Dapper-spier

Hij is even naar beneden gerend, waar hij woont, en komt weer naar boven rennen, waar ik woon, met een stuk speelgoed in zijn hand. Zijn broer is vlak daarvoor naar boven komen stormen om dringend van ons toilet gebruik te maken. Hij kijkt een beetje verwilderd en ik vraag: ‘Alles goed jongen? Heb je beneden iemand gezien?’ ‘Nee,’ antwoordt hij, en dan zegt hij iets dat ik niet versta. ‘Wat zeg je?’ vraag ik. Ondertussen is zijn broer weer de kamer in gekomen en zegt: ‘Maar tati was wel beneden hoor,’ en dan zegt het jongetje weer: ‘ik heb wel mijn dapper-spier getraind.’

Met twee kleine jongetjes om me heen gebeurt er altijd zoveel tegelijk dat ik er eerst niet verder bij nadenk. Later, wanneer de jongetjes weer lang en breed bij hun mamma beneden zijn denk ik er wel over na. Ik vind het precies een woord voor dit gezin, ‘dapper-spier’. Ik denk dat het betekent dat, wanneer je iets doet wat je spannend of moeilijk vindt en het toch doet, je je dapperheid traint en dat vind ik wel heel goed.

Vanaf dat we klein zijn moeten we dingen leren en dingen doen die we moeilijk of eng kunnen vinden, of misschien niet willen. En toch moeten we het doen.  Zo lang we jong en klein zijn gebeurt het allemaal in onze eigen kleine kring. Onze ouders letten op ons en er kan ons niet zoveel overkomen. En toch is het verstandig om, zoals in dit gezin wordt gezegd, dan al je ‘dapper-spier’ te trainen.

We zijn allemaal individuen, met ieder onze eigen karakters, goede, slechte, moeilijke en gemakkelijke eigenschappen. Die nemen we mee de grote wereld in en dan moeten we ons redden met hoe we, in onze jeugd, ermee hebben leren omgaan. Angst, frustratie, overmoed en ook brutaliteit kan ons aardig in de weg zitten bij het prettige leven dat we kunnen hebben. Daarom is het goed op tijd te beginnen met reguleren van wat wij, als ouders, goed vinden voor ons gezin.

Laten we allemaal onze kinderen helpen hun ‘dapper-spier’ te trainen. Let op wat ze moeilijk vinden en help ze daarbij, door vooral duidelijk te laten weten hoe wij, als ouders het willen. Ervan uitgaande dat we voor onze kinderen en onszelf het beste willen: een prettig en veilig leven met liefdevolle communicatie.

Wat we nodig hebben is goed naar elkaar kunnen kijken en luisteren, en respect tonen voor het mooie, individuele wezen dat we allemaal zijn en daarbij hebben we zeker onze ‘dapper-spier’ nodig.

Hoe ‘werkt’ het…of eigenlijk…juist niet

Sinds ik een paar vuilniszakken vol zwerfvuil heb opgeruimd kan ik niet meer over straat zonder het zwerfvuil op te merken. Zo liep ik dit weekend langs de speeltuin en zag in de bosjes duidelijk wat blikjes en flesjes liggen. Dit is geen vuil wat de bosjes in waait. Dit is vuil dat er gedumpt is, terwijl dichtbij, aan de andere kant van de bosjes, bij ieder bankje een afvalbak hangt.

Bij mijn opruimrondje afgelopen maandag heb ik niet alleen dat vuil uit de bosjes gegrepen maar ook het voetbalveldje en de omgeving ontdaan van het afval dat daar lag. Aan de kant gewaaid of geschopt. En ik vroeg mezelf af: ‘Hoe werkt dat?’ Ik heb laatst, op een vroege avond wat oudere jeugd bij elkaar gezien in die speeltuin. Misschien is het afval door die oudere jeugd weg gegooid.

Een paar jongeren zitten bij elkaar wat te drinken en wellicht te eten. Ze kletsen en hebben plezier. Voordat ze naar huis vertrekken gooien ze de lege verpakkingen niet in de afvalbak maar in de bosjes. Omdat de afvalbak niet naast, maar enkele meters bij hun vandaan hangt? Omdat het ‘niet cool is’ om het netjes in de vuilnisbak te gooien? Omdat ze gewend zijn alles op de grond te gooien?

