Hulpverlening

Ik was 28 en we hadden een kleintje van 3 en een baby van 4 maanden. Ik kwam bij een psycholoog terecht met wat ik noemde ‘een jaloezieprobleem’ en wat hij, later, benoemde als ‘verlatingsangst’. We hadden samen 12 sessies van drie kwartier en menig keer had ik geen idee waar we heen gingen. Tot hij die, voor mij, legendarische woorden sprak: ‘U moet niet verwachten dat een ander voor u het Paradijs maakt,’ Toen  viel opeens ‘het kwartje’. Hij sprak mij aan op mijn eigen verantwoordelijkheid. Volkomen terecht. Hoe het ook in het verleden was gegaan, ik was volwassen inmiddels en had een gezin waarvoor ik verantwoordelijkheid moest nemen, inclusief, of misschien wel juist, voor mezelf.

Na deze psychologische hulp heb ik nog twaalf en een half jaar een zelfhulpschrift bijgehouden. De hulpverlening was klaar met mij, maar ik nog niet met de hulpverlening. Wel begreep ik inmiddels dat ik degene was die mijzelf kon bijsturen, veranderen waar ik niet tevreden over was. En ik had daarbij mijn zelfhulpschrift nodig.

Toen een jaar na elkaar onze ouders overleden, ons jongste zusje daar zeven maanden na en één van onze broers leed aan botkanker riep ik weer psychologische hulp in. Deze dame deed niet veel meer dan luisteren maar het hielp mij toen, onze verliezen te verwerken. Omdat ik het ook moeilijk had op school kreeg ik, van school, een coach toegewezen die mij in vier sessies liet zien dat ik ook daar degene was die de nodige verandering tot stand kon brengen.

Elk van deze hulpverleners heeft mij een stukje verder gebracht in het omgaan met mijn problemen. Sommige problemen heb ik pas jaren later het hoofd kunnen bieden door steeds bezig te blijven met wat de hulpverleners mij hadden meegegeven. Wellicht heb ik geluk gehad dat ik daadwerkelijk zo ben geholpen. Maar ik heb ook geholpen met het inzicht dat de eerste psycholoog mij kon geven…dat niet een ander, maar ikzelf mijn ‘paradijs’ kon maken door zelf verantwoordelijkheid te nemen.

Help jezelf je problemen te overwinnen door hulp aan te nemen, die je wordt ‘verleend’. Door te begrijpen dat mensen je kunnen helpen maar niet je problemen oplossen, want dat kun jij het beste zelf.

Het moet echt stoppen

Haar ware verhaal is in twee boeken verwerkt. Een draagt de titel: Mijn ware verhaal, de andere heet: Maar buiten is het feest. Heel nauwgezet wordt in het eerste boek verteld hoe het gaat wanneer je niet veilig bent op de plek waar je juist veilig moet zijn. Hoe je in shock bent omdat, wat jou als klein meisje wordt aangedaan, voor jou niet te bevatten is en ook niet te (ver)dragen. Hoe je geest wegdrijft van wat er gebeurt, zich scheidt van je lichaam, omdat je het (gebeuren) anders niet overleeft. En hoe je er toch ‘aan went’ omdat het steeds weer gebeurt, dat onvoorstelbare, dat enorm gewelddadige dat een volwassen man jou, het kleine meisje, aandoet.

Hoe kan dit gebeuren? Nederland is een beschaafd land. Met wetshandhavers! Met hulpverleners!

Woonde dit meisje in een hutje op de hei? Nee, gewoon in een stadje, met heel veel buren om haar heen, met een gezin in haar huis, met een moeder…die helaas niet in staat was haar meisjes te beschermen tegen de ‘bully’ die ze trouwde nadat haar man haar, en de kleine meisjes, had verlaten.  

Mijn hart huilt om dit gezin, ook al is het allemaal al decennia geleden gebeurd. Er blijft altijd pijn omdat het leed van zo’n jeugd onverdraaglijk is. Daarom ook bewonder ik de dame die gegroeid is uit dat kleine meisje van toen. De rechtszaken  die ze met haar moeder en zussen tegen de man heeft aangespannen en gewonnen.

