Zeggen wat je wilt

Lang geleden, helemaal aan het begin van ons huwelijk, zei ik iets tegen mijn man waarvan ik later, en nu nog steeds, dacht: ‘Dat ik dat zomaar deed en durfde,’. We waren begin twintigers, we kenden elkaar nog niet goed. We waren al wel getrouwd en ons kleine kindje lag in de wieg.

Ik weet nog precies hoe we bij elkaar stonden. Hij stond op het punt naar zijn werk te gaan, ik werkte in die tijd een paar uur per week om verder voor ons kindje te zorgen en bleef die dag thuis. Er stond al een paar dagen iets ‘tussen ons’ waar ik steeds aarzelend en voorzichtig vragend, niet achter kon komen wat het was. Achteraf was het de eerste van vele van deze periodes die wij in ons huwelijk hadden. Hij kuste mij om weg te gaan en ik zei, plompverloren: ‘Ik wil met je praten en ik wil met je naar bed,’ Hij keek mij, en misschien was het een beetje verbouwereerd, aan en zei: ‘Ik vind dit een bedreiging voor ons huwelijk,’ En we waren nog maar net begonnen.

Instinctief wist  of voelde ik toen al dat wij het ‘goed met elkaar voorhadden’. Dat wij van elkaar hielden staat buiten kijf maar ik voelde me nog zo onzeker dat ik dat toen niet zo stellig zou hebben durven zeggen. Ik weet niet meer precies wat er gebeurde toen hij uit zijn werk thuiskwam, maar we zullen erover gesproken hebben.

Onze communicatie verliep die eerste jaren nog niet soepel en de gesprekken over moeilijke onderwerpen moesten van mij komen, maar ik weet nu hoe goed het is dat we dat nooit uit de weg zijn gegaan. We hebben gaandeweg geleerd dat onze relatie beter en gemakkelijker werd, en zich ook heeft verdiept, door te praten over wat ons bezighield.

En dat is wat voor ons werkt, niet alleen praten over wat ons dwarszit maar praten over wat ons bezighoudt. Elkaars leven delen. In die beginjaren zei ik ook een keer tegen hem: ‘Je bent de mooiste man die ik ken, maar ik wil ook weten wie je bent en wat je bezig houdt,’. Doordat ik dat toen zei, en hij sindsdien steeds meer met mij is gaan delen, weet ik nu ook wie hij is en waarom ik hem ook van binnen zo mooi vind.

In de gezinnen waar wij uit komen werd wel gepraat maar werden ook veel dingen niet gezegd. Misschien heb ik mijn gezin wel eens ‘overspoeld’  met communicatie, maar ze weten dat de intentie goed is. Met elkaar en onze kinderen hebben we, in mijn beleving, een goede relatie met ook ruimte voor ‘een keer in de fout gaan’ (ook wij als ouders) en ‘een kritische noot’, in de wetenschap dat we van elkaar houden.

Zeggen wat je wilt is volgens mij cruciaal in een relatie en de andere kant ervan is net zo belangrijk, namelijk, luisteren en ervoor open staan wat de ander je wil vertellen. Ik ben blij dat wij dat kunnen.

Wie is er nou eigenlijk lastig, en wie maakt er een puinhoop van?

Ik haal de kleinzoontjes op en neem nog een vriendje mee. Het is keurig gevraagd en ik ken de jongen, dus, natuurlijk, kom maar mee. Ze zijn druk en dat snap ik. Na een lange dag op school moeten kinderen even uitrazen, en dat gaat met lawaai en een heleboel drukte gepaard.

Ze gaan eerst thuis voor de televisie, kijken voetbalfilmpjes voor de grote jongens en voor de jongere, wat hij aantrekkelijk vindt. Ze kijken samen en geven samen commentaar. De wekker is gezet, ze weten wanneer ze moeten stoppen. Daarna voetballen ze samen, oefenen panna’s en poortjes.

Voor mij is er vanavond iets op de televisie. Een documentaire waarover mijn zus mij een krantenartikel heeft gestuurd. Ik ben er benieuwd naar en vrees het ook een beetje, want het gaat over een meisje dat op 28 jarige leeftijd euthanasie heeft mogen ondergaan. Ze is inmiddels overleden.

