Voetballen? Dat is toch partijtje?

Het mannetje staat in zijn voetbalpakje klaar om te gaan. Hij gaat met mamma naar het voetbal. Kijken of hij dat leuk vindt. Hij is immers altijd aan het voetballen in de speeltuin met pappa. Zijn vriendje voetbalt al bij de mini’s en daar gaat hij nu ook meedoen. Proef voetballen als het ware.
Aangekomen bij het veld gaan zijn gymschoenen uit en de voetbalschoenen aan. Jas uit en naar de trainer. De trainer staat in het midden van het veld en blaast op een fluit. De spelertjes rennen allemaal naar hem toe en geven hem een hand. Dat hoort zo. Het kleine mannetje loopt schoorvoetend naar het midden. Hij is niet zo’n held. Eerst even de kat uit de boom kijken en als het goed is, dan gaat hij vanzelf ook meedoen. De trainer steekt zijn hand uit om hem te begroeten. Hij zegt zijn naam. Het kleine handje van het mannetje verdwijnt in die van de trainer. De eerste kennismaking is een feit.
Op het veld staan allemaal pionnen. De trainer pakt de zak met ballen en legt de bedoeling uit. Achter elkaar gaan staan met de neus richting een doel, dat ergens in de verte staat. Met de bal naar voren en om de pionnen heen. Dat is de bedoeling. Aan het einde stoppen en omdraaien. De eerste kinderen komen in beweging.
Op een afstandje staat mamma. Hij kijkt haar aan. Zij denkt te herkennen dat hij nog niet ontdooid is. Daar staat hij dan, in zijn voetbalpakje, met de andere kinderen. Z’n eerste voetbaltraining.
Dan moet hij met de bal naar voren. Om een paar pionnen heen en dan weer stoppen. De trainer zegt dat hij mag beginnen. Hij blijft stokstijf staan. De trainer moedigt hem aan. Dan, heel voorzichtig, schuift hij naar voren. Hij raakt de bal eerst met zijn linker voet. Speelt de bal voorbij de eerste pion. Loopt er achter aan, stopt de bal en doet dat nog eens maar nu met zijn rechter voet. Zo overbrugt hij de 20 meter vooruit. Alle ogen lijken op hem gericht.
Als hij achteraan sluit ziet mamma dat hij met zijn mouw een paar tranen van zijn wang afveegt. Mamma steekt nog een duim omhoog dat het goed ging, maar hij heeft er geen aandacht voor.
Het uur verstrijkt. Na de eerste oefening volgen nog een aantal andere. Niet alleen vooruit met de bal maar ook zijwaarts en zelfs achteruit. Dat is belangrijk zegt de trainer want je moet de bal steeds kunnen verplaatsen. Je moet de baas over de bal worden.
De trainer blaast weer op zijn fluit. De training zit er op. De ballen gaan weer in de zak en iedereen kan weer gaan. Tot volgende week. De volgende groep staat al klaar.
Het kleine mannetje loopt naar mamma. “En? Was het leuk?” vraagt mamma. Hij barst in tranen uit. “Dit is helemaal geen voetbal. Dit zijn oefeningen.” roept hij teleurgesteld. “Voetbal is partijtje. Zoals met pappa, in de speeltuin.”

Gastblog van Peter Jeltema

Het is belangrijk wat jij doet.

