Eternal flame

Ik werd wakker met het mooie liedje ‘Eternal flame’ van The Bangles in mijn hoofd. Zin voor zin kwam bewust in mij op. ‘I believe, ’t was meant to be, darling. I watch you when you are sleeping, you belong with me’. En dan verder in het liedje ‘A whole life, so lonely and then you come and ease the pain, I don’t want to loose this feeling’.

En opeens weet ik het: dit zijn wij, dit gaat over ons. Onze relatie, ons samenkomen was tegelijk onmogelijk en onvermijdelijk. Aldoor vraag ik mij af hoe het kan dat ik me tegenover hem vaak zo voel: blij, trots, een beetje verlegen en ook een beetje dankbaar.

Ik ben nog steeds in een menigte of zelfs een kleinere groep mensen ‘verloren’. En dan is hij mijn veilige baken. Zoals ik in de vroege ochtend schreef in een gedicht ‘… my beacon in the crowd’. Ook in abstracte zin klopt het. Deze wereld is voor mij complex, zoals het is voor veel mensen. En lang geleden, toen ik mij net in een onmogelijk leven had gestort, was hij daar en loste het voor mij op. Nu zorgen wij, al heel lang, voor elkaar. Hij lenigt mijn nood en ik die van hem en ik weet: our flame wil eternally burn.

Om dat in woorden te vatten is niet gemakkelijk en daarom werd ik vanmorgen met het liedje wakker en moest ik huilen omdat ik het opeens begreep. Ik stond op en schreef de eerste woorden van het gedicht ‘I wake up with the song in my head…’.

Ik voel me Santiago, de jonge herder uit het bekende boek van Paulo Coelho ‘De Alchemist’. Om op mijn leeftijd de schat te vinden die er altijd al lag ontroert me diep.

Ik had al heel veel liefde toen hij in mijn leven kwam. Ik heb het al vaker geschreven, van mijn grote familie had ik niemand kunnen missen. Van hen heb ik mijn leven lang de onvoorwaardelijke liefde gekregen zoals wij, hij en ik, die nu ook geven aan onze kinderen en hun gezinnen. Behalve natuurlijk onze schoonzoons zijn zij onze bloedverwanten en dat maakt het tussen hem en mij anders. Dat hij kwam en onder de toen lastige omstandigheden bleef was een keuze…en dat maakt dat het me zo ontroert.

De waarheid

We hebben allemaal onze eigen kijk op gebeurtenissen. Dingen gebeuren en daar vinden we wat van. Moet dat? Nee, dat hoeft niet, maar het is wel menselijk, het ‘overkomt’ de meesten van ons. Echt kwaad doet het op dat moment nog niet. We kunnen iets mooi of lelijk vinden, leuk of niet leuk. We kunnen het ook met anderen delen want we vragen ons ook vaak af, wat een ander daarvan vindt. En we voelen ons dan het prettigst wanneer de ander onze mening deelt. Dat voelt gewoon het fijnst.

Wij mensen zijn bijzondere creaturen, of ik moet dat in mijn eentje zijn, maar dat geloof ik eigenlijk niet. Onze reactie op wat wordt gezegd hoeft niet iets te zeggen over hoe we ons er echt over voelen. Dat kan namelijk van moment tot moment verschillen. Het ene moment wordt mij iets verteld en heb ik de behoefte daartegen te ageren omdat ik het er niet mee eens ben. Op een ander moment kan de sfeer zodanig zijn dat ik over dezelfde uitspraak totaal niet de behoefte heb ertegen te ageren. Ik bent het er niet mee eens maar weet dat de spreker er stellig van overtuigd is. Ik heb er niets meer of minder om wanneer ik ertegen ageert terwijl ik me ervan bewust ben hoe lastig het voor de ander is wanneer ik dat wel doe.

Voor mij maakt het inmiddels niet meer uit. NIVEA, niet invullen voor een ander, dat ik lang geleden leerde in een cursus op school, beheers ik tegenwoordig. Tegen mij kun je alles zeggen, op wat voor toon dan ook, want ik laat het bij jou. Ik ga uit van je goede bedoeling en zal hoogstens zeggen dat ik dat anders zie. Of vragen waarom je iets vraagt of zegt wanneer ik dat niet begrijp.