Het meisje werd op haar tiende uit huis geplaatst omdat het daar voor haar ‘niet veilig was’. In de 18 jaar die volgden werd ze in 28 verschillende instellingen geplaatst. Op haar 14de deed ze haar eerste zelfmoordpoging, omdat ze te maken kreeg met misbruik door hulpverleners…en niet werd geloofd.

Door een tekort aan plekken kwam ze in een jeugdgevangenis terecht, terwijl ze geen enkele wet had overtreden. Nog angstiger werd ze daar vanwege de echte delinquenten en het gevangenispersoneel. Behandeling, wat ze nodig had, kreeg ze niet. Trauma’s stapelden zich op, totdat ze geen kans meer had op een dragelijk leven.

Kinderen hebben de naam lastig te zijn. En in veel gevallen is dat helemaal niet aan de orde. Volwassenen vinden ze vaak lastig, maar dat zegt niets over de kinderen of hun gedrag. Het zegt iets over de onmacht of het ongeduld, of de onwil van de volwassene. Als je een kind niet lastig vindt dan is het ook niet lastig.

Ik vraag me af of het meisje in het eerst ook ‘lastig’ gevonden werd maar ik denk dat het in zo’n extreem geval echt ouders had waarbij het hoe dan ook kansloos was. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat in Nederland een grote hulpverleningsinstantie er zo’n puinhoop van kan maken dat er een documentaireserie nodig is ‘in de hoop’ dat het jeugdzorgsysteem verandert. De serie heet Jojanneke en de jeugdzorgtapes en is te zien op NPO 3 om 21.00 uur.

Op stap met Finn

Het was een mooie dag en omdat opa nog moest werken en Famke lekker lag te slapen ging ik maar even met Finn op stap. We namen de kortste weg. Finn kan goed lopen maar ons reisdoel lag best ver weg voor zijn nog wel korte beentjes. Na een stukje lopen zei hij: ‘Het is fris,’ Ik dacht even dat ik het niet goed had verstaan maar hij zei het echt. Fris. Grappig uit zo’n klein mondje. ‘Gaan we daarin, oma?’ vroeg hij toen we richting grote draaideur van V&D gingen. ‘Ja, Finn,’ zei ik, ‘maar wel voorzichtig,’

Hij vond alles in de winkel prachtig. Wou natuurlijk graag op de roltrap en de chocola in de vitrine zag er erg verleidelijk uit. Maar we moesten doorstappen wilden we niet laat in de middag pas terug zijn. Gelukkig was het nu nog vroeg en relatief nog heel rustig.

Bij ons reisdoel aangekomen gaf ik hem het boekje dat ik voor hem wilde kopen. Hij vond het mooi want het is een boekje van Diego, één van zijn helden, maar hij zag nog iets anders heel moois. Een uitklapboek met een boom met vogels en een boomhut. Hij vroeg honderduit en oma bedacht maar alles wat aannemelijk was om te kunnen antwoorden. Toen hij uitgekeken en uitgevraagd was gingen we het boekje betalen en zag hij bij de kassa nog hele mooie rollen inpakpapier. Hij mocht daar één uitkiezen en hij koos een geel papiertje met lichte bloemetjes en grote lichte vlinders erop.

Op de terugweg liep hij ermee of het een wandelstok was: ‘Kijk eens oma wat ik doe,’ ‘Ja, goed zo,’ zei ik en dacht, toen ik het zei, aan de onderkant van de rol die geplet zou worden. Nou ja, er zit plastic omheen wat het papier, hoop ik, wel zal beschermen.

Bij een winkel, waar ik slofjes voor hem hoopte te vinden, vond Finn ook iets interessants: aan zilverkeurige haken zaten rijen roze sokjes, per 5 paar verpakt. Eerst had hij er een af, toen twee en opeens zag ik vanuit mijn ooghoek een heel stel verpakte sokjes op de grond liggen en zou Finn er met iets zilverkleurigs vandoor rennen. Mijn reactievermogen verraste mezelf, in één greep achteruit had ik zijn armpje te pakken. Hij was te verbaasd om te protesteren.