Er zullen altijd mensen scheiden. Het samengaan van twee mensen is vaak een moeilijk gebeuren met enorme impact op minimaal twee levens. Daarom is het superhandig als er in beginsel liefde is. En dat die liefde eerlijk, oprecht en sterk is. Want hoe moeilijk het ook is, het maakt het wel gemakkelijker en geeft ook zin aan het samenzijn.
Ik had zelf drie relaties nodig om mijn grote liefde te vinden. In de eerste was ik 16 toen de relatie begon en 19 toen ik ontgoocheld achterbleef. De tweede duurde van mijn 19de tot mijn 23ste en voor mijn grote liefde verliet ik mijn toenmalige echtgenoot na een half jaar huwelijk. En al was het pijnlijk (en voor hem en zijn familie heel erg), ik vond het terecht en mijn huwelijk met mijn grote liefde duurt al bijna 36 jaar.
Op het gebied van relaties heb ik dus wel wat gezien en meegemaakt. Ons heel grote geluk is geweest dat in ons huwelijk de kinderen kwamen. En was de opvoeding probleemloos? Ik weet dat veel mensen denken dat een gelukkig huwelijk een utopie is maar ik maak het toch echt zelf al lang mee en ook bij meerdere mensen om ons heen. Kinderen probleemloos opvoeden, dat is echt een utopie. Dat bestaat niet.
Ook een gelukkig, langdurend huwelijk is niet aldoor gelukkig. Altijd gelukkig is ook nooit gelukkig, altijd mooi is ook nooit mooi, een mooie wijsheid van mijn schoonmoeder. Je moet er veel voor overhebben en als je van elkaar houdt gaat dat vaak gemakkelijk. Er mag geen sprake zijn van een weegschaal en ook een relatie die totaal uit balans is werkt niet.
De verhalen die ik hoor van mensen die gescheiden zijn, altijd met kinderen die de dupe zijn van die scheiding, verbazen me vaak op hetzelfde vlak. En dat is dat van de ex en zijn of haar familie. Het lijkt vaak alsof de ex en de ex-schoonfamilie na die scheiding alles verkeerd hebben gedaan en de mensen die ik spreek alles goed doen. In mijn ogen kan dat niet. Simpelweg vanwege actie en reactie of gewoon interactie. Ik raak daar altijd van in de war en begrijp helemaal dat het voor kinderen niet te doen is daarmee om te kunnen gaan. Zij zijn nog steeds het kind met loyaliteit naar beide ouders en beide families. Bloed van hun bloed. Dat is de realiteit van de kinderen. Loyaliteit zit in je bloed. En dan wil de ene familie je vertellen of je laten voelen dat de andere familie, die geen bloed is van hun bloed maar wel van dat van jou, niet deugt. En terwijl jij gewoon het liefst evenveel tijd bij je pappa en bij je mamma wil zijn, zijn er redenen, waar jij niets van begrijpt of aan kunt doen (je zou het doen als je het kon), waarom dat niet kan. Ik begrijp wel dat een kind dat niet kan begrijpen en er niets aan kan doen. Ik begrijp dat omdat mijn blik door niets en niemand gekleurd wordt. Want ik neem geen deel aan dat proces.
Is dat waar? Nee, dat is niet waar. In mijn familie zijn meerdere mensen met kinderen gescheiden. De pijn die ik hierboven beschrijf heb ik bij meerdere nichtjes en neefjes gevoeld. Een van onze dochters is ook gescheiden en die scheiding maakten wij van heel dichtbij mee. Zijn hun kinderen beschadigd? Natuurlijk, net als alle andere kinderen van gescheiden ouders. Ze hebben een vreselijke tijd meegemaakt toen de scheiding nog vers en rauw was. Ze hebben daaronder geleden en wij hebben met elkaar met hen meegeleden. Maar we hebben ook ons best gedaan het voor de kinderen zo gemakkelijk mogelijk te maken. Hoe? Door er te zijn voor het gehavende gezin. Door ze bij ons te hebben logeren als dat voor de ouders nodig was. Door raad te geven als daarvoor werd open gestaan en vooral door er te zijn, gewoon er te zijn als ze ons nodig hadden.
Ik ben trots op de ouders van deze kinderen en de nieuwe man in het leven van onze dochter. Ik ben blij dat we nog steeds mogen oppassen in het nieuwe huis van het samengestelde gezin. Ik ben blij met de volwassen kinderen van onze nieuwe schoonzoon die ook met onze aanwezigheid hun modus hebben gevonden. En ik wens onze ex-schoonzoon het beste in zijn nieuwe leven waarbij wij ook sinds kort weer een beetje contact hebben, onze ex-schoonzoon en ik. Het is summier, maar het is genoeg. Hij is hun pappa, ik hun oma en daar kan niets en niemand iets aan veranderen omdat wij elkaar accepteren.
Het gaat er helemaal niet om wat de andere familie doet. Het is ook niet duidelijk wat ze doen, het is alleen duidelijk hoe jij, jullie daartegen aan kijken. Het gaat om wat jij doet. Omdat je invloed hebt op jezelf en op geen ander.

Je sterkste taal.