Ik dacht: ‘Misschien is het groepsgedrag?’ Oh, hij of zij doet het, dus doe ik het ook maar. Maar ik vind in andere bosjes solitaire flesjes en blikjes. Dan heeft er één iemand gelopen of gefietst (denk ik) en het leeggedronken flesje of blikje hup in de bosjes gesmeten. Dat is dus geen groepsgedrag.

Het is veel gevraagd van een jongere om zijn afval in de afvalbak te gooien wanneer zijn vrienden het in de bosjes gooien. Maar misschien kunnen we onze kinderen leren het gewoon als eerste te doen wanneer ze een lege verpakking hebben. Dan kunnen de vrienden dat voorbeeld volgen…of niet. Maar dan hoeft het voor de jongere geen dilemma te zijn. En we kunnen onze jonge kinderen al wijzen op de afvalbakken en ze leren dat daar het afval in hoort.

Dan werken we spelenderwijs samen aan een beter en schoner milieu.

Apps op mijn telefoon

Ik heb apps op mijn telefoon. Apps die ik dagelijks gebruik. Duolingo is daar één van. Het is een Engels-Spaans app en ik ben die begonnen toen ik niet meer wekelijks fysiek Spaanse les had. In het begin is het veel herhaling, en zo leer je een taal. Ik ben inmiddels gevorderd tot verhaaltjes en podcasts. Ik negeer alle reclame en aansporingen om de betaalde lessen te nemen en krijg daardoor nog nauwelijks punten. Ik verlies ook nog nauwelijks ‘hartjes’ binnen een lesje.

Verder heb ik Wordfeud. Ik speel dat met vijf mensen. Voor ik het speelde vond ik het stom (terwijl ik het niet eens kende) maar nu vind ik het een uitdaging om er zo veel mogelijk punten mee te halen. Net als Duolingo vind ik het ook een goede manier om mijn hersenen aan de gang te houden.

LinkdIn en Twitter bekijk ik meestal 1x per dag. Ik zet er mijn blogs op en zie graag de reacties daarop. Verder wordt mijn aandacht via LinkdIn gevestigd op artikelen over kwetsbare kinderen en daar zijn vaak mooie verhalen over en soms ook verhalen die mij weer inspireren tot het schrijven van een blog.

Onlangs las ik op LinkedIn dat iemand zich uitsprak over het groeiende aantal reclames over kansspelen. Reclames die voor kwetsbare jongeren gevaarlijk aantrekkelijk kunnen zijn. Reclames die ook nog eens worden aangeprezen door bekende Nederlanders van wie ik me afvraag of ze niet weten of begrijpen dat ze een voorbeeld zijn of zouden moeten zijn voor jongeren. Dan vraag ik me oprecht af of de geldelijke beloning voor zo’n reclame maken zo groot kan zijn, dat dat hun blik vertroebelt. Zou dat echt kunnen?

Toen realiseerde ik me dat ook in de reclames die ik in de apps zie steeds vaker hoge beloningen worden ten toon gespreid voor spelletjes als ‘Bingo’. Dat je verschillende mensen ziet met een cheque met een enorm hoog bedrag erop. Ik negeer dat en realiseer me dat er genoeg mensen zijn die dat niet kunnen en erdoor in de problemen kunnen komen.

In de LinkedIn post wordt gesproken over de schande dat de politiek zulke reclames toestaat en ik ben het daar ook wel mee eens…maar die bekende Nederlanders…ook…schande.  

Monogamie versus polyamorie

De 30 jarige Marlene heeft het gevoel dat haar twee jaar durende relatie, die ze een superfijne relatie noemt, is uitontwikkeld. Ze heeft een huis, een goed betaalde baan en een rijk sociaal leven. Ze weet niet of ze kinderen wil, wat de enige logische vervolgstap lijkt op het kaarsrechte spoor waarop ze zich begeeft. Marlene verlangt naar een open relatie. Ze houdt echt van haar vriend maar vraagt zich af waarom hun bestaan er zo conventioneel uitziet. Monogamie, volgens haar inperking van elkaars vrijheid en welk weldenkend mens kan daarvoor zijn, is onmogelijk. Tot zover Marlene’s verhaal in de rubriek ‘de liefde van nu’ in Volkskrant Magazine van 6 november 2021.