Een beetje mopperend, vooral omdat ik die vermaledijde slofjes maar niet kon vinden, peuterde ik de stang terug in de stelling. Ik sommeerde het kleine ventje de sokken terug te hangen en hij deed het zonder morren nadat ik zelf de eerste twee had opgehangen.

Nog verder ging mijn zoektocht naar sloffen. Ondertussen kwam Finn even bij mij en ging dan even weer weg. Na twee, drie keer zei hij: ‘Oma, ik doe verstoppertje. Als die mevrouw eraan komt ga ik verstoppen,’ ‘Oh ja,’ zei ik, verder zoekend, totdat ik drie paar slofjes per ongeluk uit elkaar had getrokken, en het echt genoeg vond. Dan nog maar even geen nieuwe slofjes.

‘Kom Finn,’ zei ik, ‘we gaan,’ Hij liep meteen mee, zijn cadeaupapierrol weer gebruikend als een wandelstok. Terwijl ik naar hem keek moest ik even lachen, ik dacht: Wat grappig. Hij speelde verstoppertje met een mevrouw die zich er helemaal niet van bewust was. Dat een kind, dit grappige ventje van ons, zoiets kan bedenken.

Het werd weer een lange wandeling terug. Door V&D namen wij wederom de kortste weg. Toen wij even later  thuis waren was Finn blij dat hij weer bij opa was en was opa ook heel blij dat Finn er weer was. En Famke was weer wakker.

Laten we minderen, wat we kunnen

Ik koop nooit zomaar iets, en ik gooi ook nooit zomaar iets weg. Niet afgedragen kleding breng ik naar de Leger des Heils winkel in onze stad. En de rest…draag ik af.

Op mode zul je mij dus niet betrappen, heel misschien een keer per ongeluk. Ik draag in najaar en winter een spijkerbroek, blauw of zwart met een t-shirt met vestje, trui of spijkerjasje. Voor een feestdag of bezoek heb ik twee mooie, zwarte shirts met wat kant hier en daar. Voor werk of bijzondere gelegenheden heb ik een paar jurken en die draag ik ook weleens als ik daar even zin in heb.

Voorjaar en zomer draag ik het liefst flodderjurken waar ik er veel van heb, allemaal een paar, tot veel jaren oud. Eigenlijk altijd met een kort shirtje erop, omdat ik niet zo houd van blote oksels, behalve thuis in het zonnetje.

Van overige spullen hebben we precies wat we nodig hebben en die gebruiken we tot ze af zijn en anders geven we ze weg. Ik bewonder mooie interieurs van andere mensen en heel smaakvol geklede mensen die veel meer gevoel daarvoor hebben dan ik. Ik hoop dat ze ook bewust met hun spullen omgaan wanneer ze ze niet langer willen hebben. Niet zomaar iets weggooien maar er de beste bestemming voor vinden.

Gemiddeld blijken mensen per jaar 46 kledingitems te kopen. En er zijn mensen die per jaar nog veel meer kopen en weggooien. Onlangs zag ik in een televisieprogramma hoe een groot deel van die door westerse landen weggegooide kledingstukken in balen naar Afrika worden gestuurd. Ze worden daar op markten verkocht waarbij de mensen steeds minder verkoopbare kleding vinden in die grote kledingpakketten waar ze relatief veel geld in moeten investeren. Minder verkoopbaar omdat ze tegenwoordig zo worden gemaakt dat ze een veel kortere levensduur hebben dan vroeger. En omdat er veel synthetische kleding bij is die in warme landen helemaal niet te (ver)dragen zijn.

Wij westerlingen geven die kleding gratis weg. Op markten in arme landen moeten ze door arme mensen worden gekocht. Een groot deel van de kleding is niet verkoopbaar en komt daar, in die arme landen, op enorme vuilnisbelten terecht.

Mag het een beetje minder? Of nee…mag het veel minder? Dan zadelen we arme mensen minder met onze rotzooi op. En dan belasten we de aarde ook minder.