In Nederland worden, net als in andere landen, heel veel verschillende talen gesproken. Om ons heen ken ik gezinnen waar drie of vier verschillende talen worden gesproken. Ik ken een combinatie van Japans/Engels/Spaans/Nederlands, Spaans/Engels/Roemeens/Nederlands, Filipijns/Engels/Nederlands. En sinds ik zorg- en taallessen mag geven aan ouders van jonge kinderen weet ik dat er veel mensen Arabisch spreken en daarbij hun eigen taal. Of Mandarijn en daarbij hun eigen Chinese taal. En daarbij altijd Nederlands omdat hun kinderen op een Nederlandse school zitten.
Jonge kinderen kunnen gemakkelijk meerdere talen tegelijk leren spreken. Ik stel me voor dat daarbij de ene taal gemakkelijker gaat dan de andere of dat een periode de ene taal zich sneller ontwikkelt dan de andere. Hoe dit gaat heeft alles te maken met hoeveel er met de kinderen in een taal wordt gesproken.
Er zijn verschillende redenen te bedenken waarom je een kind verschillende talen aan zou leren. Een belangrijke reden is dat de meeste kinderen in meertalige gezinnen opa’s en oma’s hebben die geen Nederlands verstaan. Het is voor beide ‘partijen’ zowel voor de grootouders als voor de kinderen leuk en belangrijk om met elkaar te kunnen praten. Wanneer je niet goed met elkaar kunt communiceren kun je elkaar ook niet goed leren kennen. Daar is echt taal voor nodig.
Ik had zelf vroeger een oude oma die met het gezin van een van haar kinderen was mee verhuisd naar Nederland toen Indonesië onafhankelijk werd. De tante bij wie zij woonde bezochten wij regelmatig en omdat oma geen woord Nederlands sprak en wij geen woord Maleis konden we alleen maar naar elkaar glimlachen. Ik weet nog hoe jammer ik dat vond. Ik was er altijd op gespitst of oma mijn naam noemde want dan wilde ik onmiddellijk weten wat ze had gezegd.
In de zorg- en taallessen leer ik de ouders hoe belangrijk het is dat ze hun kind goed voorleven en hoe ze daarbij veel steun en veiligheid kunnen bieden. Om steun en veiligheid te kunnen bieden is er duidelijkheid nodig. Duidelijkheid in de vorm van een goede en duidelijke communicatie van ouder naar kind. Het is belangrijk dat je je eigen gevoel en dat van je kind, goed onder woorden kunt brengen. Onduidelijkheid kan voor een kind onveilig voelen en het kan hem enorm frustreren. Spreek daarom met je kind in de taal die je het best beheerst. De taal waarin je droomt … je sterkste taal.

De verbinding.

Je lief en jij zitten samen in de kamer, in de keuken, op het balkon, ergens … en opeens denk je: “Wat is hij stil. Er is iets,” “Wat is er?” vraag je, en hij antwoordt, “niks,” of je vraagt: “Hoe gaat het?” en hij zegt: “Goed,” En ondertussen voel je dat er iets is. Wat doe je dan?
Mogelijk denkt je dat het met jou te maken heeft. Dat kan dan zo zijn… en misschien ook niet. Waarschijnlijk heb jij ook wel eens iets dat je bezighoudt, zonder dat je dat direct met je liefste wilt delen. Dat kan er bij hem aan de hand zijn. En ondertussen voelt het voor jou toch niet goed.
Kun je daar rustig onder blijven? Probeer in ieder geval je geen muizenissen in je hoofd te halen. Ik deed dat vroeger en dat werkte niet positief. Sterker nog, hij werd er meestal kwaad van en dat kwam omdat hij er niets mee kon. Nu begrijp ik dat wel, maar toen wij beiden nog jonge ouders waren zat ons dat behoorlijk dwars.
Wat je kunt doen is de verbinding blijven zoeken. Als hij afwerend reageert dan laat je hem even. Wend je niet gekwetst af, ook niet als je je zo voelt. Zorg dat je zelf rustig blijft. Hij doet het niet om naar te doen, hij doet het omdat hij op dat moment niet anders kan. Misschien kun je iets te drinken pakken en hem dat geven met liefde en aandacht, ook voor jezelf. Doe verder je eigen ding en houd in de gaten of zijn stemming verandert.
Terwijl je misschien anders boos of gekwetst zou reageren zul je merken dat je eigen stemming ook verandert. Je zult compassie met hem voelen en ook met jezelf. Want je weet dan inmiddels hoe je zelf ook wel eens wat afstandelijk kunt zijn. Niet om hem maar om jezelf. Je kunt je nu een keer niet altijd goed en prettig voelen en dan is het fijn als de ander daar rekening mee houdt.
Als je echt denkt dat hij ergens mee zit of misschien zelfs een probleem heeft vraag hem daar dan rechtstreeks naar. Hij zal inmiddels voelen dat je hem wilt helpen. Hoe moeilijk het ook is, het is altijd beter te communiceren dan problemen uit de weg te gaan. Alleen door te communiceren kan er duidelijkheid komen. Door de verbinding te blijven zoeken kom je er samen uit.
Waarom jij dat zou doen? Omdat jij degene bent die het voelt. En omdat je samen een goede relatie wilt hebben. Eigenlijk maakt het niet uit wie de verbinding in een relatie bewaakt, zolang iemand het maar doet.