Ik las ergens dat een persoonlijk verhaal ook altijd een universeel verhaal is. Seksueel misbruik komt schrikbarend veel voor. Al die kleine en jonge meisjes, soms ook jongetjes, die in hun eigen huis bedreigd in plaats van beschermd worden. Dat kan wanneer mensen weg kijken. Dat kan wanneer we vinden ‘dat we ons niet met elkaar moeten bemoeien’.  Dat kan wanneer ouders, of één van de ouders, niet sterk in hun schoenen staan. Dat kan wanneer instanties ‘maar wat doen’, in plaats van de gezinnen daadwerkelijk te helpen.

Dit moet stoppen. Echt stoppen. Misschien kunnen we proberen zorg uit te spreken tegenover een ouder waarvan we vermoeden dat er problemen zijn binnen het gezin. Dat vraagt heel veel moed en ik hoop dat ik die moed heb wanneer ik zelf een keer op zo’n situatie stuit.

We kunnen met elkaar niet accepteren wat onacceptabel is.

Dapper-spier

Hij is even naar beneden gerend, waar hij woont, en komt weer naar boven rennen, waar ik woon, met een stuk speelgoed in zijn hand. Zijn broer is vlak daarvoor naar boven komen stormen om dringend van ons toilet gebruik te maken. Hij kijkt een beetje verwilderd en ik vraag: ‘Alles goed jongen? Heb je beneden iemand gezien?’ ‘Nee,’ antwoordt hij, en dan zegt hij iets dat ik niet versta. ‘Wat zeg je?’ vraag ik. Ondertussen is zijn broer weer de kamer in gekomen en zegt: ‘Maar tati was wel beneden hoor,’ en dan zegt het jongetje weer: ‘ik heb wel mijn dapper-spier getraind.’

Met twee kleine jongetjes om me heen gebeurt er altijd zoveel tegelijk dat ik er eerst niet verder bij nadenk. Later, wanneer de jongetjes weer lang en breed bij hun mamma beneden zijn denk ik er wel over na. Ik vind het precies een woord voor dit gezin, ‘dapper-spier’. Ik denk dat het betekent dat, wanneer je iets doet wat je spannend of moeilijk vindt en het toch doet, je je dapperheid traint en dat vind ik wel heel goed.

Vanaf dat we klein zijn moeten we dingen leren en dingen doen die we moeilijk of eng kunnen vinden, of misschien niet willen. En toch moeten we het doen.  Zo lang we jong en klein zijn gebeurt het allemaal in onze eigen kleine kring. Onze ouders letten op ons en er kan ons niet zoveel overkomen. En toch is het verstandig om, zoals in dit gezin wordt gezegd, dan al je ‘dapper-spier’ te trainen.

We zijn allemaal individuen, met ieder onze eigen karakters, goede, slechte, moeilijke en gemakkelijke eigenschappen. Die nemen we mee de grote wereld in en dan moeten we ons redden met hoe we, in onze jeugd, ermee hebben leren omgaan. Angst, frustratie, overmoed en ook brutaliteit kan ons aardig in de weg zitten bij het prettige leven dat we kunnen hebben. Daarom is het goed op tijd te beginnen met reguleren van wat wij, als ouders, goed vinden voor ons gezin.

Laten we allemaal onze kinderen helpen hun ‘dapper-spier’ te trainen. Let op wat ze moeilijk vinden en help ze daarbij, door vooral duidelijk te laten weten hoe wij, als ouders het willen. Ervan uitgaande dat we voor onze kinderen en onszelf het beste willen: een prettig en veilig leven met liefdevolle communicatie.

Wat we nodig hebben is goed naar elkaar kunnen kijken en luisteren, en respect tonen voor het mooie, individuele wezen dat we allemaal zijn en daarbij hebben we zeker onze ‘dapper-spier’ nodig.

Hoe ‘werkt’ het…of eigenlijk…juist niet

Sinds ik een paar vuilniszakken vol zwerfvuil heb opgeruimd kan ik niet meer over straat zonder het zwerfvuil op te merken. Zo liep ik dit weekend langs de speeltuin en zag in de bosjes duidelijk wat blikjes en flesjes liggen. Dit is geen vuil wat de bosjes in waait. Dit is vuil dat er gedumpt is, terwijl dichtbij, aan de andere kant van de bosjes, bij ieder bankje een afvalbak hangt.