Brieven, brieven, brieven

Sinds ik leerde schrijven heb ik het veel gedaan. Een dagboek bijhouden heb ik sinds mijn dertiende gedaan, toen een vriendinnetje en ik elkaar een eerste dagboekje gaven. Met gedichten schrijven ben ik ook op mijn dertiende begonnen en mijn allereerste brief zal ik al ver daarvoor geschreven hebben.

Mijn langste en trouwste briefcontact zal zijn met mijn nichtje bij wie ik een aantal zomers logeerde, totdat te grote heimwee naar het overvolle flatje van mijn ouders daar een einde aan maakte. Ze nam het mij gelukkig niet kwalijk en tot op de dag van vandaag delen wij elkaars leven, met pen geschreven op mooi papier.

In al mijn oude agenda’s zie ik regelmatig: brief geschreven aan die, kaarten gestuurd aan die, die en die. Toen ik op een vakantie een keer al mijn zussen had geschreven, kreeg ik vier dagen op rij van één van hen een brief. Zo leuk!

Sinds ik gedeeltelijk in Diemen ben gaan wonen bracht ik daarvan een aantal mensen op de hoogte en opeens was het idee geboren: ik ga elke dag iemand een brief sturen, als een soort 365 dagen project maar dan helemaal voor mezelf. Ik zou het niemand vertellen en het gewoon doen. Maar het is echt zo leuk, zo motiverend en stimulerend. Te leuk om niet te vertellen.

Bijna iedereen die ik sindsdien heb geschreven heb ik al eens eerder geschreven. Veel mensen antwoorden niet en daar kijk ik helemaal niet van op. Of ze bedanken via een app en zeggen: wat bijzonder, ik ga hem bewaren. En er zijn mensen die antwoorden in een lange app, mail of ander social medium. Die print ik uit omdat daar vaak een verhaal of een vraag in zit en die mensen antwoord ik een keer, net als de brieven die ik wel krijg.

Met bijna iedereen, die ik heb geschreven, heb ik eerder een contact gehad dat verder ging dan ‘goeiedag en goeieweg’, zoals wij wel eens zeggen. Soms weet ik dat ze alleen zijn komen te staan of iets anders ingrijpends hebben meegemaakt en van verreweg de meeste mensen die ik heb geschreven ken ik hun familie, kinderen en omstandigheden en met hen deel ik een deel van ons persoonlijke leven.

Ik heb elke dag weer zin in die brief schrijven, die envelop versieren met een half getekend bloemetje met bloemenstickertje of een ander mooi plaatje. En elk loopje naar de brievenbus is een feestje in de wetenschap dat de volgende dag iemand verrast een brief uit zijn bus zal halen.

NLP ‘zegt’ 4 knuffels per dag om gezond te blijven, 8 knuffels per dag om gelukkig te worden en 12 knuffels per dag om te groeien. Een brief is voor de ander een knuffel…en ook voor mij.

Goede doelen

Ik vraag me wel eens af of er iemand zal zijn die nooit een goed doel steunt. Ik bedoel niet persé structureel maar als we een keer een acceptgiro in onze brievenbus krijgen bijvoorbeeld, of een collectebus (bestaan die dingen nog?) onder onze neus.

Ik ben van huis uit gewend aan het geven aan goede doelen. Mijn moeder had er structureel een aantal en bovendien was er vroeger mevrouw Scheherazade van de Libelle die veel geld bij elkaar heeft ‘gepraat’ door middel van lezingen geven. ‘Haar’ goede doel was Lepra, omdat ze op haar vele reizen voor Libelle daar zo mee geconfronteerd werd.

Ik kies ze niet random, maar altijd met een reden. Voor de wereld en de natuur hebben we WNF en Natuurmonumenten, voor de kinderen Unicef en het Vergeten Kind. We hebben VVN vanwege de vele verkeersslachtoffers en we ondersteunen het Longfonds, de Hartstichting, KWF (kankerbestrijding) en het Diabetesfonds omdat we deze ziekten in onze familie hebben (gehad en hebben). Vanwege de vele vluchtelingen hebben we Stichting Vluchteling en vanwege het goede werk dat ze al zo lang doen steunen we ook al heel lang Het Nederlandse Rode Kruis.