Soms vellen mensen een oordeel over je en kunnen dat niet meer bijstellen. Zij hebben ‘de waarheid in pacht’, zij weten hoe het zit. Ik kan dat niet. ‘De waarheid’ bestaat volgens mij niet. Je kunt overal wat van vinden, je kunt het ergens mee eens of oneens zijn. Maar het kan niet zo zijn dat jij gelijk hebt omdat jij dat vindt en ‘dus’ de ander ongelijk heeft. Zo ‘werkt’ het in het leven niet. Dat is althans mijn mening.  

Doelgroep

Ik vraag me best vaak af wat de reden is dat mensen niet vragen om de hulp die ze nodig hebben, of de hulp die ze krijgen aangeboden afslaan. Ik werk voor een project dat lessen biedt aan ouders van jonge kinderen tussen de 2 en 7 jaar. Het filmpje dat wij daarover kregen bij de start liet een peuter zien op een stoeltje voor de televisie. Elders in huis hielden de ouders zich met andere dingen of zichzelf bezig en wanneer zij in beeld kwamen maakten ze geen contact met het kindje.

In de volgende beelden zagen we het kindje groter worden, naar school gaan, blijven zitten op de basisschool en stranden op het voortgezet onderwijs omdat ze gaande weg steeds meer begon achter te lopen op haar klasgenoten. Wanneer opnieuw een peuter op een stoeltje voor de televisie in beeld komt is mij duidelijk hoe ook dit kindje begint aan eenzelfde leven als haar moeder en daarmee verminderde kans op een geslaagde schoolloopbaan en aansluitende arbeidsloopbaan.

De cursus is oorspronkelijk bedoeld om laaggeletterdheid in ons land tegen te gaan en na het geven van de lessen aan meerdere groepen cursisten kan ik zeggen dat de enkele, vermoedelijk laaggeletterde ouder die we hebben gehad in een aanmelding is afgehaakt en nog waarschijnlijker is dat juist degenen die de doelgroep vormen zich niet aanmelden.

Verder merk ik in mijn omgeving veel van mensen die hulp kunnen gebruiken en daar niet om vragen of het afwijzen. Ik begrijp het heel goed wanneer het schaamte is, of misschien willen of kunnen ze er niet voor betalen. En ik vind het ook jammer. Toen ik 32 jaar geleden door de huisarts werd doorverwezen naar een psychologencollectief kon ik hun hulp niet betalen. De psycholoog die ik sprak vond wel dat ik geholpen moest worden en zij adviseerde mij met de brief van de huisarts naar de toenmalige GGZ te gaan. Wat ik daar moest betalen was een fractie van wat ik bij het collectief had moeten betalen. In twaalf sessies ben ik daar enorm goed op weg geholpen en het heeft mij jaren aan mezelf werken gekost, met behulp van mijn ‘zelfhulpschrift’, om te komen waar ik nu ben. ‘Gekost’, maar ik had het voor mezelf en mijn gezin over en ik blijf die eerste psycholoog die ik sprak en mij doorverwees eeuwig dankbaar voor haar hulp. Voor het onderkennen van mijn probleem en mij te helpen door mij naar een ander door te verwijzen.

Toen tegelijk een aantal familieleden achter elkaar overleed in korte tijd en ik op school niet meer kon functioneren zoals ik wilde en goed vond, heb ik alle hulp ingezet die ik kon krijgen en daar veel voor betaald (een psycholoog en een psychiater, na de coach die door school voor mij was ingezet) omdat we dat inmiddels konden en ik die hulp nodig had.

Onze geestelijke en lichamelijke gezondheid is wat er echt toe doet. Het heeft invloed op ons en onze omgeving en op wat we willen en kunnen. Schaam je nooit omdat je hulp nodig hebt, daar zijn hulpverleners voor. En zoek verder wanneer je hulp wordt geboden dat voor jou niet goed (meer) voelt.

Het wordt wat luchtig gezegd in een L’Oreal reclame, maar ze hebben helemaal gelijk. Doe het: Omdat je het waard bent.