Ik heb vaker gelezen dat mensen zeggen dat ‘monogamie niet kan’. De mens zou daarvoor niet gemaakt zijn. Ik heb daar best vaak over nagedacht toen we een stuk jonger waren en nog niet zoveel van elkaar wisten als nu. Ik was erg onzeker en beschermde onze relatie zodanig dat ik bij deze en gene te boek stond als vreselijk jaloers. Ik was bang dat ‘iets wat niets voorstelt’, zoals wel werd gesproken over vreemdgaan, tussen ons iets blijvend stuk kon maken. En tegelijk dacht ik ook wel eens: ‘Misschien doe ik er wel heel spastisch over en maakt dat juist iets tussen ons kapot,’.

Na bijna 40 jaar een monogame relatie weet ik dat wij het gewoon zijn. Wij zijn monogaam. Wij perken elkaars vrijheid op bijna geen enkel gebied in. We gaan ook los van elkaar met mensen om. We zeuren niet en maken geen ruzie, al heel lang niet. En dat we dat vroeger deden (ik, zeuren) had met onze jong- en onervarenheid te maken. We hebben liefde op de eerste plaats voor elkaar, ons gezin en onze familie en intiem zijn we met elkaar (niet met anderen) omdat we dat willen.

Ik vind twee jaar wel erg kort om je relatie al uitontwikkeld te hebben maar misschien kan dat. En ik weet dat je ook zonder open relatie niet op een kaarsrecht spoor hoeft te blijven. Wij hebben, gedurende onze lange relatie, meestal gekozen op basis van impulsiviteit en verwondering, zoals Marlene zegt te willen. En daarvoor hebben we geen open relatie nodig.

Ik denk eigenlijk dat wel of niet monogaam zijn in de genen zit. En ik denk dat het meestal wel in één van de mensen binnen een relatie kan zitten. De ander kan dan verrast worden door zijn of haar partner te verliezen, aan een ander monogaam persoon.

Tropenjaren

Het hebben van kleine kinderen brengt een enorme hoop werk met zich mee. En veel stress en zorg. Het was onze keuze dat ik voor de kinderen ging zorgen, toen eerst onze oudste kwam en drie jaar later onze tweede baby. Ik was op mijn 16de fulltime gaan werken en had, toen de eerste baby kwam, al acht jaar gewerkt. Mijn man is wat later begonnen met werken en we besloten dat ik van 40 uur werken per week terug ging naar 9 uur werken per week tot uiteindelijk een 0 uren contract.

Ik vond het heerlijk thuis voor mijn kleine meisjes te zorgen. De zorgen en ongemak, die wij in die jaren hadden, hadden het minst met hen te maken. Ik heb niet de illusie dat ik het met hen perse goed deed of beter dan dat een ander voor ze zorgde, maar ik wilde het zelf, ze waren in mijn beleving vooral onze zorg.

Ik heb voor de meisjes gezorgd, met ze gespeeld en ik heb ze voorgelezen. We namen ze overal mee naar toe en legden ze te slapen waar we waren, ook als we ’s avonds op visite gingen. Ik was ‘coach, verzorger, entertainer, kok, docent én speelkameraadje’, zoals een moeder, die ervoor koos om een jaar thuisblijfmoeder te zijn, verwoordde in een interview. Maar ik heb me nooit, zoals zij deed, afgevraagd: ‘Maar wie ben ik zelf nog?’ Want ik ben gebleven wie ik was en wie ik ben.

In de jaren dat ik thuisblijfmoeder was haalde ik, met thuisstudie, twee certificaten HAVO waarvoor ik in twee jaar tijd ruim 40 boeken heb gelezen, omdat het om Nederlands en Engels ging. Het was uiteindelijk een goede voorbereiding op mijn deeltijd HBO studie Engels tweede graad, die ik begon toen de meisjes vijf en acht waren. Toen had ik niet alleen de zorg voor de meisjes en het huishouden maar had ik er ook nog een parttime baan bij. En mijn man hielp mee wanneer en waar hij kon. We waren, wat dat betreft, wel een team.