Over liegen en bedriegen.

Sommige dingen kun je je gewoon echt niet voorstellen. Ik zal het maar zeggen: ik ben een moraalridder. Ik spreek bij voorkeur de waarheid en dat is vooral omdat ik het gevoel heb dat het woord ‘leugenaar’ op mijn voorhoofd verschijnt wanneer ik echt zou liegen. Mijn man kon vroeger tegen mij zeggen: “Je hoeft niet roomser te zijn dan de Paus, Roos,” en dan kon ik hem wel slaan. Uugghh! Wat had ik daar een hekel aan. Maar ik begreep hem (uiteindelijk) ook wel. Zoals mijn kleindochter vaak zegt: “Dat is niet eerlijk,” dat voelde ik wanneer het bijvoorbeeld ging over dronken mensen. Ik heb daar een hekel aan. Veel mensen hebben daar een hekel aan maar vinden dat opeens niet of minder erg als het een bekende van hen betreft. Terwijl ik er dan nog steeds een hekel aan heb. In zo’n geval kon mijn man dan die door mij zo gehate zin uiten.
Dus viel ik bijna van mijn stoel toen onze, zo op eerlijkheid gestelde, Famke stralend uitriep: “Ik heb €500,= gepikt,” En wat deed ik? Sprak ik hier schande van? Gaf ik haar straf? Moest ze het terug geven? Niets van dit alles. Ik stak mijn hand op met een brede lach en zij klapte er keihard een high five op. Wauw, wat was ik trots op haar en ik stak mijn bewondering niet onder stoelen of banken.
Mijn man gaf toe dat hij van zijn buurman €10,= had gepikt en onze kleinzoon en ik zeiden (ik in ieder geval naar waarheid) dat we niets van dat alles hadden gedaan.
Het was Famke die ons, halverwege het spel, vroeg of we zouden zeggen wat we hadden gedaan. Ze stond zelf te popelen om haar ontboezeming te doen en een uurtje later kon ik me dat precies voorstellen.
We waren toen een uurtje onderweg met het spel ‘ Monopolie’. De bedriegersversie. Finn en Famke wilden het graag spelen en omdat ik niet hou van spelletjes doen zei ik eerlijk: “Nee, ik wil het niet, maar ik doe wel mee,” Ik kon me de spelregels van vroeger herinneren maar dit spel werk iets anders. Het nodigt uit om te bedriegen en wanneer je daarbij wordt betrapt moet je een straf uitvoeren. Na Famkes ontboezeming dacht ik: “Okay, zo speel je dus dit spel en als negenjarige Famke het kan dan kan ik het toch zeker ook,” Dus aasde ik op een gelegenheid. Wat helpt om geld te stelen is de regel dat niet één persoon de bank beheert maar dat deze rondgaat met de beurten maar dan tegen de klok in.
Mijn kans kwam toen de bank, terwijl hij mijn kant op kwam, kantelde waardoor het geld eruit viel. Ik herschikte het geld terwijl mijn medespelers de hotels en pionnen die niet meededen bij elkaar graaiden en in het vak terug legden. Toen ik de bank voor mij neerzette pakte ik nonchalant een €500,= biljet en legde die op de andere twee. Niemand had het gemerkt en ik moest inwendig heel erg lachen. Jeetje, eerlijke ik die dit deed en niemand had het gemerkt. Gedurende de rest van het spel popelde ik om het te vertellen. Maar ik wachtte netjes tot we stopten met spelen.
Tot onze grote verbazing bleek toen dat opa, die het hele spel financieel op een afgrond leek af te stevenen, het meeste geld had en daarna Finn, onze stille genieter. Ik eindigde als derde en onze Famke, best een beetje zuur, als laatste.
Wij hadden ieder een biljet van €500,= gepikt maar opa bleek schaamteloos een groot deel van de bank te hebben beroofd en Finn bleek niet alleen geld te hebben gestolen maar van Famke had hij een eigendomsbewijs achterover gedrukt waardoor steeds hij en niet zij voor die straat de huur ving. Bovendien had hij twee keer beweerd een dubbel cijfer te hebben gegooid waardoor hij onrechtmatig uit de gevangenis werd ontslagen. En hij had ervoor gezorgd dat Famke een beurt minder had gehad door stellig te beweren dat hij aan de beurt was.
En wij hadden daar niets van gemerkt. Zoals ik al zei: sommige dingen kun je je echt niet voorstellen.

