voordat ik kon afmaken: “……. je toetje vegen,” Wij eten normaal gesproken ook ons toetje na het avondeten maar dit keer aten zij midden op de dag alvast een toetje vanwege onze ‘communicatiestoornis’.
Misschien is dat wat de communicatie zo lastig maakt. Wat wordt gezegd en wat wordt begrepen komt lang niet altijd overeen. Over het algemeen ‘horen’ we allemaal goed, maar de vraag is vaak: in hoeverre ‘luisteren’ we echt.
De middelste.
Ik ken een aantal kinderen die in hun gezin het middelste kind zijn. Deze gezinnen hebben drie kinderen. Ik ken een gezin waarvan de jongste en de oudste blond zijn, terwijl de middelste een afwijkende haarkleur heeft, wel blond maar een heel andere tint. Gelijkmatig is een woord dat past bij de twee ‘buitenste kinderen’ terwijl je van de middelste zijn ontwikkelproces eerder een woord zou noemen als ‘turbulent’ of misschien wel ‘wanordelijk’.
Bij een ander gezin zijn de oudste en de jongste donker van kleur, zowel huid, als haar. Ze kunnen goed met elkaar opschieten en lijken elkaar volkomen te begrijpen. Hun zusje echter, de middelste van dit gezin, is met haar blanke huid en blonde haren een heel ander kind. Ook innerlijk lijkt ze totaal niet op de andere twee.
En dan zijn er de grotere gezinnen waarin ook ‘middelste kinderen’ kunnen zijn. In ons grote gezin (12 kinderen) hebben bijna alle jongens een jongen onder of boven zich en alle meisjes een meisje. Alleen mijn oudste zus en ik zijn omringd door jongens. Je zou kunnen zeggen dat wij, tussen twee jongens ‘een middelste kind’ zijn. Zij sprak eens uit zich altijd beter ‘tussen de jongens te voelen’ en dat begrijp ik wel, ik voel wat zij daarmee bedoelt. En we zijn ook opgegroeid in dat grote gezin wat absoluut anders is dan opgroeien in een gezin van vier of minder kinderen. Vaak sta ik beschouwend, zonder echt deel te nemen aan wat er om me heen gebeurt, alles in me op te nemen en soms roep ik net iets te hard of dwars door iemand heen wat mij op dat moment bezig houdt. Ik wijt het allebei aan de manier waarop ik ben opgegroeid.
Toen ons jongste meisje 8 maanden was dacht ik even dat ik weer zwanger was. Omdat ik heel graag een derde, en heel stiekem wel een jongetje wilde, was ik er heel blij mee. Tegelijkertijd maakte ik me grote zorgen omdat ik ons meisje nog te klein vond om al zo snel ‘plaats te moeten maken’ voor een volgende kind. Mijn gevoel was dus dubbel toen het niet zo bleek te zijn en heel lang, tot mijn veertigste heb ik verlangd naar dit derde kind dat misschien wel een jongetje was geweest.
Uiteindelijk kwam het allemaal ‘goed’ en kreeg ik toch nog de kans om drie jongetjes en een meisje mee op te voeden. En tot op de dag van vandaag denk ik, wetende hoe ons jongste meisje zich heeft ontwikkeld en hoe ze is opgegroeid: “Zou ze anders zijn geworden als ze niet de jongste was gebleven maar ‘de middelste’ was geworden
Relaties.
Ooit startte ik mijn Prille ouder coach project toen ik dacht dat mensen gingen scheiden omdat het krijgen van kinderen een te grote impact had op hun relatie. Ik denk nog steeds dat dat voor veel mensen en relaties geldt. Het mooie van een project is dat je je verdiept in een onderwerp en vervolgens veel meer leert dan wat je had bedacht.
Door mijn prille ouder coach project krijg ik veel inzicht in relaties. Het doet me erg nadenken over de redenen om een relatie te beginnen en hoe ermee om te gaan. Ik vraag me ook af, hoe en of je daarbij kunt voorkomen dat mensen met de ‘verkeerde partner’ aan kinderen beginnen.