De jaren dat de kinderen klein zijn noem ik tropenjaren. Alles kost veel tijd, moeite en energie. Het maakt eigenlijk niet uit of je ze naar de opvang brengt, of zelf voor ze zorgt. Of jij jezelf kunt blijven heeft te maken met hoe goed je voor jezelf blijft zorgen. Hoe scherp je kunt blijven om de goede keuzes te maken. Dat betekent genoeg slapen en samen met je partner (wanneer je die hebt) communiceren over wat goed voelt voor iedereen. En vooral wanneer je geen partner hebt, zorgen voor een netwerk die je van tijd tot tijd opvangt.

Wie je zelf bent, dat bepaal je zelf. Daarvoor moet je enorm veel verleidingen weerstaan die er zijn in deze tijd en maatschappij. Sociale media, advertenties die je spullen aanbieden voor bijna niets en die je aan de voordeur worden afgeleverd. Ten koste van wat, wie, of misschien wel je eigen gemoedsrust. Je kunt kijken naar wat andere mensen hebben en daartoe misschien wel verleid worden. En misschien kun je beter kijken naar wie andere mensen zijn en of je wel of niet op ze wilt lijken.

De tropenjaren met je kinderen duren echt maar heel kort en blijf in die tijd vooral eerst goed voor jezelf zorgen.

Stel je voor…

Hoe zou het zijn als elke dag, uit elke straat iemand een kwartiertje erop uit zou gaan om het zwerfvuil op te ruimen. Bij toerbeurt twee of drie personen in een heel lange straat. De parken, bossen en stranden zouden overblijven voor de gemeentemedewerkers om schoon en netjes te houden. Wat zouden we een schoon, net en milieuvriendelijk Nederland hebben.

Hoe zou het zijn als alle mensen zich als mensen konden gedragen. Van andermans spullen afbleven en van andere mensen af konden blijven. De hulpverlening zou beschikbaar zijn, en hun werk goed kunnen doen, voor de mensen die hen nodig hebben. Omdat ze ziek zijn en echt hulp nodig hebben. Er zou zoveel minder angst, verdriet en onrust zijn.

Hoe zou het zijn als meer oorspronkelijke gezinnen bij elkaar konden blijven. Als binnen die gezinnen zo goed gecommuniceerd kon worden dat er meer begrip en compassie voor elkaar zou kunnen zijn. Dat de liefde de kans kreeg sterker te worden en daarmee de gezinsleden aan elkaar kon verbinden. Er zou minder geld nodig zijn voor de kosten van een scheiding en er zouden veel minder huizen nodig zijn. Bovenal zouden meer kinderen bij hun eigen ouders op kunnen groeien en daarmee meer rust in hun leven hebben.

Hoe anders zou de maatschappij zijn wanneer we bewuster in het leven konden staan. Wanneer we allemaal zouden begrijpen dat wijzelf verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dat wijzelf, in hoge mate, de regie over ons leven kunnen hebben.

We hoeven niet te kijken naar een ander. We hoeven niet te wijzen naar een ander. Kijk naar jezelf. Wat voor echtgenoot, partner, ouder, kind, broer of zus, wat voor vriend, kennis, werknemer ben je. Wat voor mens ben je.

Hoe zou het zijn als niet de oppositie alles zou afbranden wat de regering probeert voor ons land te doen. Als politici eerlijk zouden zijn over wat ze daadwerkelijk niet goed doen of hebben gedaan. Als ze zich niet verschuilen achter ‘daar geen herinneringen meer aan hebben’. Als ze een betere afweging konden maken tussen het belang van de mensen en het belang van de economie, die echt niet eindeloos kan blijven groeien.

Hoe anders zou ons mooie land eruit zien wanneer we ons daadwerkelijk met elkaar zouden verbinden, en niet vooral via sociale media. Wanneer we onze kinderen leren verantwoordelijkheid voor zichzelf en soms een ander te nemen. Wanneer we elkaar kunnen aanspreken zonder ons ‘aangevallen’ te voelen. Dat we graag bij elkaar willen zijn en niet omdat het moet.