Ieder moet zijn eigen fouten maken, maar dat hoeft niet blijvend te zijn.

Toen wij, lang geleden, prille ouders waren hadden wij, net als de meeste prille ouders, het beste met onze kinderen voor. We gaven hen liefde, zorg en probeerden ze goed voor te leven. We deden dit alles in de hoop en het geloof dat wij daarmee goede mensen met een gelukkig leven in de maatschappij zouden zetten.
Pas veel later kwam ik erachter dat dit helemaal niet zo gemakkelijk was als ik mij in mijn jeugdige naïviteit had voorgesteld. Onze omstandigheden waren in die tijd niet ‘ideaal’. Dit gezegd hebbende besef ik me dat het moeilijk bedenken en omschrijven is wat ‘ideaal’ precies inhoudt. Een gezond kind krijgen is ideaal maar verder is die tijd zo complex dat het waarschijnlijk voor niemand haalbaar is die omstandigheden verder als ideaal te bestempelen.
De grote fout die ik destijds maakte was, in mijn beleving, onmogelijk te vermijden. Ik was een redelijk jonge moeder. Laatbloeier als ik was moest ik nog helemaal de wereld en zeker mijn relatie daarin tot de anderen ontdekken en ontwikkelen. Dat ging niet zonder slag of stoot. Of misschien zelfs wel met veel slagen en stoten. Ik keek huizenhoog tegen de mensen op en al wist ik soms zelf beter dan wat zij beweerden, ik was niet in staat op de juiste manier, naar mijn idee zou dat assertief zijn, te reageren wanneer er over mijn grens werd gegaan. Nog heel lang reageerde ik bijna agressief wanneer ik dat wel deed en veel te vaak moest ik het over mij heen laten komen.
De invloed die dit gegeven destijds op mijn jonge kinderen had kon ik niet bevroeden. Wat ik ook niet kon weten was dat mijn manier van opvoeden, heel brede kaders met grenzen die niet overschreden mochten worden, niet voor mijn beide kinderen werkte. Ik was op die manier van opvoeden zelf heel trots.
Waar het vandaan kwam?
Ik was mijn ouders negende kind. Ik wilde niet veel maar had bijna alles gemogen wat ik zou hebben gevraagd. Dan heb ik het niet over hebben maar over doen. Ik was in mijn beleving op mijn zestiende, gestopt met school en fulltime werkend, volwassen en verantwoordelijk voor mezelf. Ik vertelde altijd dat ik mijn kinderen heb opgevoed tot hun zestiende en ze toen als volwassen en zelfverantwoordelijk beschouwde. Pas heel veel later begreep ik van mijn kinderen dat de één dat veel beter had aangekund dan de ander. Zij had dat ook niet zo gewild, zij had wat meer grenzen willen hebben.
Als veel anderen onder ons ben ik door schade en schande, met heel veel hulp, een beter en gelukkiger mens geworden. Juist die hulp, van mijn man, onze kinderen, mijn familie en een aantal hulpverleners heeft voor mij alle verschil gemaakt. Ik ben dankbaar dat ik al op jonge leeftijd hulp heb gezocht en gevonden en gaandeweg steeds meer open kon staan voor wat de mensen om mij heen mij konden bieden, aan hulp en goede raad. Natuurlijk heb ik vaak genoeg moeten slikken, als mij iets werd ‘verweten’ of duidelijk gemaakt op een manier die voor mij op zijn zachts gezegd ‘ongemakkelijk’ was. Maar ik kan al heel lang uitgaan van de goede bedoeling van de uitgesproken woorden. En in mijn beleving is niemand erop uit geweest mij ooit te kwetsen. Dat is een fijne gedachte die mij doet geloven in de mensen en de wetenschap dat, welke fouten je ooit in je leven maakt, het niet voor altijd hoeft te zijn.
Zo zal dan elke generatie zijn eigen fouten maken en tegelijk zelf op zoek moeten gaan naar hoe hij zichzelf kan helen van de fouten die de voorgaande generatie ondanks alle goede bedoelingen toch heeft gemaakt.

Die rottige hormonen.