Neem mijn eigen relatie. Ik zat in een huwelijk dat een half jaar geleden was gesloten toen ik de liefde van mijn leven tegenkwam. Die relatie duurde toen 3½ jaar. Ik stapte er direct uit om met mijn liefste verder te gaan. Ik raakte na een jaar zwanger en we trouwden en kregen ons eerste kind toen we elkaar nog geen twee jaar kenden. We waren toen 23 en bijna 25 jaar jong. Het was de start van 20 moeizame jaren (op relatiegebied) die na die 20 jaar had kunnen eindigen in een scheiding. We zijn dit jaar 35 jaar samen. Op dat cruciale moment, toen wij 20 jaar samen waren besloten we beiden dat we zoveel hadden om voor te vechten dat het echt een drama zou zijn geweest als we toen uit elkaar waren gegaan. Want we hielden veel van elkaar. Nog niet zoveel als nu, maar wel veel. En we hadden het geluk dat er niet iemand serieus probeerde tussen ons te komen. Of misschien hebben we dat niet toegestaan. We hebben ons op elkaar geconcentreerd.
De moeizame huwelijken die ik nu om me heen zie hebben met elkaar gemeen dat, vanaf het begin, de communicatie niet goed is geweest. En daar heeft ‘de lieve vrede’ veel mee te maken. Hoe lief kan eigenlijk zo’n vrede zijn?
Communicatie is zoveel meer dan de woorden die we zeggen. De manier waarop we naar elkaar kijken, de woorden die niet worden gezegd hebben veel meer impact op de relatie dan wat veel mensen denken bij ‘communicatie’. Een woord dat uit elke relatie moet worden geweerd (en ik weet dat niemand een ander iets ‘moet’ opleggen, maar dit ‘moet’) is verwijten. Het zou zo mooi en goed zijn als we daarmee konden stoppen. Verwijten is voor niemand zinvol. Als we uitgaan van ieders goede bedoeling dan is verwijten ook in die zin een kwalijk woord.
Bij communiceren zonder verwijten kun je beter naar elkaar luisteren. En als je allebei uitgaat van elkaars goede bedoeling dan denk je na over wat de ander je probeert te zeggen. Je leert elkaar ook beter kennen want met communiceren zonder verwijten raak je elkaar meer dan oppervlakkig, dan raak je aan elkaars hart.
Misschien is het wat waard om op deze manier te leren communiceren wanneer je aan zoiets belangrijks en groots wilt beginnen als het krijgen en opvoeden van kinderen.
“En jij, dan?” hoor ik je vragen. “Heb jij dat zelf gedaan?” Nee. Ik heb dat niet gedaan. Ik keek mijn liefste in de ogen, die allereerste keer toen hij zachtjes gitaar spelend in die kamer zat en zag meteen de mooie, integere man die hij is. Ik hield direct al zoveel van hem dat ik niet anders kon dan met hem de moeizame relatie aangaan die nu resulteert in een gelukkig en tevreden leven dat met geen goud te betalen is. En daar hebben onze kinderen een belangrijk aandeel in gehad.
Niet iedereen heeft het geluk dat wij hadden en daarom wil ik je deze tip geven. Begin je relatie met liefdevol communiceren. Betrap jezelf op verwijten die je maakt en verontschuldig je ervoor. En wil je die verwijten toch steeds maken, dan ben je blijkbaar bij de verkeerde persoon om mee samen te zijn en zo iets groots mee te starten als een gezin.
Voor jullie die in een moeizame relatie zitten, er moet in beginsel liefde zijn. En als je kinderen hebt, dan is die liefde er. Dan zul je, samen of apart, de liefde hebben om het voor je kinderen goed te maken. Met heel veel respect voor elkaar en zonder verwijten naar elkaar. Ik wens iedereen zo liefdevol mogelijk communiceren.
Voordat je het weet …
We zijn elke week minstens een dag bij elkaar, al sinds ze een paar maanden oud zijn. De jongen, het meisje en wij. Elk stapje in hun leven hebben we meegemaakt, steeds met een sprongetje van een week.
We hebben ze de fles gegeven, broodjes voor ze gesmeerd, hun slaapsignalen leren kennen om ze op tijd naar bed te brengen, in bad gedaan, hun eerste woordjes opgevangen en eindeloos met ze gespeeld.
We hebben samen t.v. gekeken en bij de kreet: “Oh nee, dit mogen we niet zien van mamma!” gauw doorgeschakeld naar een ander kanaal. Later werd dit gemakkelijker want dan zochten ze Mr. Bean, Lego City of Miss Moon op waar we altijd van genoten.