Ik geloof dat de maatschappij anders kan zijn en ik geloof dat ‘goed gedrag’ begint in het gezin. Wanneer we oog hebben voor elkaar en onze kinderen. Wanneer we hun en ons belang voorop stellen. We hebben niet veel spullen nodig en geld en status is mooi…maar zeker niet het belangrijkste.

Merry Christmas Everybody

Toen onze kinderen nog klein waren kreeg mijn liefste voor zijn verjaardag, ongetwijfeld van een goede vriend, een cd. We hadden nog geen cd speler en het was een mooie gelegenheid om die te kopen. We vonden een goede, en voor ons betaalbare speler, in een klein winkeltje in het centrum. Bij het afrekenen griste (en betaalde) ik de voorste cd uit een rekje op de toonbank, zo hadden we er in ieder geval twee.

Welke cd wij ooit als eerste kregen weet ik niet meer, maar de tweede cd was een kerst cd met een beetje suffe voorkant. Naast de titel ‘Merry Christmas Everybody’ staat schuin afgebeeld een halve, eenvoudig getekende, dennenboom met muziekinstrumentjes erin gehangen en erachter wat notenbalken met muzieknootjes. De samenstelling van liedjes, kerst en wintersongs vind ik, na ruim dertig jaar, nog steeds geweldig. De cd begint met het a capella begonnen ‘Sleigh Ride’, uitgevoerd door de Carpenters, gevolgd door het bijzondere ‘David’s song’ van de Stoneage achtige Kelly Family met de jonge jongen met zijn volwassen stem.

De cd heeft 18 nummers, bekend en onbekend, uitgevoerd door solisten als Elton John (Cold as Christmas) en Rita Reys (Have yourself a merry little Christmas), bands als Abba (Happy New Year) en Slade (Merry Christmas Everybody) en het instrumentaal uitgevoerde ‘Santa Claus is coming to town’ door Bert Kaemfert, een artiest van wie ik nog nooit gehoord had.

Ik was, en ben nog steeds, gek op die cd. We hebben hem jarenlang gedraaid van oktober tot en met maart totdat mijn liefste dat te gek vond en wij dat aanpasten tot draaien van november tot en met februari. En nog steeds begint het bij mij te kriebelen wanneer ik begin november de kerst cd, nog niet heb gedraaid.

Ik heb het eerste exemplaar letterlijk stuk gedraaid. Gelukkig had een bevriend stel diezelfde cd in de kast staan, door hen misschien één keer gedraaid, en stonden zij die liefdevol aan ons af. Daardoor kan ik er ook dit jaar, en nog heel lang, van genieten.

Door het steeds weer draaien van deze cd heb ik veel kerstherinneringen aan de jaren dat onze kinderen nog klein en van ons afhankelijk waren. De kersttruitjes die ik voor ze breidde toen ze twee en vijf waren. Hun glimmende koppies erboven die we ook vastlegden op de foto, samen zittend voor de kerstboom. De dagen dat ik bij Albert Heijn werkte tot aan kerstavond en de feestelijke pannenkoeken die de meisjes toen gebakken hebben als verrassing bij mijn thuiskomst. De kerstavond dat ik met mijn oudste de wijk rond fietste om nog zoveel mogelijk kaarten te bezorgen omdat ik door de drukke studietijd geen tijd had gehad om ze allemaal op te sturen. De kennis die die avond was komen aanwaaien en die we uitnodigden bij ons te blijven kersteten, het diner met de rollade die ik van tevoren had klaargemaakt.

Fijne kerstdagen allemaal en dat we weer mooie herinneringen mogen maken.