Vrouw zijn, moeder zijn, oma zijn. Ik geniet er al heel lang van. Ik wist al op heel jonge leeftijd dat ik moeder wilde worden. Ik gaf me daar natuurlijk niet direct aan over. Het leek me slim en heel zinvol om eerst een poosje ‘de pil’ te gebruiken. En met de twee onderbrekingen waardoor ik, de eerste keer onbewust en de tweede keer bewust, zwanger raakte heb ik die pil tot mijn 52ste geslikt. Kwam het echt daardoor dat ik, qua last van hormonen, ongeschonden door mijn leven tot nu toe ben gekomen? Ik weet het niet, maar prettig is het wel.
In korte tijd hoorde ik van drie dames in verschillende leeftijden en verschillende levensfasen dat zij, en hun omgeving, enorm last hebben gehad van die vrouwelijke hormonen. Ik zit daar met tuitende oren naar te luisteren en denk: “Echt, serieus? Naar!” en daarna denk ik: “Wat heb ik een geluk dat ik daar geen last van heb,”
De eerste levensfase daarbij is de fase van de menstruatie. Ik heb begrepen dat je daar gewoon ziek van kunt zijn. Hoofdpijn, buikpijn, niet kunnen functioneren. En dat elke maand. Als je daarbij (werkende) moeder van een gezin bent mag je wel van gewapend beton zijn wil je in die fase overeind kunnen blijven. Wat zal het dan heerlijk zijn als je een man hebt die het voor elkaar krijgt jou in die periode wat te ontlasten. Misschien doet hij verder niet heel veel in het huishouden of met de kinderen, het zal voor jou een enorm verschil maken als hij, in de periode dat jij ‘je periode’ hebt, jou een beetje meer kan helpen met het huishouden en de zorg voor jullie kinderen.
De tweede fase is eigenlijk een fase binnen die eerste fase. Dat verhaal kwam van een jonge moeder. Ik deed als Prille ouder coach mijn verhaal over het belang van ondersteuning van de relatie in die eerste heftige periode nadat de baby is geboren. Zij vertelde mij toen hoe ze haar man, met wie ze tot dan toe een goede relatie had, wel de deur uit wilde gooien. Zij waren in die fase precies een pril ouderpaar dat uitstekend mijn hulp als Prille ouder coach had kunnen gebruiken. Want hij deed wat hij altijd deed, uitgaan met zijn vrienden. Geen idee hoeveel zijn vrouw hem in die fase nodig had. En vanwege haar opspelende hormonen was ze niet in staat daar een goed gesprek met hem over te hebben. Misschien is het een tip om dan je ‘village’ aan te spreken. Iemand die dicht bij jullie staat, geen last heeft van opspelende hormonen en in een rustig en redelijk gesprek de nieuwbakken vader kan inlichten over de totaal veranderde situatie. Dat is er aan de hand op het moment dat er een kleintje geboren is.
De derde fase is dan die levensfase waarin de jeugd van betreffende dame langzaam, maar zeker, voorbij blijkt te zijn. We kennen het allemaal als ‘de overgang’ of ‘de menopauze’. Wanneer die fase begint is voor iedereen verschillend. Het kan op jonge leeftijd beginnen, begin veertig is voor die fase jong, en soms begint het pas wanneer je ruim de 50 gepasseerd bent. Het is voor niemand leuk. Zelfs als je er lichamelijk geen klachten van hebt. Het nare als je er wel klachten van hebt is dat het zich niet een paar dagen per maand afspeelt maar dat het er elke dag kan zijn. Opvliegers, stemmingswisselingen, toenemen in gewicht. Allemaal naar! Het is wel fijn als dan je omgeving er begrip voor toont en er liefst nog een beetje compassie voor heeft. Je hebt het er (terecht) zwaar genoeg mee en kunt dan alle begrip en steun die je kunt krijgen goed gebruiken. En heb je er echt teveel last van, doe jezelf dan een plezier en onderzoek of er iets is (regulier of alternatief) dat je wilt gebruiken om die onrustige, opspelende hormonen te kalmeren.

Mijn jongetjes.