We zijn niet rijk (van geld) en zullen dat ook nooit worden. En zelfs toen we veel minder hadden dan nu steunden we al wat doelen, maar niet structureel. De kansspelen met als ‘bijvangst’ (wat voor mij meer reden is om eraan mee te doen dan de kans iets te winnen) goede doelen steunen, zijn de Postcode Loterij en de Vriendenloterij en dat doen we precies met ieder één lot.

Toen ik vanmorgen, via de reclame, weer oproepen zag voor goede doelen dacht ik: ‘Stel je voor dat iedereen kon meedoen aan de Postcode Loterij. Dan wint iedereen, die die postcode heeft, bij een winnende postcode en steunt iedereen in één keer, een heleboel goede doelen. Het is niet voor iedereen haalbaar, dat begrijp ik. Maar misschien kan wel iedereen één goed doel steunen die echt bij hem of haar past. Alle dierenliefhebbers bijvoorbeeld een goed doel dat met dieren te maken heeft. Iedereen met een ziekte in de familie, een instantie die die ziekte kan helpen uitbannen of chronisch maken in plaats van levensbedreigend, of misschien (zoals in het geval van diabetes) verlichten. Wat je per maand betaalt varieert van minder dan €2,= tot €6,= en dat kunnen misschien veel mensen wel missen.

Misschien heb ik het al eens gezegd, we kunnen niet allemaal gaan helpen in andere landen, we zijn niet allemaal artsen of onderzoekers, maar we hebben misschien wel allemaal iets voor een ander te missen.

Als onderzoeker (van het leven) en idealist durf ik dit allemaal op te schrijven omdat het bij mij altijd goed is. Of je hier iets mee wilt…of niet… is helemaal aan jou. En met mij? Even goede vrienden.

Angst of vertrouwen

In Eckhart Tolles ‘Een nieuwe aarde’ lees ik; ‘Je hebt angst, of je hebt vertrouwen, allebei kan niet,’. Eerst denk ik: ‘Nee, dat kan niet,’ want ik heb angst en vertrouwen. Hoe kan dat dan? Onlangs nog vroeg mijn dochter: ‘Maar, mamma, waar ben je dan bang voor,’ als reactie op het feit dat ik het naar vind als ik alleen thuis ben.

Ik ben volgens mij dan niet meer bang. Mijn realiteitszin is wat groter dan ‘vroeger’. Ik denk nu: ‘Er gebeurt niets wanneer we samen thuis zijn,’ of dat nou is met mijn liefste of onze kinderen, ‘dus waarom zou er wel iets gebeuren als ik alleen ben.’ En wanneer ik me buiten zou sluiten heb ik een groot probleem omdat ik zonder sleutel niet zomaar  in huis kan, dus een ander kan dat ook niet. Het is meer onrust wat ik dan voel…maar dat is geen angst.

Ik was heel bang voor de tandarts vroeger. In ons grote gezin werd niet altijd even goed gelet op de verzorging van ons gebit dus ik kreeg al vroeg te maken met ‘gaatjes’ en andere nare dingen in mijn mond (ik weet nog goed hoe ontstoken tandvlees voelt). Een barse tandarts beet mij een keer toe: ‘Als jij 14 bent loop jij met een kunstgebit,’. Ik was 8 en zat alleen met hem in die tandartsruimte. Heel naar. Als vroeger de tandartsafspraak gemaakt was kon ik vanaf dat moment, tot het eigenlijke bezoek, nergens anders meer aan denken. En de angst nam toe naarmate de dag dichterbij kwam.

Gelukkig kregen wij later een lieve tandarts, een dame die met liefde en zorg 33 jaar voor mijn gebit heeft gezorgd. Toen ik een keer op het punt stond met man en kleinkinderen te gaan wandelen, kwam ik tot de ontdekking dat ik twintig minuten later bij de tandarts moest zijn. Kleindochters armpje werd weer uit de jas getrokken en ik sprong op de fiets en haalde de afspraak precies. Toen wist ik dat de angst over was. Ik had er helemaal niet aan gedacht en ook in de stoel wist ik dat ik ‘veilig’ was.