Bij mijn opruimrondje afgelopen maandag heb ik niet alleen dat vuil uit de bosjes gegrepen maar ook het voetbalveldje en de omgeving ontdaan van het afval dat daar lag. Aan de kant gewaaid of geschopt. En ik vroeg mezelf af: ‘Hoe werkt dat?’ Ik heb laatst, op een vroege avond wat oudere jeugd bij elkaar gezien in die speeltuin. Misschien is het afval door die oudere jeugd weg gegooid.

Een paar jongeren zitten bij elkaar wat te drinken en wellicht te eten. Ze kletsen en hebben plezier. Voordat ze naar huis vertrekken gooien ze de lege verpakkingen niet in de afvalbak maar in de bosjes. Omdat de afvalbak niet naast, maar enkele meters bij hun vandaan hangt? Omdat het ‘niet cool is’ om het netjes in de vuilnisbak te gooien? Omdat ze gewend zijn alles op de grond te gooien?

Ik dacht: ‘Misschien is het groepsgedrag?’ Oh, hij of zij doet het, dus doe ik het ook maar. Maar ik vind in andere bosjes solitaire flesjes en blikjes. Dan heeft er één iemand gelopen of gefietst (denk ik) en het leeggedronken flesje of blikje hup in de bosjes gesmeten. Dat is dus geen groepsgedrag.

Het is veel gevraagd van een jongere om zijn afval in de afvalbak te gooien wanneer zijn vrienden het in de bosjes gooien. Maar misschien kunnen we onze kinderen leren het gewoon als eerste te doen wanneer ze een lege verpakking hebben. Dan kunnen de vrienden dat voorbeeld volgen…of niet. Maar dan hoeft het voor de jongere geen dilemma te zijn. En we kunnen onze jonge kinderen al wijzen op de afvalbakken en ze leren dat daar het afval in hoort.

Dan werken we spelenderwijs samen aan een beter en schoner milieu.

Apps op mijn telefoon

Ik heb apps op mijn telefoon. Apps die ik dagelijks gebruik. Duolingo is daar één van. Het is een Engels-Spaans app en ik ben die begonnen toen ik niet meer wekelijks fysiek Spaanse les had. In het begin is het veel herhaling, en zo leer je een taal. Ik ben inmiddels gevorderd tot verhaaltjes en podcasts. Ik negeer alle reclame en aansporingen om de betaalde lessen te nemen en krijg daardoor nog nauwelijks punten. Ik verlies ook nog nauwelijks ‘hartjes’ binnen een lesje.

Verder heb ik Wordfeud. Ik speel dat met vijf mensen. Voor ik het speelde vond ik het stom (terwijl ik het niet eens kende) maar nu vind ik het een uitdaging om er zo veel mogelijk punten mee te halen. Net als Duolingo vind ik het ook een goede manier om mijn hersenen aan de gang te houden.

LinkdIn en Twitter bekijk ik meestal 1x per dag. Ik zet er mijn blogs op en zie graag de reacties daarop. Verder wordt mijn aandacht via LinkdIn gevestigd op artikelen over kwetsbare kinderen en daar zijn vaak mooie verhalen over en soms ook verhalen die mij weer inspireren tot het schrijven van een blog.

Onlangs las ik op LinkedIn dat iemand zich uitsprak over het groeiende aantal reclames over kansspelen. Reclames die voor kwetsbare jongeren gevaarlijk aantrekkelijk kunnen zijn. Reclames die ook nog eens worden aangeprezen door bekende Nederlanders van wie ik me afvraag of ze niet weten of begrijpen dat ze een voorbeeld zijn of zouden moeten zijn voor jongeren. Dan vraag ik me oprecht af of de geldelijke beloning voor zo’n reclame maken zo groot kan zijn, dat dat hun blik vertroebelt. Zou dat echt kunnen?