Saai? Nee hoor

Mijn man staat op en ik zeg: ‘Ik kom ook zo,’ Ik trek de gordijnen open en pak mijn telefoon. Ik begin aan mijn dagelijkse twee lesjes Engels-Spaans met Duolingo. Uit de keuken roept mijn man: ‘Wil je ook thee?’ en even later komt hij er al mee binnen en zet mijn theeglas op het nachtkastje: ‘Ha, lekker,’ zeg ik, ‘dank je,’

Als ik in de kamer kom, na mijn lesjes, zegt mijn man: ‘Het is mooi weer,’ en ik zie door ons raam het mooie rustige herfstweer. Hij gaat naar de keuken en vraagt: ‘Even lopen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik moet nog een broodje,’ ‘Ik ook,’ zegt hij.

Buiten is het pittig, fris. Onze dochter is bij ons geweest en heeft een pakje laten liggen dat we lopend gaan brengen. We praten best veel onderweg. Ik heb de neiging om al het moois dat ik zie op te noemen en hij knikt soms instemmend, kijkt mij aan met een lachje, of geeft er zijn commentaar op. En we praten ook over de grote gebeurtenissen in de wereld, de Covid die we proberen op onze manier mee te bestrijden en de wisseling van presidenten in het door midden gescheurde Amerika. ‘Wie er ook bij ons wordt gekozen…,’ zegt mijn man, ‘niemand gaat de straat op of schreeuwt of huilt erom,’ Het is bij ons gelukkig niet zo extreem en ik geloof niet dat hier iemand zo overtuigd is van zijn gelijk als de president van Amerika van de afgelopen vier jaar. Ook niemand die zulke bijzondere tweets uitdoet en zo respectloos het woord respect in de mond neemt.

Wanneer we de spoorbrug zien waar we vaak onderdoor zijn gereden zegt mijn man: ‘Ik wil er wel een keer op,’ en wanneer hij ’s middags zegt: ‘Zullen we nog even naar buiten,’ weet ik dat we die kant op gaan. Fietsen gelukkig want de wandeling van de ochtend en die van de vorige dag zit aardig in mijn benen.

We vinden het fietspad naar de spoorbrug en fietsen de best lange brug over. ‘Kijk,’ zegt mijn man, ‘daar, de bruggen (waar we vaak over rijden, fietsen of lopen), de wijk van ons kind. Wat een uitzicht.’ We zien van ver de koeien in de wei, de mooie bomenreeksen. Het mooie Groningerland. We fietsen nog een nieuw pad door dat mooie land en zien hier en daar de mooie huisjes en boerderijen. Wat een heerlijke dag, genieten.

‘Wat fijn dat ik niet hoef te koken,’ zeg ik, want we eten die avond bij familie. Thuis drinken we een kopje thee, zien een (stuk van een) wedstrijd en maken ons klaar voor de avond. Zo’n lekker dagje, niets moet, niets hoeft…genieten.

De mysteries van het leven

Soms denk ik dat ik weet hoe het zit. Dan weet ik zeker dat iedereen een keus heeft. Dan weet ik dat het beste voor kinderen is dat ouders hen het leven ‘gewoon’ goed voorleven. Dan denk ik dat ‘toch iedereen geholpen kan worden’?

En vaak denk ik, of hoor ik mijzelf zeggen: ‘Dat snap ik niet,’ En ik vind dat mijn broer die dan zegt: ‘Je hoeft ook niet alles te snappen, Ro’m,’ volkomen gelijk heeft.

Hoe zit het nou? Hulpverleners (en als coach reken ik mezelf daar ook onder) doen hun uiterste best om mensen te helpen. Vooral niet ‘redden’ maar ‘helpen’. Toch lukt dat niet altijd. Je kunt alleen wat je kunt. Niet meer, en dat geldt voor ons allemaal.