Ze heten Magnus en Noah en ze wonen met hun pappa en mamma in een klein plaatsje vlak bij Amsterdam. Ik trein al vijf jaar om de andere dinsdag vijf uur, reistijd heen en weer, om die dag zo’n tien uur met hen door te brengen. “Wordt je daar ook heel moe van, Roos?” heeft iemand mij wel eens gevraagd. Nee, ik wordt daar eigenlijk nooit moe van. Ik krijg daar bijna elke keer alleen maar energie van.
Nu mogen ze drie nachtjes bij ons logeren.
Zij zijn beiden vroege vogels, het lijkt of de oudste een wekkertje in zijn hoofd heeft dat spontaan om 6 uur afgaat. De jongste is een ander verhaal. Die wordt geregeld ’s nachts hard huilend wakker en is soms moeilijk te troosten. Dat is ook omdat we niet weten waarvoor hij getroost moet worden. Ik weet dat zijn ouders daardoor veel slaap ontberen en vind het mede daarom prettig dat zij een paar nachten bij ons zijn.
Magnus is vijf en een klein, fijn klim aapje. Het liefst hangt hij ondersteboven aan ons stapelbed of balanceert op de brede rug van onze oude, groene chesterfield stoel. Hij oefent voor ‘Ninja’ en heeft zich daar deze dagen helemaal op kunnen uitleven. Met brede armgebaren maakt hij langzaam figuren die mij wel doen denken aan wat ik me bij ‘Ninja’ voorstel. Ondertussen schiet razendsnel een voetje vooruit, het liefst tegen een stoel aan of tegen zijn broertje.
Hij is verbazend sterk en kan van het beneden bed door zich op te trekken en een knie op de rand te krijgen zonder trap op het bovenbed klimmen. Hij doet dat ook eindeloos, met iedere keer evenveel plezier. Op de oude chesterfield oefent hij hoe snel en gemakkelijk hij op een obstakel aan de ene kant klimt en aan de andere kant met een soepele sprong weer afspringt. Ik vind het best knap van een vijfjarige autodidact Ninja in spe.
Zijn broertje is een veel steviger exemplaar. Daardoor vechten en stoeien ze bijna als twee gelijken. Ik hoor Magnus veel vaker verontwaardigd de naam van zijn broertje roepen dan andersom. Dit betekent vaak dat Noah iets doet wat Magnus absoluut niet wil. En soms doet Noah hem pijn maar dat is meestal ongewild. Dat Magnus een enkele keer ‘van zich afslaat’ vind ik niet altijd onterecht. Toen Magnus op enig moment bij mij kwam klagen en Noah erbij kwam staan, gaf de oudste de jongste een duw terwijl de jongste net zei: “Stil maar,” De vanzelfsprekendheid waarmee ze elkaar dan omhelzen omdat er even een verkeerde inschatting was gemaakt vind ik dan ook weer aandoenlijk.
Och mijn jongetjes toch. Ze houden mij de hele tijd bezig en soms lijkt een dag met hen uit twee te bestaan. Ik hoor mijzelf op enig moment roepen: “Pas op. Kijk uit,” terwijl ik me heel goed realiseer dat ze toch wel ‘doen’, wat ik ook roep. Magnus heeft een buil op zijn hoofd opgelopen omdat hij rennend om de stoel uitgleed op het kleed en met zijn hoofd tegen de tafelrand aanviel en nadat Noah al van een stoel was gevallen kon ik hem nog net aan een beentje grijpen. Anders was hij ‘met de kop naar beneden’ ook nog van de bank afgestort.
Ik ben blij als ik ze weer heelhuids bij hun ouders heb afgeleverd en tegelijk weet ik: zo worden kleine kinderen groot en alleen door te doen zullen ze leren.

Over communiceren in een samengesteld gezin.