Toen realiseerde ik me dat ook in de reclames die ik in de apps zie steeds vaker hoge beloningen worden ten toon gespreid voor spelletjes als ‘Bingo’. Dat je verschillende mensen ziet met een cheque met een enorm hoog bedrag erop. Ik negeer dat en realiseer me dat er genoeg mensen zijn die dat niet kunnen en erdoor in de problemen kunnen komen.

In de LinkedIn post wordt gesproken over de schande dat de politiek zulke reclames toestaat en ik ben het daar ook wel mee eens…maar die bekende Nederlanders…ook…schande.  

Monogamie versus polyamorie

De 30 jarige Marlene heeft het gevoel dat haar twee jaar durende relatie, die ze een superfijne relatie noemt, is uitontwikkeld. Ze heeft een huis, een goed betaalde baan en een rijk sociaal leven. Ze weet niet of ze kinderen wil, wat de enige logische vervolgstap lijkt op het kaarsrechte spoor waarop ze zich begeeft. Marlene verlangt naar een open relatie. Ze houdt echt van haar vriend maar vraagt zich af waarom hun bestaan er zo conventioneel uitziet. Monogamie, volgens haar inperking van elkaars vrijheid en welk weldenkend mens kan daarvoor zijn, is onmogelijk. Tot zover Marlene’s verhaal in de rubriek ‘de liefde van nu’ in Volkskrant Magazine van 6 november 2021.

Ik heb vaker gelezen dat mensen zeggen dat ‘monogamie niet kan’. De mens zou daarvoor niet gemaakt zijn. Ik heb daar best vaak over nagedacht toen we een stuk jonger waren en nog niet zoveel van elkaar wisten als nu. Ik was erg onzeker en beschermde onze relatie zodanig dat ik bij deze en gene te boek stond als vreselijk jaloers. Ik was bang dat ‘iets wat niets voorstelt’, zoals wel werd gesproken over vreemdgaan, tussen ons iets blijvend stuk kon maken. En tegelijk dacht ik ook wel eens: ‘Misschien doe ik er wel heel spastisch over en maakt dat juist iets tussen ons kapot,’.

Na bijna 40 jaar een monogame relatie weet ik dat wij het gewoon zijn. Wij zijn monogaam. Wij perken elkaars vrijheid op bijna geen enkel gebied in. We gaan ook los van elkaar met mensen om. We zeuren niet en maken geen ruzie, al heel lang niet. En dat we dat vroeger deden (ik, zeuren) had met onze jong- en onervarenheid te maken. We hebben liefde op de eerste plaats voor elkaar, ons gezin en onze familie en intiem zijn we met elkaar (niet met anderen) omdat we dat willen.

Ik vind twee jaar wel erg kort om je relatie al uitontwikkeld te hebben maar misschien kan dat. En ik weet dat je ook zonder open relatie niet op een kaarsrecht spoor hoeft te blijven. Wij hebben, gedurende onze lange relatie, meestal gekozen op basis van impulsiviteit en verwondering, zoals Marlene zegt te willen. En daarvoor hebben we geen open relatie nodig.

Ik denk eigenlijk dat wel of niet monogaam zijn in de genen zit. En ik denk dat het meestal wel in één van de mensen binnen een relatie kan zitten. De ander kan dan verrast worden door zijn of haar partner te verliezen, aan een ander monogaam persoon.

Tropenjaren

Het hebben van kleine kinderen brengt een enorme hoop werk met zich mee. En veel stress en zorg. Het was onze keuze dat ik voor de kinderen ging zorgen, toen eerst onze oudste kwam en drie jaar later onze tweede baby. Ik was op mijn 16de fulltime gaan werken en had, toen de eerste baby kwam, al acht jaar gewerkt. Mijn man is wat later begonnen met werken en we besloten dat ik van 40 uur werken per week terug ging naar 9 uur werken per week tot uiteindelijk een 0 uren contract.

Ik vond het heerlijk thuis voor mijn kleine meisjes te zorgen. De zorgen en ongemak, die wij in die jaren hadden, hadden het minst met hen te maken. Ik heb niet de illusie dat ik het met hen perse goed deed of beter dan dat een ander voor ze zorgde, maar ik wilde het zelf, ze waren in mijn beleving vooral onze zorg.