We hebben ‘dierentuintje’ gespeeld waarbij de grote krokodil oma echt in haar bil beet ondanks dat ze riep: “Nee, Fin, niet doen!” En samen brachten we de illustraties tot leven van Puck van de Petteflet waarbij Famke van één rol verzekerd was. Zij was maandag, dinsdag, woensdag … elke dag Aagje.
Volgens mij was Fin nog maar drie toen we samen de instructieboekjes van Lego begonnen te volgen. We zochten stap voor stap de legosteentjes en alle andere ronde, draaiende, vierkante en soms fel gekleurde kleine legodingetjes op en dan zette Fin ze op of aan elkaar. Hij kon het al snel zelf en later maakte hij er altijd zijn eigen wonderlijke bouwwerken van. Hij kan daar nog steeds van genieten.
Toen hun ouders uit elkaar gingen hadden ze het zwaar, we leden met hen mee en probeerden ze ondertussen dapper te ondersteunen. Weken achter elkaar sliepen ze na onze oppasdag bij ons en zowel zij als wij vonden het prettig en het gaf hun ouders wat rust in die onrustige tijd.
Nu is de rust al lang weergekeerd. Ik ben trots op hun pappa, mamma en vriend omdat ze met elkaar zich houden aan de afspraken die de ouders van deze kinderen samen hebben gemaakt. In deze scheiding is in ieder geval het belang van de kinderen beschermd en er wordt naar gehandeld. Wij weten nu dat je heel goed feestdagen, die oorspronkelijk op de zondag en maandag zijn, op een andere dag kunt vieren. Omdat de kinderen ook op hun verjaardagen bij pappa waren hebben we voor het eerst verjaardags-filmpjes voor ze gemaakt en natuurlijk later hun verjaardagen bij mamma gevierd.
Vannacht slapen ze weer een keer bij ons. Het voelt als vanouds en toch anders. Ze zitten een poos op een schermpje maar dan wil Famke een tekening maken en Fin stort zich op de lego bak die we hier altijd hebben staan. Famke heeft de tekening gemaakt om er een placemat van te maken zoals we ook vroeger deden. Hij is heel mooi geworden want voor een meisje van haar leeftijd tekent ze echt goed.
We hebben afgesproken wie vanavond eerst gaat douchen en zonder morren verdwijnt de eerste in de douche. Af en toe steek ik mijn hoofd om de deur om te kijken hoe het gaat met het douchespul en de shampoo en ik leg ondergoed en handdoeken klaar. Fris gedoucht komen ze met gepoetste tanden tevoorschijn en als ze even later in bed liggen, heerlijk rustig te slapen, denk ik: “Wat hadden we er vroeger een werk aan en nu … ze deden alles zelf,”
Ja, voordat je het weet zijn ze groot. Echt groot.
Missie.
Het is alweer zes jaar geleden dat ik het stuk: Liefde, pleidooi voor het kind, schreef. Ik schreef het naar aanleiding van drie kinderen die op de leeftijd van respectievelijk 4 maanden, 17 maanden en 2 jaar hun gezin verloren door een scheiding. Het kind van destijds 17 maanden heeft een halfbroer voor wie het toen al de tweede scheiding was. Bij de andere twee kinderen is inmiddels ook een tweede scheiding voorgekomen. Deze ‘gevallen’ laten zien wat ik vaak heb gehoord, dat tweede scheidingen nog vaker voorkomen dan eerste scheidingen.
Het is een streng stuk: Liefde, pleidooi voor het kind waarin de hoofdboodschap is dat het ‘nemen’ van een kind feitelijk het meest egoïstische is wat je kunt doen. En dat je het dus niet moet doen als je niet alles voor je kind over hebt.
Sindsdien probeer ik mijn Prille ouder coach idee, bij iedereen die het horen wil, duidelijk te maken. Met dit idee wil ik aanstaande ouders beter voorbereiden op de tijd die totaal anders wordt dan ze tot dan toen hebben beleefd, vanwege de komst van de baby. Zodat ze beter zijn opgewassen tegen de stress die dit met zich meebrengt. Oud minister Rouvoet noemde het ‘ouderschapsgym’ en ik heb sindsdien nog niet gemerkt dat er daadwerkelijk iets mee gedaan is.
Ik heb gesproken met mensen van de gemeente, een kinderarts in het UMCG, een dame van MIM (moeders informeren moeders), collega docenten, collega coaches, vrienden en bekenden. Iedereen knikt en begrijpt wat ik bedoel als ik spreek over de problemen waar kinderen mee te maken krijgen door de onmacht van hun ouders. In veel gevallen krijg ik direct meer verhalen te horen over kinderen in soortgelijke situaties.