Heeft iedereen een keus? Dat denk ik wel. Kan iedereen een keus maken? Inmiddels denk ik dat dat niet altijd zo is. Vroeger dacht ik heel simpel dat veel mensen niet (meer) kunnen kiezen omdat ze dat als kind is afgeleerd. Dat ze van hun ouders niet zelf keuzes mochten maken, of vaak iets wilden (hebben of doen) wat dan niet mocht waardoor ze het afleerden om te kiezen. Maar, denk ik nu, dat is veel te kort door de bocht.

Ik kan heel goed kiezen, ik weet precies wat ik wil. Ik wil niet zoveel maar wat ik wil gebeurt. Linksom of rechtsom. Toen bij een tweede coachsessie de coach dat zo tegen mij zei was ik eerst verbaasd. Ik dacht: ‘Hoezo?’ En ik realiseerde me dat dat wel moest blijken uit onze gesprekken. Maar hoe het kan?

Ik kom uit een gezin van twaalf kinderen, dus ik had niet veel te kiezen. Schone kleren werden voor ons klaargelegd en ik droeg veel kleren die ook al van oudere zussen waren geweest. Dat vond ik prima. Nieuwe kleren kozen we uit ‘de Wehkampgids’ wanneer we aan de beurt waren. Misschien ben ik daardoor in een winkel vol kleding nog steeds een beetje verloren, ik kan dat niet goed overzien. Kan ik goed kiezen omdat er voor mij vroeger niet veel keus was? Is dat het? Dat veel mensen niet kunnen kiezen omdat er teveel keus is?

En wat het opvoeden betreft? Ik blijf ervan overtuigd dat ‘goed voordoen’ het beste werkt. Kinderen zijn copycats. Ze doen wat jij doet. Het moeilijke zit hem in wat ‘goed’ is. Groenten eten is goed en teveel alcohol drinken is niet goed. Volgens mij is dat wel een veilige bewering. Maar verder? Wat de één goed vindt, vindt de ander niet goed en wat voor iemand goed is, is niet per se goed voor iedereen.

Gelukkig hoeft het niet perfect en mogen we fouten maken. Maar streven naar het beste voor je kind lijkt mij niet verkeerd. En wat dat ‘beste’ is? Dat kun je volgens mij ‘het best’ samen als ouders/verzorgers uitmaken. Maar wees daar ook kritisch in, naar elkaar. Ten slotte, mysteries of niet, gaat het om het allerbelangrijkste in ons leven…onze kinderen.

Jongetjes

Vanonder de koffietafel klinkt gebonk en ander geluid. Een klein jongetje kijkt gespannen toe. Dan klinkt er een opdracht: ‘Zwarte sleutel,’ en hij gaat op zoek. Wanneer hij met ‘iets’ terugkomt klinkt bars: ‘Ik stuur je terug, dit is niet goed,’ In de achterkamer waar ik achter een bakje met kleurtjes zit te schrijven rommelt hij op zoek naar ‘iets zwarts’. Nee, een zwarte stift heb ik niet, wel een zwart potlood,’. Hij neemt het mee en het is goed. De ‘monteur’ onder de ‘auto’ doet er iets onduidelijks mee en de auto is gemaakt. Wanneer ik om het hoekje kijk zie ik zijn broer soepel onder de tafel uitschuiven alsof hij daadwerkelijk op een karretje met wieltjes onder een auto, waaraan hij net heeft gewerkt als monteur, uitrijdt. De hele dag zullen ze, om de beurt, onder de tafel schuiven om iets aan de ‘auto’ te doen.

‘Groot,’ zei Noah, toen hij onze kamer binnenkwam en ik realiseer me dat ze de afgelopen paar keer in ons tiny house aan het meer op bezoek waren en dat de laatste keer hier, in de stad, voor hem lang geleden is. Zoals ‘lang’ kan zijn, wanneer je nog maar bijna 4 bent.

Ze zijn verbazend snel weer ‘thuis’ en missen blijkbaar hun ouders niet. Dat ze nu bijna 4 en net 7 zijn kan ik goed merken aan het feit dat ze samen spelen, bijna zonder dat ze ons nodig hebben. Ze stoeien graag, gooien onze losse kussens naar elkaar en rennen heen en weer over de bank en eraf. Zitten elkaar achterna om met een kussen te slaan. Tussendoor spelen ze met lego en de kleine autootjes die niet perse over het autokleed rijden. Ik hoor mezelf roepen: ‘Pas op, kijk uit,’ en ‘ik ben bang dat jullie je zeer doen,’ terwijl ik achter aan de tafel zit te schrijven en orde probeer te scheppen in wat paparassen.