Ik ben niet meer bang, want ik heb vertrouwen. Morgen wordt ik heel vroeg opgenomen, omdat ik met een dag opname en een kijkoperatie eindelijk wordt verlost van de grote galsteen en de galblaas waar die steen in ‘vastzit’. Ik vind het geen feestje, daar kan ik wel iets anders voor bedenken, maar ik vertrouw erop dat de ingreep ‘gewoon’ lukt. Ik ben eerder in het Martini Ziekenhuis geopereerd en ook mijn liefste is er meerdere keren goed geholpen.

Het is fijn om vertrouwen te hebben en ik weet nu dat Eckhart Tolle gelijk heeft: wanneer je vertrouwen hebt, is er geen plaats voor… angst.

De oudste twee

We hebben elf jaar op onze oudste kleinkinderen gepast. Jarenlang kwamen ze elke week bij ons. En toen de omstandigheden waren veranderd, wij bij hen. We hadden, met elkaar, de nodige hobbels op de weg die zij aflegden van baby, tot aan de tieners die ze nu zijn.

Van jongs af aan konden ze goed met elkaar spelen, soms ieder met hun eigen speelgoed maar altijd communicerend…met elkaar. Ze begrepen elkaar uitstekend en vroegen mij, af en toe, een rol te vervullen in hun spel.

Ze waren zes en acht toen hun ouders uit elkaar gingen en hun leven zich begon af te spelen, in twee huizen. Dat is een moeilijke overgang geweest, voor iedereen, maar dankzij de goede wil van alle betrokkenen hebben ze hier een goede modus in gevonden.

Wij, de grootouders, en zij, de kleinkinderen, zijn door alle jaren heen een vaste waarde voor elkaar geweest. En zelfs sinds we niet meer oppassen, gaan er weinig weken voorbij, dat wij niet een keer bij elkaar zijn. Ook nu we gedeeltelijk in het westen van het land wonen proberen we elkaar minimaal om de andere week, maar meestal elke week even te zien.

Misschien koester ik zo deze periode omdat het de opmaat is naar hun volwassen leven. En ik begrijp en accepteer dat opa en oma daarin niet een belangrijke rol zullen vervullen. Ooit lieten we onze kinderen gaan, en straks zal dat zo zijn, met onze kleinkinderen.

Wij hebben extra geluk omdat we een paar keer per jaar met hen, de grote kinderen en hun huisgenoten de katerbroertjes , mogen doorbrengen zonder dat hun ouders in de buurt zijn. Er is geen sprake meer van ‘oppassen’. Wel van begeleiden. Ze mogen van ons veel en ze doen precies wat we van ze vragen. Er is liefde en respect. Wederzijds.

Wat hou ik van deze kinderen.

Hulpverlening

Ik was 28 en we hadden een kleintje van 3 en een baby van 4 maanden. Ik kwam bij een psycholoog terecht met wat ik noemde ‘een jaloezieprobleem’ en wat hij, later, benoemde als ‘verlatingsangst’. We hadden samen 12 sessies van drie kwartier en menig keer had ik geen idee waar we heen gingen. Tot hij die, voor mij, legendarische woorden sprak: ‘U moet niet verwachten dat een ander voor u het Paradijs maakt,’ Toen  viel opeens ‘het kwartje’. Hij sprak mij aan op mijn eigen verantwoordelijkheid. Volkomen terecht. Hoe het ook in het verleden was gegaan, ik was volwassen inmiddels en had een gezin waarvoor ik verantwoordelijkheid moest nemen, inclusief, of misschien wel juist, voor mezelf.

Na deze psychologische hulp heb ik nog twaalf en een half jaar een zelfhulpschrift bijgehouden. De hulpverlening was klaar met mij, maar ik nog niet met de hulpverlening. Wel begreep ik inmiddels dat ik degene was die mijzelf kon bijsturen, veranderen waar ik niet tevreden over was. En ik had daarbij mijn zelfhulpschrift nodig.