Herinneringen

1963 Ik ben vier en mijn broer is zes. Hij heeft bij het steppen (ik voorop zittend, hij staand steppend) per ongeluk op mijn rokje gestaan waardoor er een scheur in is gekomen. Ik maak me een beetje bezorgd om mijn moeder. Omdat ze zou mopperen? Of omdat ze al zoveel werk heeft met al haar kinderen. 1964 Ik ben vijf en loop naar huis, al in onze straat. Een buurmeisje (zes of zeven) vraagt of ik meega achterop haar fietsje. Ze slingert een beetje en opeens lig ik op de grond met mijn enkel kapot. Er gaapt een groot gat waar veel bloed uitstroomt. Een buurmeisje komt met een deken en mijn vader wordt geroepen. In zijn armen op weg naar de in de haast gebelde taxi roep ik: ‘Doe er maar een pleister op, ik wil er een pleister op!’ 1966 Ik ben zeven en mag één van de zeven dwergen spelen in ‘Sneeuwwitje’. Van het schooloptreden weet ik niets meer maar ik weet nog precies welke zus mij kwam ophalen nadat we voor de lieve oude mensen in het Menno Lutterhuis (het laatste huis waar onze ouders hebben gewoond) hebben opgetreden. 1968 Ik ben negen en ik val, samen met mijn nichtje, van een pony. Ik breek mijn arm net onder de elle boog en mijn pols. In de drie weken (!) dat ik in het ziekenhuis lig komt mijn hele familie op bezoek.

1969 Ik ben tien. Mijn broer is naar de groenteboer gegaan om aardappels te halen. Ik sta voor het raam naar hem uit te kijken. Ik ben blij wanneer ik hem in het donker ontwaar, zijn pet met de oorkleppen op en achter zich aan de slee trekkend met de zak met aardappels erop. 1971 Ik ben twaalf. We zijn op schoolreisje. Ik zit met een vriendinnetje in de speeltuin wanneer Robbie voorbij komt lopen. We roepen hem plagend iets toe, wetend dat hij daarvan in de war zal raken. Pas dan zien we dat de meester achter hem loopt. Hij kijkt ons verwijtend aan en zegt: ‘Niet doen, dat is niet leuk,’

1972 Ik ben 13. Als enige twee brugpiepers (heette dat toen al zo?) mogen mijn vriendinnetje en ik meedoen met een jongensband uit de tweede klas. We zingen van de Beatles ‘All my lovin’’ en ‘Octopus Garden’ (hier is mijn liefde voor het podium ontstaan). 1976 Ik ben 16. Het is Valentijnsdag en ik sta te dansen met de jongen op wie ik al maanden smoorverliefd ben. Ik ben in de zevende hemel, terwijl ik weet van het meisje dat daags daarna van hem ‘de bons’ krijgt. 1978 Ik ben 19 en krijg op mijn beurt van hem ‘de bons’. Ik weet dan al van zijn ontrouw (ook in onze relatie) en blijf toch nog lang van hem houden. Ik ga alleen wonen in het huis dat ik niet meer af durfde te zeggen (daardoor ging ik op mijn negentiende uit huis) en waarvan hij nooit heeft gezegd met mij te gaan wonen.

1981 Ik ben 22 en trouw met de man met wie ik meer dan drie jaar samen ben geweest, terwijl mijn hart hing aan die ander. 1982 Ik ben net 23 geworden en kijk in de ogen van de (jonge)man, voor wie ik niet alleen het huwelijk liet stranden, maar die voor altijd mijn leven veranderde.

Familie

Met ons grote gezin hadden we gemakkelijk het programma ‘Een huis vol’ kunnen vullen. Ik kijk niet veel televisie, maar bij de stukjes die ik wel heb gezien, viel mij op dat ik het ‘zo veel’ vond. Acht, negen of tien kinderen, zo veel, zo druk. Ons gezin telde twaalf kinderen en dat heb ik nooit als ‘veel’ ervaren. En misschien is dat ook logisch. Ik maakte er onderdeel van uit en ervaarde het daarom als ‘gewoon’.

Voor mij was het handig dat er zoveel rolmodellen waren, dat er altijd iemand was om met mij mee te gaan, om mee te spelen, om mee te praten. Misschien waren er, in ons gezin, dingen die beter besproken hadden kunnen worden en die onbesproken bleven. Mij heeft dat nooit belemmerd te bespreken, benoemen wat ik belangrijk vond. Zelfs wel eens tegen wil en dank van degene die tegenover mij zat, ben ik bang.

Door onze familieband en het feit dat we van elkaar houden (al zeggen we dat zelden tot nooit tegen elkaar) is mij veel vergeven en kon ik trouw zijn aan mezelf en worden wie ik ben. Dat dank ik aan mijn familie. En aan de invloed van mijn man en kinderen. Zij zijn voor mij net zo belangrijk, de volgende kern van een nieuwe familie.