Opeens hoor ik een gil en wanneer ik opzij kijk zie ik Noah, hoofd naar beneden, over de zijkant van de bank storten. Hij vangt zich met zijn handen op en zit met een soort salto opeens op zijn billen. Hij kijkt mij verwilderd aan als ik kom aanstormen en zegt: ‘Niks aan de hand, gaat goed (hoor ik daar zijn moeder?),’ en tot mijn verbazing begint hij de lego (waar hij middenin is gestort) in een van de bakken te gooien.

Ik heradem wanneer ik inderdaad zie dat er niks aan de hand is. Achter mij herademt ook Indi die ongetwijfeld achter zijn broertje aanzat buiten mijn gezichtsveld. Jongetjes zijn nou een keer jongetjes. Ze zijn nog nooit minder gaan rennen en stoeien omdat ik riep: ‘Pas op, kijk uit,’ en ik troost me er altijd mee dat ze dit soort dingen dagelijks doen zonder dat ik het weet.

Wanneer zij net liggen te slapen belt de oudste neef of hij ‘als verrassing’ ook mag komen slapen en ik weet dat dat morgen een enorm feest zal geven wanneer de jonkies dat ontdekken.

Echt?

Ik kijk met verbazing, of misschien moet ik zeggen, ontzetting naar het scherm. Ons land is nummer drie op de ranglijst van landen met de meeste Coronagevallen per 100.000 inwoners. Misschien heeft het een relatie met wat ik verder zie: politici en verslaggevers die worden lastig gevallen door schreeuwende mensen die ze beschuldigen van het verspreiden van nepnieuws. Meneer Wilders die een tweet plaatst waarvan de inhoud nog meer mensen opzet tegen andere mensen. En dat allemaal in ons land.

Ik probeer te bedenken wat zij niet begrijpen. Er is een pandemie, er gaat een ziekte rond die we met elkaar moeten bestrijden. We krijgen aanwijzingen om op te volgen in een poging verdere verspreiding van deze ziekte te voorkomen. Het enige dat we hoeven te doen is deze aanwijzingen op te volgen. Hoe moeilijk kan het zijn?

Net als veel andere Nederlanders ben ik wat eigenwijs. Ik doe graag mijn eigen ding op mijn eigen manier. Ik wil niet al te afhankelijk zijn van mensen die niet behoren tot mijn ‘inner circle’. Ik doe wat ik goed vind en graag wil, en ik stop wanneer ik het zelf genoeg vind en daar heb ik altijd, voor mezelf en de mijnen, een goede reden voor.

Ik heb een enorme hekel aan prikken en zal me wellicht niet laten vaccineren wanneer er een vaccin komt. De logica voor mij is dat, wanneer voldoende mensen in mijn omgeving zich wel willen laten vaccineren ik niet ‘hoef’. Maar wanneer het wordt verplicht of ten strengste aangeraden om de pandemie te stoppen, dan doe ik het.

Ondertussen komt de ziekte dichterbij. Terwijl ik ’s nachts wakker lig omdat ik een beetje keelpijn voel opkomen denk ik: ‘Oh nee, het zal toch niet?’ en ik realiseer me dat ik banger ben dan ik dacht om het ook te krijgen. De volgende dag blijkt het gelukkig vals alarm en haal ik weer opgelucht adem.

Mijn stelregel is: bedenk met je communicatie wat het voor wie bijdraagt. Ik sta ook open voor elke vorm van communicatie. Je mag mij alles vragen en je mag mij ook alles zeggen. Ik heb (bijna) overal begrip voor. Waar ik geen begrip voor heb is schreeuwende groepen mensen. Ik begrijp dat mensen moeten kunnen protesteren en demonstreren, ik begrijp dat het hun recht is. Doe het vooral volgens de voorgeschreven regels en …nu komt het… laat ook anderen gewoon hun werk doen. Daar hebben zij recht op en het is nodig voor de mensen die het slachtoffer zijn geworden van deze pandemie.   