Communicatie is en blijft een lastig fenomeen. Omdat we het allemaal doen kunnen we er ook allemaal over meepraten. Sommige van ons weten dat ze soms onduidelijk communiceren en anderen vinden vooral dat anderen dat doen. Die laatste categorie vindt het lastig dat anderen niet gewoon doen wat we zeggen of liever nog, doen wat zij doen.
Onze ouders zijn ons voorbeeld … en ons referentiekader. Hun communicatiemodus is oorspronkelijk ontstaan uit de communicatie van hun ouders. Gaandeweg hun relatie samen zullen ze een eigen communicatiemodus hebben ontwikkeld. Ze nemen van elkaar dingen aan en over … en niet. In dat laatste geval stel je dus de communicatie bij. Dat betekent dat je elkaar beïnvloedt en in staat bent keuzes te maken die het voor je relatie samen en later met je kinderen communicatief beter maakt met ruimte voor invloed van alle bij die communicatie betrokkenen.
In het geval van een samengesteld gezin komen er dus twee van die al lang gevormde communicatiemodi bij elkaar. Twee betrokkenen, in die situatie, hebben er zelf voor gekozen, de overige zijn erbij betrokken. Zij zijn de ex-geliefden en de kinderen van het paar.
Het samengestelde gezin heeft geluk als de ex-geliefden in staat zijn de prille relatie van het gezin niet in de weg te staan. Zij zullen met gespitste oren luisteren naar de verhalen die hun kinderen meenemen uit het huishouden waar zij geen deel van uitmaken. Dat is prima. Het welzijn van de kinderen is ook hun zaak als de kinderen niet ‘onder hun hoede zijn’ en getuigt van hun nimmer aflatende betrokkenheid.
Het samengestelde gezin zal hun prille relatie positief kunnen ontwikkelen wanneer vooral de ouders in staat zijn goed naar hun kinderen te kijken en te luisteren. De non verbale signalen zijn hierbij soms belangrijker dan wat er daadwerkelijk wordt gezegd. Samen zullen zij continue moeten communiceren met woorden die duidelijk maken waar zij en hun kinderen staan.
Zij zijn de basis van het gezin dat in hun leven al een poosje op weg is en op die weg een enorme ‘hobbel’ is tegengekomen. Een ‘horde’ die niet zomaar te nemen is. Compassie, liefde en acceptatie zijn woorden die in deze situatie cruciaal zijn. Er is een keuze gemaakt op basis van liefde. Er zijn vaak twee gezinnen voor uit elkaar gehaald. Om het nieuwe, samengestelde gezin, wel te laten slagen is het goed communiceren, wat compassie, liefde en acceptatie omvat, misschien wel het allerbelangrijkste.
Het is veelgevraagd in een situatie die veel omvattend is. Er zijn emoties die hoog oplopen. En als het goed is is er liefde en heb je begrepen dat de keuze voor je partner automatisch betekent de keuze voor zijn of haar kinderen.
Communicatie in een samengesteld gezin is een enorme uitdaging die de meeste kans van slagen heeft als er voor iedereen die erbij betrokken is respect is en het recht dat eenieder heeft om gezien te worden.

Geeft niet, oma.

“Kijk es, oma,” We zitten samen in de auto, ik achter het stuur, hij achterin in het midden, dan kan hij lekker alles zien. “Wacht even ventje, oma moet zo stoppen bij het stoplicht,” Als ik achterom kijk zie ik hem ritmisch met een paar vingers op zijn knietje slaan. “Wat goed dat je dat kan, Finn,” “Opa doet dat altijd op het stuur,” zegt hij met een ernstig snoetje. Ik sla met mijn wijsvinger op het stuur op de maat van de muziek. “Zo?” vraag ik. Nee. “Opa doet het met zijn middelvinger. Jij kan dat nog niet want jij bent nog klein. Als je net zo groot bent als opa kan jij het ook,” Ondertussen oefent hij lustig verder. Alleen met zijn middelvinger kan hij het ook niet, er gaan ook een paar andere vingers mee.
“Weet je wel hoe oud ik ben, Finn?” vraag ik want tja, net zo groot worden als opa gaat niet meer lukken. “Nee,” zegt Finn en op mijn ‘53,’ vraagt hij direct: “En opa dan?” Ik zeg dat opa 52 is. In de achteruitkijkspiegel zie ik zijn verbazing. “Maar oma, 3 is toch veel meer dan 2?” “Ja,” zeg ik, “3 is meer dan 2. Wie is ouder opa of ik,” Zonder twijfel komt zijn antwoord: “Opa,” Direct daarna: “Kijk eens oma,” Zijn voetje schopt ook ritmisch tegen de voorstoel aan. Even denk ik: “Moet…, ach…., zijn schoen (moenboet, oma) is niet echt vies,” “En nu ga ik sneller oma,” het ritme klopt, de muziek is sneller. “Het is moeilijker met 4 dan met 3, daarom doe ik met 3,” Ik blik snel achteruit zie zijn handje en zijn voetje bewegen en ongetwijfeld doet er nog iets mee buiten mijn gezichtsveld.
Af en toe kijk ik naar hem in de spiegel. “Ik ga kijken of ik ook een keer zie dat opa het doet. En dan zeg ik het tegen je,” “Goed,” zegt hij, “dan doe ik het ook. Want je moet het wel doen als opa weggaat, hè oma,” “Ja, hoor, ventje,” zeg ik. In de spiegel zie ik zijn trouwhartige blik. Zijn ‘je kan het niet maar dat geeft niet, hoor oma’ blik en ik denk: “Kind, wat hou ik toch van jou,”