Ik voel me vaak een roepende in de woestijn en zal er toch niet mee kunnen stoppen tot ik daadwerkelijk de mensen vind die mij kunnen helpen mijn idee te realiseren. Wat mij steunt bij deze (wat lijkt op een onmogelijke) missie is af en toe op een boek te stuiten waarin precies dat verwoord staat wat ik bedoel. Zo’n boek vond ik vandaag. Het heet ‘Gezin eerst’ en is geschreven door Dr. Phil. Hij schreef in 2004: “Cynici zullen zeggen dat in onze snelle, moderne maatschappij ‘het gezin’ uit de gratie raakt, dat het niet meer is dan een ouderwets, achterhaald concept dat zijn waarde verliest in een drukke wereld van ‘verlichte’ mensen. Ik zeg jullie dat dat niet zo is – verre van dat zelfs. Het gezin is tegenwoordig juist nog belangrijker dan in vorige generaties, en we kunnen niet accepteren dat het zou worden uitgehold. Deze strijd kunnen en moeten we winnen,”
14 jaar later denk ik dat het nog steeds geldt. Als meer gezinnen beter gaan functioneren zal dat een positieve invloed hebben op de maatschappij. Daarom blijf ik mijn missie uitdragen. Ik geloof daarin.
Ooit hoorde ik op de televisie een mevrouw van ‘de opvoedpoli’ zeggen: “We kunnen aan de voorkant niets doen maar we kunnen wel helpen als er problemen zijn,” en ik denk juist dat we aan de voorkant wel iets kunnen doen en zo problemen kunnen voorkomen.
Accepteren kun je leren.
Mijn man en ik waren nog jong toen we elkaar leerden kennen. 21 en 23, best jong. Toen ik een jaar later zwanger raakte van ons eerst kind waren we dus nog steeds jong.
We zijn zeer verschillende mensen. Ik zeg vaak: “Hij is alles wat ik niet ben, en ik ben alles wat hij niet is,” Dit gegeven heeft een heel positieve component, we vullen elkaar uitstekend aan, en ook een heel negatieve: “Zeg nou eens wat je bedoelt!” En dat is dus heel moeilijk. Het is heel moeilijk om te zeggen wat je bedoelt omdat wie jij bent en wat jij vindt zo logisch is voor jezelf, dat je zelfs nooit geprobeerd hebt om dat onder woorden te brengen.
Gelukkig wilde hij trouwen, want ik wilde niets liever, en dat deden we toen ik drie maanden zwanger was. Dit was de start van een zeer turbulent en bij tijden moeizaam huwelijk en tegelijk een huwelijk waarin wij beiden, mede om omwille van onze kinderen, probeerden elkaar te begrijpen en gelukkig steeds meer van elkaar gingen houden. Na 35 jaar huwelijk kan ik dat zeggen. Gedurende een groot deel van ons huwelijk voelde het niet altijd zo en durfde ik het ook niet altijd te geloven.
We zijn niet heel moeilijke mensen. Er was veel waar we het direct over eens waren. “Zeg geen nee wanneer het niet hoeft,” bijvoorbeeld, vond ik een heel goede. Het deed de kinderen goed nadenken over wat ze echt wilden. Het gaf ze verantwoordelijkheid en ook zelfvertrouwen want ze mochten veel zelf beslissen. Hun eigen tas inpakken voor de vakantie deden ze al vanaf hun zesde. Als ze wat hadden vergeten was dat jammer en dan waren er nog de twee opties: we konden het van elkaar lenen en als het echt nodig was kochten we het. Iedereen kan wel eens wat vergeten en dat is niet erger wanneer het de kinderen zijn.
Door de jaren heen heeft ons ‘heel verschillend zijn’ ons behoorlijk parten gespeeld. Nu weet ik dat dat komt omdat vooral ik er niet tegen kan ‘niet goed’ met mijn man te zijn en ik vond het naar voor de kinderen. Die merken het… altijd. In het begin vaak en later nog regelmatig kon mijn man iets zeggen wat ik heel naar vond, of ik kon iets zeggen dat hij totaal onacceptabel vond. Het gevolg was een onzichtbare muur die tussen ons werd opgetrokken. En ons gedrag sloeg onmiddellijk om van ons gewone, volwassen, ouderlijke gedrag naar dat van twee gekwetste kinderen die ieder op hun manier probeerden hun gelijk te krijgen. Ik werd verdrietig en hij werd boos.