Ik heb voor de meisjes gezorgd, met ze gespeeld en ik heb ze voorgelezen. We namen ze overal mee naar toe en legden ze te slapen waar we waren, ook als we ’s avonds op visite gingen. Ik was ‘coach, verzorger, entertainer, kok, docent én speelkameraadje’, zoals een moeder, die ervoor koos om een jaar thuisblijfmoeder te zijn, verwoordde in een interview. Maar ik heb me nooit, zoals zij deed, afgevraagd: ‘Maar wie ben ik zelf nog?’ Want ik ben gebleven wie ik was en wie ik ben.

In de jaren dat ik thuisblijfmoeder was haalde ik, met thuisstudie, twee certificaten HAVO waarvoor ik in twee jaar tijd ruim 40 boeken heb gelezen, omdat het om Nederlands en Engels ging. Het was uiteindelijk een goede voorbereiding op mijn deeltijd HBO studie Engels tweede graad, die ik begon toen de meisjes vijf en acht waren. Toen had ik niet alleen de zorg voor de meisjes en het huishouden maar had ik er ook nog een parttime baan bij. En mijn man hielp mee wanneer en waar hij kon. We waren, wat dat betreft, wel een team.

De jaren dat de kinderen klein zijn noem ik tropenjaren. Alles kost veel tijd, moeite en energie. Het maakt eigenlijk niet uit of je ze naar de opvang brengt, of zelf voor ze zorgt. Of jij jezelf kunt blijven heeft te maken met hoe goed je voor jezelf blijft zorgen. Hoe scherp je kunt blijven om de goede keuzes te maken. Dat betekent genoeg slapen en samen met je partner (wanneer je die hebt) communiceren over wat goed voelt voor iedereen. En vooral wanneer je geen partner hebt, zorgen voor een netwerk die je van tijd tot tijd opvangt.

Wie je zelf bent, dat bepaal je zelf. Daarvoor moet je enorm veel verleidingen weerstaan die er zijn in deze tijd en maatschappij. Sociale media, advertenties die je spullen aanbieden voor bijna niets en die je aan de voordeur worden afgeleverd. Ten koste van wat, wie, of misschien wel je eigen gemoedsrust. Je kunt kijken naar wat andere mensen hebben en daartoe misschien wel verleid worden. En misschien kun je beter kijken naar wie andere mensen zijn en of je wel of niet op ze wilt lijken.

De tropenjaren met je kinderen duren echt maar heel kort en blijf in die tijd vooral eerst goed voor jezelf zorgen.

Stel je voor…

Hoe zou het zijn als elke dag, uit elke straat iemand een kwartiertje erop uit zou gaan om het zwerfvuil op te ruimen. Bij toerbeurt twee of drie personen in een heel lange straat. De parken, bossen en stranden zouden overblijven voor de gemeentemedewerkers om schoon en netjes te houden. Wat zouden we een schoon, net en milieuvriendelijk Nederland hebben.

Hoe zou het zijn als alle mensen zich als mensen konden gedragen. Van andermans spullen afbleven en van andere mensen af konden blijven. De hulpverlening zou beschikbaar zijn, en hun werk goed kunnen doen, voor de mensen die hen nodig hebben. Omdat ze ziek zijn en echt hulp nodig hebben. Er zou zoveel minder angst, verdriet en onrust zijn.

Hoe zou het zijn als meer oorspronkelijke gezinnen bij elkaar konden blijven. Als binnen die gezinnen zo goed gecommuniceerd kon worden dat er meer begrip en compassie voor elkaar zou kunnen zijn. Dat de liefde de kans kreeg sterker te worden en daarmee de gezinsleden aan elkaar kon verbinden. Er zou minder geld nodig zijn voor de kosten van een scheiding en er zouden veel minder huizen nodig zijn. Bovenal zouden meer kinderen bij hun eigen ouders op kunnen groeien en daarmee meer rust in hun leven hebben.

Hoe anders zou de maatschappij zijn wanneer we bewuster in het leven konden staan. Wanneer we allemaal zouden begrijpen dat wijzelf verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dat wijzelf, in hoge mate, de regie over ons leven kunnen hebben.