Discriminatie, schofferen?

‘Sambalbij’ staat in grote letters boven het artikel. Het gaat over discriminatie en ik lees over de pijn die Aziaten hebben gevoeld bij bijvoorbeeld ‘Shanky Wanki Shang Wang’. Dat is hoe wij het verjaardagsliedje zongen in wat ik dacht dat Chinees was. Het volgde steevast op de versies ‘Happy birthday to you’ en ‘Voor je verjaardag veel geluk’. Ook over ‘Ushi’ wordt gesproken, de komische en doortastende Japanse journaliste die de grote sterren, die zij eerder die dag als Wendy hadden ontmoet, de intiemste details uit hun leven wist te ontfutselen. Ze deed dat heel grappig en knap en dat was precies wat ik erin zag.

Ik ben ook Aziatisch en dacht altijd dat ik in mijn leven nooit was gediscrimineerd en zo heb ik het ook altijd gevoeld en dat doe ik nog. Ik had één keer telefonisch contact met een dame die ik via mijn werk een keer had ontmoet en toen ze zei: ‘Jij bent toch een pinda?’ zei ik: ‘Ja, dat klopt,’ en wist toen dat ze wist met wie ze sprak. Het was een tijd waarin ik in de winkel één van de twee niet-blanke medewerkers was en dat zij dat tegen mij zei schokte niet mijn wereld omdat ik ervan uit ging dat zij het vroeg om zeker te weten dat ik het was en niet een van de andere collega’s.

De jaren dat ik op school stond maakte ik er een punt van binnen heel korte tijd mijn leerlingen bij naam te kennen. Waar collega’s zich behielpen met: ‘Bedoel je dat dikke meisje?’ Of: ‘Die jongen met die bril?’ ‘Die rooie?’ of ‘Die altijd zo raar lacht,’ kon ik bijna altijd hun naam noemen. Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega’s hiermee nooit de intentie hadden om iemand te discrimineren of te schofferen maar wel om zeker te weten dat wij het over dezelfde leerling hadden.

Met het artikel komt ook bij mij weer ‘de Zwarte Pieten discussie’ naar boven. Ik heb vroeger enorm genoten van het kinderfeest van het jaar. Zwarte Piet is en blijft voor mij een sprookjesfiguur, het knechtje van Sinterklaas zoals ooit voor de verhalen is bedacht. Zoals het is gegaan met die discussie vind ik … nee, niet jammer, dat is niet het juiste woord vanwege de mensen die zich geschoffeerd voelen door de lading die eraan is gegeven, maar het had misschien anders gekund. Toen ik met mijn drie jarige kleinzoontje op straat een keer vier donkergekleurde mannen voorbij zag fietsen en hij mompelde: ‘Zwarte Piet,’ ben ik daar niet op in gegaan. Hij zei het niet om te discrimineren, hij dacht gewoon iets bekends te zien. Ik ben niet bang dat dit kind later donkergekleurde mensen (of andere mensen) zal discrimineren want hij wordt zo niet opgevoed. Hij groeit op in een omgeving waar met hem wordt gesproken over normen en waarden en respect voor elkaar. Ik zou willen dat het veel meer daarover zou gaan.

Ik zie in de winkels alweer de chocoladeletters en de pepernoten liggen en verheug me op het Sinterklaasfeest dat we gelukkig wel gewoon gaan vieren. Zonder intocht van Sinterklaas en wat voor Pieten dan ook. We kunnen de geschiedenis niet veranderen en zelfs het heden niet. We kunnen alleen voor onszelf bepalen hoe we ons daaronder willen voelen.

Uit de bubbel

Voor ons is het gewone leven langzamerhand terug gekomen. Mijn man werkt al lang weer gewoon op kantoor, de kinderen gaan al een tijd weer gewoon naar school en ook clubjes en ons koor is onder strikte voorwaarden, weer begonnen.

