Burgerinitiatief

Ik heb een missie. Ik vind dat de twee oudercursussen, waarover ik schreef in  mijn blog OuderTeam, aan alle aanstaande ouders moet worden aangeboden. En daar moeten ze niet voor hoeven te betalen. In het basispakket zit zwangerschapszorg en geboortezorg. Alle aanstaande ouders hebben recht op die zorg. Wat er, mijns inziens, nog bij hoort is, wat ik zou noemen, relatiezorg.

Bij de geboorte van een baby verandert een relatie. Tot dan toe bestond die relatie uit de verbintenis tussen twee volwassenen. Met het kleintje erbij is dat evenwicht ‘verstoord’. Dat vraagt een aanpassing waar alle ouders hulp bij kunnen gebruiken. Persoonlijk zou ik zeggen: ‘Waar alle ouders hulp bij nodig hebben.’

Deze cursussen zijn door wetenschappers ontwikkeld, nadat zij hebben onderzocht of en waarom dat nodig zou zijn. In andere landen (Amerika, Scandinavië) zijn met soortgelijke oudercursussen goede resultaten behaald. Dat zou ook hier in Nederland gebeuren, daarvan ben ik overtuigd.

Er is (te)veel onrust in onze maatschappij. De coronacrisis heeft dat meer dan ooit op scherp gesteld. De maatschappij, dat zijn wij. Wij die allemaal komen uit een gezin. Veel gezinnen ervaren onrust omdat het grootbrengen van een gezin niet gemakkelijk is. Er is een gezegde: It takes a village to raise a child. Vroeger was die village, die gemeenschap, er. Toen zorgde men samen voor elkaar en voor elkaars kinderen. Nu is dat anders en hebben we dus ook iets anders nodig om ervoor te zorgen dat de kinderen alle kans krijgen om in hun gezinnen goed te kunnen opgroeien.

Daarom pleit ik voor ondersteuning van de relatie van aanstaande ouders door middel van die oudercursussen. En daarom wil ik een burgerinitiatief starten om dit aan de politiek te kunnen voorleggen.

40.000 steunbetuigingen zijn er nodig om dat initiatief te kunnen voorleggen aan de Tweede Kamer. Geven jullie je steun?

Mammie

Ze kwam uit een gezin met vier kinderen. Ze was de oudste en verloor op de leeftijd van bijna 16 jaar haar moeder. Haar zusje was 14, hun broertje 9 en het jongste meisje net, of net niet, één jaar. Omdat hun vader ‘onder de wapenen moest’ werden de kinderen verdeeld, mammie en haar zus bij de ouders van hun moeder en broertje en de baby bij de zus van hun vader.

Toen zij pappie voor het eerst op straat tegenkwam knipoogde ze naar hem (hij heeft mij dat zelf verteld) en zei tegen haar vriendin: ‘Dat wordt mijn man,’ (dat heeft zij mij verteld). Typisch mammie, zo zeker weten wat ze wil.

Ze kreeg mij als haar negende kind, van de twaalf die ze in totaal kreeg. Haar kinderen die ze samen met pappie, en onze oudste broer en zus, grootbracht. Gedeeltelijk in Nieuw Guinea en gedeeltelijk hier in Nederland. Al moeten zij en pappie hun land verschrikkelijk gemist hebben, ze pasten zich aan hun nieuwe omgeving aan en leefden hier verder met dezelfde innerlijke beschaving als die ze hadden in hun geliefde moederland. 

Mammie was 35 toen ze mij kreeg en had hoofd en handen vol aan al het werk dat een groot gezin met zich meebrengt. Haar wil was voor mij wet, niet omdat ze dat oplegde, maar ik voelde dat zo. Ik zou nooit iets niet gedaan hebben dat ze mij vroeg. Net zoals ik deed met alles en iedereen heb ik haar vooral geobserveerd. Wij spraken niet veel samen. Dat deed ze met de kinderen (en kleinkinderen) die haar opzochten in de keuken, waar ze een groot deel van de dag doorbracht.