We hoeven niet te kijken naar een ander. We hoeven niet te wijzen naar een ander. Kijk naar jezelf. Wat voor echtgenoot, partner, ouder, kind, broer of zus, wat voor vriend, kennis, werknemer ben je. Wat voor mens ben je.

Hoe zou het zijn als niet de oppositie alles zou afbranden wat de regering probeert voor ons land te doen. Als politici eerlijk zouden zijn over wat ze daadwerkelijk niet goed doen of hebben gedaan. Als ze zich niet verschuilen achter ‘daar geen herinneringen meer aan hebben’. Als ze een betere afweging konden maken tussen het belang van de mensen en het belang van de economie, die echt niet eindeloos kan blijven groeien.

Hoe anders zou ons mooie land eruit zien wanneer we ons daadwerkelijk met elkaar zouden verbinden, en niet vooral via sociale media. Wanneer we onze kinderen leren verantwoordelijkheid voor zichzelf en soms een ander te nemen. Wanneer we elkaar kunnen aanspreken zonder ons ‘aangevallen’ te voelen. Dat we graag bij elkaar willen zijn en niet omdat het moet.

Ik geloof dat de maatschappij anders kan zijn en ik geloof dat ‘goed gedrag’ begint in het gezin. Wanneer we oog hebben voor elkaar en onze kinderen. Wanneer we hun en ons belang voorop stellen. We hebben niet veel spullen nodig en geld en status is mooi…maar zeker niet het belangrijkste.

Merry Christmas Everybody

Toen onze kinderen nog klein waren kreeg mijn liefste voor zijn verjaardag, ongetwijfeld van een goede vriend, een cd. We hadden nog geen cd speler en het was een mooie gelegenheid om die te kopen. We vonden een goede, en voor ons betaalbare speler, in een klein winkeltje in het centrum. Bij het afrekenen griste (en betaalde) ik de voorste cd uit een rekje op de toonbank, zo hadden we er in ieder geval twee.

Welke cd wij ooit als eerste kregen weet ik niet meer, maar de tweede cd was een kerst cd met een beetje suffe voorkant. Naast de titel ‘Merry Christmas Everybody’ staat schuin afgebeeld een halve, eenvoudig getekende, dennenboom met muziekinstrumentjes erin gehangen en erachter wat notenbalken met muzieknootjes. De samenstelling van liedjes, kerst en wintersongs vind ik, na ruim dertig jaar, nog steeds geweldig. De cd begint met het a capella begonnen ‘Sleigh Ride’, uitgevoerd door de Carpenters, gevolgd door het bijzondere ‘David’s song’ van de Stoneage achtige Kelly Family met de jonge jongen met zijn volwassen stem.

De cd heeft 18 nummers, bekend en onbekend, uitgevoerd door solisten als Elton John (Cold as Christmas) en Rita Reys (Have yourself a merry little Christmas), bands als Abba (Happy New Year) en Slade (Merry Christmas Everybody) en het instrumentaal uitgevoerde ‘Santa Claus is coming to town’ door Bert Kaemfert, een artiest van wie ik nog nooit gehoord had.

Ik was, en ben nog steeds, gek op die cd. We hebben hem jarenlang gedraaid van oktober tot en met maart totdat mijn liefste dat te gek vond en wij dat aanpasten tot draaien van november tot en met februari. En nog steeds begint het bij mij te kriebelen wanneer ik begin november de kerst cd, nog niet heb gedraaid.

Ik heb het eerste exemplaar letterlijk stuk gedraaid. Gelukkig had een bevriend stel diezelfde cd in de kast staan, door hen misschien één keer gedraaid, en stonden zij die liefdevol aan ons af. Daardoor kan ik er ook dit jaar, en nog heel lang, van genieten.