Inmiddels weten we dat de verzoeningscommunicatie van mij moet komen en dat dat prima is. Ik vraag hem om uitleg of probeer zelf uit te leggen wat ik bedoel. Dat is hooguit een paar uur of maximaal een dag na het ‘conflict’ als je het zo al kunt noemen. Onlangs heb ik op een moment dat we ons allebei heel goed voelden gevraagd hoe het ons, volgens hem, overkomt. Niet inhoudelijk maar wat er met ons gebeurt en daar hebben we goed over kunnen praten. Mijn man kon benoemen hoe hij zich voelt en ik kon zeggen dat ik dat vervelend voor hem vind.
Onze oudste dochter (zij heeft eronder geleden, hoe goed we ook ons best deden er de kinderen niet mee te belasten) heeft wel eens tegen mij gezegd: “Jij en pappa kunnen niet communiceren, mam,” en op zulke momenten klopt dat ook.
Inmiddels accepteren we dat dit ook bij ons hoort. Niet wat er wordt gezegd is de trigger maar hoe wij daarop, zo verschillend, reageren. Onze communicatie heeft zich door de jaren heen liefdevol ontwikkeld en de kinderen en wij weten dat we te allen tijde het goede bedoelen en voor elkaar willen.
Daarom weet ik het heel zeker: accepteren kun je leren.
De maatschappij dat zijn wij.
Het is veel te weinig in het nieuws en ik begrijp het wel: want het is geen nieuws. Mensen moeten werken om de economie draaiende te houden. Dit klopt. En vrouwen moeten niet van hun partner afhankelijk zijn, ze moeten hun eigen geld verdienen, onafhankelijk zijn. Dat hoor je regelmatig in het nieuws.
Maar, dit klopt niet. Ja, dit klopt wel in een maatschappij waar geen kinderen zijn en dan is het verder van korte duur want dan houdt de maatschappij vanzelf op. Maar in de maatschappij zijn ook kinderen. Gelukkig maar want daarmee is onze toekomst veilig gesteld. En daarmee klopt het niet dat vrouwen niet van hun partner afhankelijk moeten zijn, dat moeten ze wel, wat geld betreft. En wanneer de man voor de kinderen zorgt moet hij, wat geld betreft, van zijn partner afhankelijk zijn.
Als er kinderen komen dan hebben deze kinderen zorg nodig. Deze zorg hebben ze grotendeels nodig van hun ouders. Dat is niet gek, deze ouders hebben immers voor de kinderen gekozen. Hoe ze dat verdelen is verder helemaal hun eigen zaak, maar met de komst van een kindje is dit prioriteit nummer één. Hoe gaan we voor ons kindje zorgen.
Natuurlijk is degene die minder gaat verdienen qua financiën afhankelijk van degene die meer blijft werken. En een keuze kan zijn dat je allebei minder gaat werken om ook allebei van het kindje te genieten, het goed te leren kennen en een bijdrage te leveren aan de verzorging en de opvoeding. Bij thuiskomst praat je elkaar bij over werk en thuis en zo wordt er dagelijks (liefst liefdevol) gecommuniceerd. Zo vorm je een gezinnetje en wordt het gezinnetje een team. Samen leef je je kindje goed voor en samen neem je daar verantwoordelijkheid voor. En wees niet bang elkaar aan te spreken wanneer de een niet begrijpt waarom de ander iets doet want dat ben je juist aan elkaar verplicht. Omdat het zo belangrijk is wat er met het kindje gebeurt. Want het kindje is onderdeel van de toekomstige maatschappij en hoe die eruit ziet daar hebben wij ons aandeel in.
Engels.
Ze komen met zijn vieren uit school. De twee tienjarige jongens voorop, op enige afstand volgt opa met het meisje van acht. De jongens zijn druk aan het praten, Engels met een verbazend goede uitspraak en intonatie.
We gaan allemaal zitten voor de lunch en de gast aan onze tafel vraagt of ze straks met nog een vriendje op de televisie mogen gamen. Hij schakelt voor mij over op Nederlands. Ik antwoord dat dat natuurlijk mag, een uur, als ze daarna lekker gaan buitenspelen. Ik weet dat ik dit niet hoef te zeggen want behalve dat deze kinderen graag gamen, mogen ze ook graag buiten spelen.