Ik vind het verdrietig te zien hoe families uit elkaar vallen, vaak na het overlijden van de ouders. Mensen die zeggen: ‘Ja, ik heb een zus (of broer), maar die zie ik nooit,’. En ik ken de verhalen, die eraan vooraf zijn gegaan, maar toch… Ook in onze familie en ons gezin hadden zulke verwijderingen zich kunnen voordoen. Ik denk dat dat altijd kan, maar wij kozen ervoor dat niet te laten gebeuren.

Ik ben blij met mijn familie, ik zou er niet één van kunnen missen. En daarom koester ik ze en probeer met ze te praten als ik denk dat er iets speelt. Mijn familie en mijn kinderen heb ik niet kunnen kiezen, maar zoals ik vroeger tegen mijn kinderen zei, toen ze nog heel klein waren: ‘Het kon niet maar als het had gekund, dan had ik jou gekozen,’

Vreemdgaan heeft vele gezichten

In het Volkskrant Magazine lees ik over een jonge moeder, haar kinderen zijn vier en vijf jaar, die al twee jaar een buitenechtelijke relatie heeft met een collega. Elke zes weken ontmoeten zij elkaar privé en maken dan samen een lange, liefdevolle wandeling. Er wordt gezoend en er worden gesprekken over het leven gevoerd en daaruit lijkt de relatie te bestaan.

De jonge moeder gaat er bijna kapot aan en tegelijk leeft ze op deze ontmoetingen. Ze heeft meerdere keren bij haar man aangegeven dat ze niet gelukkig is in hun relatie, dat ze meer verbondenheid met hem wil en hij doet het af als ‘haar probleem’.

In een ander blad lees ik over een jonge vader die bij zijn vrouw een piepjonge stagiaire van zijn werk aanbeveelt als oppas voor hun kind. Ze kunnen dan tegelijk sporten en zo meer tijd voor elkaar hebben op andere avonden. De jonge moeder heeft lang niets in de gaten. Totdat ze een keer besluit toch niet te gaan sporten, ze voelt zich niet lekker en heeft zich door haar man laten overhalen wel te gaan. Thuisgekomen vindt ze haar man met de oppas/stagiaire in hun echtelijk bed.

De man stamelt dat het ‘niet de bedoeling was’ en moet diep door het slijk, en het duurt een hele tijd, voordat zijn vrouw hem kan vergeven (voor de kinderen, of misschien toch ook voor haarzelf).

Toen ik zelf net de veertig gepasseerd was las ik over een echtpaar, iets ouder dan ikzelf, waarvan ook de man was vreemdgegaan. Hoe deze relatie verder ging weet ik niet meer, maar wel dat ik me erover verbaasde dat de dame van het stel dacht ‘dat je op die leeftijd toch geen seks meer had’.

Ik wilde juist niet vreemdgaan waardoor ik, na een half jaar huwelijk, mijn man verliet. De man waarvoor ik dat deed, en met wie ik al bijna 40 jaar samen ben, had mij de ogen geopend en mij laten zien hoe mannen ook kunnen zijn. Ik had het geluk dat ik nog geen kinderen had en ik denk dat mijn ex-man, in ieder geval uiteindelijk, begreep dat ik met mijn man een veel betere match ben. Ik had, als ik het had gekund, hem deze ervaring liever bespaard.

Ik heb er vaak moeite mee als mensen vreemdgaan, en ook als mensen gaan scheiden, wanneer er jonge kinderen in het spel zijn. En toch kan ik het soms ook zo goed begrijpen. De verhalen zijn altijd verschillend en hoewel ik ervan overtuigd ben dat je met goede communicatie vaker dan we denken vreemdgaan en scheiden kunt voorkomen, weet ik dat je soms tegen de klippen op kunt communiceren en het toch niet kunt voorkomen.

Toch is het alles waard te communiceren, hoe moeilijk dat ook is, wanneer je je over je relatie onzeker voelt. Als er liefde is, vecht er dan voor, omdat je kinderen, je liefste en jijzelf, het waard zijn.