Door het steeds weer draaien van deze cd heb ik veel kerstherinneringen aan de jaren dat onze kinderen nog klein en van ons afhankelijk waren. De kersttruitjes die ik voor ze breidde toen ze twee en vijf waren. Hun glimmende koppies erboven die we ook vastlegden op de foto, samen zittend voor de kerstboom. De dagen dat ik bij Albert Heijn werkte tot aan kerstavond en de feestelijke pannenkoeken die de meisjes toen gebakken hebben als verrassing bij mijn thuiskomst. De kerstavond dat ik met mijn oudste de wijk rond fietste om nog zoveel mogelijk kaarten te bezorgen omdat ik door de drukke studietijd geen tijd had gehad om ze allemaal op te sturen. De kennis die die avond was komen aanwaaien en die we uitnodigden bij ons te blijven kersteten, het diner met de rollade die ik van tevoren had klaargemaakt.

Fijne kerstdagen allemaal en dat we weer mooie herinneringen mogen maken.

Herinneringen

1963 Ik ben vier en mijn broer is zes. Hij heeft bij het steppen (ik voorop zittend, hij staand steppend) per ongeluk op mijn rokje gestaan waardoor er een scheur in is gekomen. Ik maak me een beetje bezorgd om mijn moeder. Omdat ze zou mopperen? Of omdat ze al zoveel werk heeft met al haar kinderen. 1964 Ik ben vijf en loop naar huis, al in onze straat. Een buurmeisje (zes of zeven) vraagt of ik meega achterop haar fietsje. Ze slingert een beetje en opeens lig ik op de grond met mijn enkel kapot. Er gaapt een groot gat waar veel bloed uitstroomt. Een buurmeisje komt met een deken en mijn vader wordt geroepen. In zijn armen op weg naar de in de haast gebelde taxi roep ik: ‘Doe er maar een pleister op, ik wil er een pleister op!’ 1966 Ik ben zeven en mag één van de zeven dwergen spelen in ‘Sneeuwwitje’. Van het schooloptreden weet ik niets meer maar ik weet nog precies welke zus mij kwam ophalen nadat we voor de lieve oude mensen in het Menno Lutterhuis (het laatste huis waar onze ouders hebben gewoond) hebben opgetreden. 1968 Ik ben negen en ik val, samen met mijn nichtje, van een pony. Ik breek mijn arm net onder de elle boog en mijn pols. In de drie weken (!) dat ik in het ziekenhuis lig komt mijn hele familie op bezoek.

1969 Ik ben tien. Mijn broer is naar de groenteboer gegaan om aardappels te halen. Ik sta voor het raam naar hem uit te kijken. Ik ben blij wanneer ik hem in het donker ontwaar, zijn pet met de oorkleppen op en achter zich aan de slee trekkend met de zak met aardappels erop. 1971 Ik ben twaalf. We zijn op schoolreisje. Ik zit met een vriendinnetje in de speeltuin wanneer Robbie voorbij komt lopen. We roepen hem plagend iets toe, wetend dat hij daarvan in de war zal raken. Pas dan zien we dat de meester achter hem loopt. Hij kijkt ons verwijtend aan en zegt: ‘Niet doen, dat is niet leuk,’

1972 Ik ben 13. Als enige twee brugpiepers (heette dat toen al zo?) mogen mijn vriendinnetje en ik meedoen met een jongensband uit de tweede klas. We zingen van de Beatles ‘All my lovin’’ en ‘Octopus Garden’ (hier is mijn liefde voor het podium ontstaan). 1976 Ik ben 16. Het is Valentijnsdag en ik sta te dansen met de jongen op wie ik al maanden smoorverliefd ben. Ik ben in de zevende hemel, terwijl ik weet van het meisje dat daags daarna van hem ‘de bons’ krijgt. 1978 Ik ben 19 en krijg op mijn beurt van hem ‘de bons’. Ik weet dan al van zijn ontrouw (ook in onze relatie) en blijf toch nog lang van hem houden. Ik ga alleen wonen in het huis dat ik niet meer af durfde te zeggen (daardoor ging ik op mijn negentiende uit huis) en waarvan hij nooit heeft gezegd met mij te gaan wonen.

1981 Ik ben 22 en trouw met de man met wie ik meer dan drie jaar samen ben geweest, terwijl mijn hart hing aan die ander. 1982 Ik ben net 23 geworden en kijk in de ogen van de (jonge)man, voor wie ik niet alleen het huwelijk liet stranden, maar die voor altijd mijn leven veranderde.