Ze had ‘draadjes’ naar bepaalde kinderen en kleinkinderen. Die zochten haar meer op en die kregen ook van haar net wat meer aandacht. Ik vond dat prima. Voor mij was het eigenlijk genoeg dat ze er was.

Een paar gebeurtenissen en kwesties uit mijn jeugd blijven mij bij, omdat ik die bijzonder vind. Ik heb nooit iets hoeven eten dat ik niet lustte. Ze zorgde altijd dat er een alternatief was, in de vorm van een kliekje van de vorige dag of havermout, wat ik nog steeds graag lust. Toen ik 13 was en heel graag een concert wilde zien op t.v. (waar niemand verder belangstelling voor had), zorgde zij ervoor dat het gebeurde. In een huis waar in ieder geval negen mensen woonden, met maar één televisie! Toen ik negen was kreeg ik voor Sinterklaas een verzamelband met drie van mijn lievelingsboeken uit de Dorientje serie van Betty van der Plaats. Ik denk dat daar mogelijk mijn lieve oudere zussen mede voor gezorgd hebben.

Ik heb het gevoel dat ze mij altijd ‘zag’ en ik hoop dat dat voor de anderen ook zo was. We hebben niet allemaal dezelfde herinneringen aan onze jeugd en ik weet dat die van mij net iets ‘blijer’ zijn dan die van een paar broers en zussen. Dat heeft ook te maken met wie ik ben en hoe ik naar de wereld kijk.

Wij hebben ‘slechts’ twee kinderen gekregen maar schoon- en kleinkinderen meegerekend hebben we er inmiddels acht. Ik hoop dat ik belangrijk voor ze ben. Net zoals mijn moeder was voor mij.

Mijn dierbaar meisje

Mijn kleindochter. Het was een gewone dinsdagochtend, 2 februari, ik zal de datum nooit vergeten. Je mamma belde en ze zei: ‘Mam, ik heb slecht nieuws, Famke is ziek. We zijn vanmorgen bij de dokter geweest en we moeten vanmiddag direct naar het Diabetescentrum. Ze heeft waarschijnlijk diabetes type 1,’ Ik begreep direct dat dat betekende ‘spuiten’ maar echt tot me doordringen deed het nog niet.

Bij je pappa thuis zat ik op de bank terwijl Finn zijn online les volgde. Jullie kwamen thuis van het centrum, pappa en mamma met een tas vol ‘diabetesspullen’. Jij was totaal overstuur. Hard huilend kroop je op de bank waar ik naast jou niets anders kon bedenken dan zachtjes op je rugje kloppen en zeggen: ‘Stil maar, Famke,’ en zei ik ‘het komt goed’? Finn zat stil naast mij nadat hij je knuffel (op mamma’s verzoek) voor jou had opgezocht. Pappa maakte thee en pelde een mandarijntje, want dat mag jij altijd hebben.

Toen je wat was bijgekomen dronken we een beetje thee en kon ik je vragen hoe het allemaal was gegaan. Of je die dag of de vorige naar de dokter was gegaan. Je vertelde dat het die ochtend was en zei dat je hoofdpijn had, wat ik me zo goed kon voorstellen. Ondertussen waren pappa en mamma druk aan het overleggen en regelden alles voor jou. Hoe en wanneer spuiten, berekeningen maken voor je eten. Net als jij waren zij totaal overweldigd.

Inmiddels zijn we ruim een maand verder. Jij hebt je ongelooflijk dapper gedragen. De prikjes in je vingers hoefden gelukkig maar een week, daarna kreeg je een ‘knop’ in je arm ‘geschoten’. Met die knop en een scanner kun je meten hoe hoog of laag je bloedwaarden zijn. Elke twee weken wordt die knop verwijderd en krijg je een nieuwe in je andere arm. De prikken in je buik en je been blijven voorlopig een dagelijks gebeuren.

Pappa en mamma worden rekenwonders en mamma probeert ook ons uit te leggen hoe het werkt. Wij proberen te begrijpen hoe de berekeningen zich verhouden tot je waarden en wat je eet. We proberen te begrijpen wat je ziekte inhoudt en wat wij voor jou kunnen doen.