Aan tafel wordt door elkaar Nederlands en Engels gesproken en wanneer opa er net iets van wil zeggen (hij vindt al dat Engels eigenlijk wel wat overdreven) herinnert ons meisje ons aan de afspraak die in het gezin is gemaakt dat, wanneer er iemand bij is die geen Engels verstaat, er Nederlands moet worden gesproken. De jongens schakelen over op hun moederstaal en maar een enkele keer vergeet een van de twee het.
Wanneer ze met z’n drieën aan het gamen zijn valt me op enig moment op dat er twee commentaar geven en ik één steeds niet hoor. Na beter luisteren merk ik dat de twee oudsten weer zijn overgeschakeld op het Engels. Mijn: “Jongens!” is genoeg. De voertaal wordt weer Nederlands en ook de derde gamer reageert weer op wat er op het scherm gebeurt en op het commentaar van zijn medegamers.
Ik verbaas me er altijd weer over dat de kinderen meestal direct reageren wanneer we hen ergens op aanspreken. Tegelijk is dat ook wat ze hebben geleerd en daarmee aangeven dat je met hen heel goed afspraken kunt maken mits we ons daar met elkaar aan houden en er iemand is die erop let.
Probleemkind of kind met problemen.
Toen ik nog docent en leerlingbegeleider was op een MBO, had ik dagelijks met kinderen te maken die het zichzelf en ons wel moeilijk maakten. Ze waren te vaak afwezig, hadden hun werk niet voor elkaar, hun boeken niet mee en vaak vielen ze van meerdere opleidingen uit. Soms zeiden ze (met het idee dat MBO voor hen te gemakkelijk was): “Maar ik heb HAVO gedaan, mevrouw,” en dan zei ik keihard: “Nee, je hebt erop gezeten maar je hebt het niet gedaan, anders zat je nu niet bij ons,”
Op mijn woorden is nog steeds niets af te dingen, want zo is het. Iemand die ‘HAVO gedaan’ heeft komt niet op het MBO terecht want die heeft een HAVO diploma en daarmee een startkwalificatie. Maar ze waren wel keihard, die woorden, als je beseft dat het 9 van de 10 keer kinderen met problemen betreft.
Hoe vroeger kinderen die problemen krijgen en hoe langer deze problemen blijven aanhouden, hoe groter de kans is dat dit kind meer en meer probleemgedrag gaat vertonen. Het is niet fijn om van een hoog niveau naar een lager niveau te moeten afstromen en soms gaat het lager en lager. Zeker als je beseft dat je dat hoge niveau wel zou kunnen halen. Het is het probleem van het kind maar is het daarmee een probleemkind?
Kinderen hebben ouderen nodig om hen te begeleiden. In een goede verstandhouding zou ik zeggen liefst hun eigen ouders. Als het kan binnen één gezin. Als dat niet kan zou het nog steeds goed zijn als die begeleiding komt van hun eigen ouders.
Kinderen hebben sturing nodig en dat kan alleen maar met aandacht en goede (liefst, liefdevolle) communicatie. Het is dus belangrijk dat ouders aandacht voor hun kind hebben en met hun kind communiceren wanneer het aan hun zorg is toevertrouwd. Bij ouders die zichzelf verdeeld hebben (alleen of met een nieuwe relatie of gezin) betekent dat een goede communicatie met hun ex(geliefde). Trots, angst, verdriet, alles wat daarbij in de weg zit is groot en naar … maar mag niet het probleem zijn van het kind.
Goede bonusouders (ik hoor zo vaak over bonuskinderen dat er dus ook bonusouders zullen zijn) kunnen een waardevolle aanvulling zijn voor deze kinderen … maar geen vervanging van eigen ouders.
Laten we nooit meer spreken over probleemkinderen en onderkennen dat onze kinderen met problemen ons nodig hebben. Dat wij onderdeel zijn van hun probleem. Als we dat onderkennen is het misschien gemakkelijker om erachter te komen wat er voor het kind nodig is om zijn problemen (samen) te kunnen oplossen. Misschien is een eerlijk, liefdevol gesprek daar een goede opening voor en dan moeten we ook aan het kind kunnen bekennen dat we het moeilijk vinden en ons realiseren dat wij onderdeel zijn van zijn probleem.