Toen een jaar na elkaar onze ouders overleden, ons jongste zusje daar zeven maanden na en één van onze broers leed aan botkanker riep ik weer psychologische hulp in. Deze dame deed niet veel meer dan luisteren maar het hielp mij toen, onze verliezen te verwerken. Omdat ik het ook moeilijk had op school kreeg ik, van school, een coach toegewezen die mij in vier sessies liet zien dat ik ook daar degene was die de nodige verandering tot stand kon brengen.

Elk van deze hulpverleners heeft mij een stukje verder gebracht in het omgaan met mijn problemen. Sommige problemen heb ik pas jaren later het hoofd kunnen bieden door steeds bezig te blijven met wat de hulpverleners mij hadden meegegeven. Wellicht heb ik geluk gehad dat ik daadwerkelijk zo ben geholpen. Maar ik heb ook geholpen met het inzicht dat de eerste psycholoog mij kon geven…dat niet een ander, maar ikzelf mijn ‘paradijs’ kon maken door zelf verantwoordelijkheid te nemen.

Help jezelf je problemen te overwinnen door hulp aan te nemen, die je wordt ‘verleend’. Door te begrijpen dat mensen je kunnen helpen maar niet je problemen oplossen, want dat kun jij het beste zelf.

Het moet echt stoppen

Haar ware verhaal is in twee boeken verwerkt. Een draagt de titel: Mijn ware verhaal, de andere heet: Maar buiten is het feest. Heel nauwgezet wordt in het eerste boek verteld hoe het gaat wanneer je niet veilig bent op de plek waar je juist veilig moet zijn. Hoe je in shock bent omdat, wat jou als klein meisje wordt aangedaan, voor jou niet te bevatten is en ook niet te (ver)dragen. Hoe je geest wegdrijft van wat er gebeurt, zich scheidt van je lichaam, omdat je het (gebeuren) anders niet overleeft. En hoe je er toch ‘aan went’ omdat het steeds weer gebeurt, dat onvoorstelbare, dat enorm gewelddadige dat een volwassen man jou, het kleine meisje, aandoet.

Hoe kan dit gebeuren? Nederland is een beschaafd land. Met wetshandhavers! Met hulpverleners!

Woonde dit meisje in een hutje op de hei? Nee, gewoon in een stadje, met heel veel buren om haar heen, met een gezin in haar huis, met een moeder…die helaas niet in staat was haar meisjes te beschermen tegen de ‘bully’ die ze trouwde nadat haar man haar, en de kleine meisjes, had verlaten.  

Mijn hart huilt om dit gezin, ook al is het allemaal al decennia geleden gebeurd. Er blijft altijd pijn omdat het leed van zo’n jeugd onverdraaglijk is. Daarom ook bewonder ik de dame die gegroeid is uit dat kleine meisje van toen. De rechtszaken  die ze met haar moeder en zussen tegen de man heeft aangespannen en gewonnen.

Ik las ergens dat een persoonlijk verhaal ook altijd een universeel verhaal is. Seksueel misbruik komt schrikbarend veel voor. Al die kleine en jonge meisjes, soms ook jongetjes, die in hun eigen huis bedreigd in plaats van beschermd worden. Dat kan wanneer mensen weg kijken. Dat kan wanneer we vinden ‘dat we ons niet met elkaar moeten bemoeien’.  Dat kan wanneer ouders, of één van de ouders, niet sterk in hun schoenen staan. Dat kan wanneer instanties ‘maar wat doen’, in plaats van de gezinnen daadwerkelijk te helpen.

Dit moet stoppen. Echt stoppen. Misschien kunnen we proberen zorg uit te spreken tegenover een ouder waarvan we vermoeden dat er problemen zijn binnen het gezin. Dat vraagt heel veel moed en ik hoop dat ik die moed heb wanneer ik zelf een keer op zo’n situatie stuit.

We kunnen met elkaar niet accepteren wat onacceptabel is.