Een aantal vroegere gewoonten hebben we misschien wel voor altijd afgeschaft. We schudden geen handen en blijven op afstand van de mensen die niet behoren tot onze directe ‘inner circle’. Ik pas weer op in Diemen en reis daarvoor, met mondkapje voor, in een heel rustige trein.

Boodschappen doen we alleen of samen, braaf met ieder een mandje of kar, en van de andere mensen proberen we afstand te bewaren. Liever ben ik degene die steeds wacht om een ander voor te laten gaan dan me dicht tussen mensen te bewegen. Winkelen doen we hoegenaamd niet of snel een winkel in om te kijken of ze misschien dat hebben wat we zoeken. Is het er niet dan gaat het eerst weer over. We lijken steeds minder nodig te hebben.

In mijn achterhoofd knaagt wel een stil gemis van het spontaan naar de film gaan of met wie dan ook ‘iets anders leuks’ te gaan doen. Het is alsof ons hoofd ook daar niet meer naar staat. En de voetbalwedstrijden, die ik anders regelmatig bezocht, zijn ook niet meer dezelfde al doen de ploegen nog steeds hun stinkende best. Ik zie dat op t.v., hoor ervan en heb het één keer live mogen meemaken.

We zijn langzamerhand uit onze bubbel gekomen en gelukkig zijn wij en de onzen daar goed doorheen gekomen. Onze kinderen hebben hun werk behouden en ons jongste kind heeft inmiddels een kantoor aan huis. Knap uitgespaard in de kleine ruimte die zij bewonen, maar soms kom je daartoe wanneer, in dit geval, een virus je daartoe dwingt.

En dan hoor ik dat er een tweede golf is begonnen en ik denk: het zal toch niet zo zijn dat we straks weer terug moeten, terug in onze bubbel?

Veiligheid: twijfels van elke ouder?

Daar was je dan, mijn eerste baby. Mijn baby? Ja, en natuurlijk ook van je vader. Je kwam op tijd, acht dagen te vroeg maar. Een goede timing van de natuur, en wij pasten elkaar precies. Zo gemakkelijk als jij kwam had ik er wel tien kunnen hebben. Zo gemakkelijk als jij was…ook.

Je was een lief en gemakkelijk baby’tje. Een beetje langzaam met drinken en een heel gemakkelijke slaper. Of had dat toch te maken met het feit dat ik je al heel snel kon ‘lezen’. Ik kon je eindeloos bestuderen als je lag te drinken, of te slapen, of te spelen in de box. Ik wilde heel graag weten wie je was, zodat ik je kon geven wat je nodig had.

De tijd waarin jij kwam was niet gemakkelijk. Alles was voor ons, je pappa en mamma, nog even pril. Onze relatie, pappa’s werk, ons huis en het samen wonen daarin. En met het beetje geld dat we hadden probeerden we zo goed en zo kwaad als dat ging ons kleine huishouden op te zetten. En ik moest wennen aan een familie die anders was dan mijn familie en dat ging mij soms moeilijk af.

Er was veel dat ik niet wist en met veel vallen en weer opstaan moest leren. Maar één ding wist ik wel, dat jij voor ons heel belangrijk was en bent. Dat ik er alles aan moest doen om voor jou een goede wereld te maken, een veilige wereld waarin jij kon worden wie je het best kon zijn.

Soms denk ik: ‘Het is gelukt,’ en soms…ook niet. Je bent geworden wie je bent, soms sterk, soms kwetsbaar. Je weet ontzettend veel en wat je niet weet kun jij, linksom of rechtsom, vinden…altijd. Je hebt mij, doorgaans, alles durven zeggen en als je het niet deed, dan was dat om mij te sparen. En zo werkt het andersom ook. Wij hoeven niet lief tegen elkaar te zijn, al zijn we dat doorgaans wel, maar liever eerlijk en oprecht. Ook dat waardeer ik aan ons leven samen.

Ik wilde voor ons een veilig thuis, en dat we goed met elkaar konden praten. Dat onze kinderen een band hebben voor nu en voor later, als wij er niet meer zijn. En heel eerlijk, meestal denk ik dat dat is gelukt. En heel soms is het voor mij een vraag: ‘Is het gelukt?’