Je hebt zelf een knuffeltje gevonden waaraan wij kunnen aflezen hoe je je voelt en gelukkig blijkt dat toch vaak ‘goed’ te zijn. Met mamma en Finn maak je een boekje voor kinderen met diabetes type 1. Jij hebt daarvoor het meisje met diabetes getekend en Finn de broer, die evengoed in het proces betrokken moet worden.

Mamma heeft ook kaartjes gemaakt met daarop een waarschuwing 112 te bellen en je ouders te waarschuwen, mocht iemand jou, in verwarde staat, aantreffen. Verder liet ze ons gisteren een duidelijk overzicht zien van hoe te handelen in verschillende situaties. Voor school, voor ons en anderen bij wie jij speelt, of die jij regelmatig bezoekt. Ook die hebben jullie samen gemaakt.

Ik bewonder jou Famke, jou en je familie. Voor jullie allemaal is dit een ingrijpend gebeuren, maar jij moet het doen en dragen. En dat doe je met zoveel moed en kracht als ik niet voor mogelijk had gehouden voor een meisje van bijna elf.

Wij houden ontzettend veel van jou en gelukkig weet jij dat.

Laatste dagboekblad Sarah Roos.

Vrijdag 24-01-2014

Hi Pete,

Het is een kleine chaos om me heen en ik heb ook al heel veel goed gedaan. Beide (klein)kinderen zijn in hun hum.

            Famke heeft vanmorgen alle knuffels van boven gehaald en daarmee spelen ze nu ‘dierentuintje’. Alle eetkamerstoelen ( op één na die ik ternauwernood voor mezelf heb gered) staan rond de koffietafel gegroepeerd en ook de poef, de appelpoef, de sofa en de bank zijn erbij betrokken. In een ‘kooi’ zijn de twee beren, moeder en kind (Loeki de leeuw en Hello Kitty, de kat) en de (ons aller bekend en geliefde) ijsbeer. Ook het grote, witte, heel mooie konijn met de wit/roze oren en roze poot-zooltjes, waarvan niemand van ons meer weet waar ze vandaan is gekomen, maakt deel uit van de dierenschare. In het ‘natte’ gedeelte van de dierentuin ligt op een eiland de plastic krokodil. Op een klein momentje, dat de kinderen ook even krokodilletje zijn, bijt de grote (ondanks mijn: ‘Nee! Niet doen,’) echt in mijn bil en de kleine ‘voor nep’. Tussen alle dieren door ‘rent’ een kleine, groene muis met een heel lange staart. Zij is ooit als boekenlegger ons huis binnen gekomen.

            De kinderen kruipen en sluipen tussen en over de kooien, steeds een verhaal bedenkend en bijstellend. Ze geven elkaar opdrachten en zeggen braaf de elkaar voorgezegde zinnen na. Af en toe loop ik met ze mee als zij de rol van ‘zorger’, aldus Famke, spelen.

            Nu ik thuis ben zou ik het liefst nooit meer naar school gaan. Met privé lessen Engels en workshops onvoorwaardelijke liefde verdienen wat voor ons nodig is. Ik ben benieuwd wanneer het zover is. Zo meteen ga ik lekker opruimen. Ik heb een nieuw tafelkleed en misschien komt er dit weekend sneeuw. De eerste echte.

            Ik ben maandag met Lizzy en Indi mee naar huis gegaan nadat zij het weekend hier gelogeerd hebben. Ik heb met Lizzy een plan gemaakt voor een dagritme voor haar en Indi. Of het daardoor komt weten we niet maar hij heeft voor het eerste een nacht geslapen van half 12 tot half 7. Chapeau kleine man.

            As ever,

                         Roos                                                                                 

De ‘koude’ kant

Het complexe van menig liefdesrelatie is dat je niet alleen te maken hebt met je geliefde, maar dat er meestal ook familie aan vastzit. Persoonlijk zeg ik…gelukkig. Familie kan belangrijk en betekenisvol voor je zijn. Ik zeg ‘kan’ want er zijn ook mensen voor wie dat niet zo is.

Je kunt op allerlei manieren met familie omgaan. Je hebt er die veel contact met elkaar hebben. Een goed gegeven bij zulke families kan zijn dat er niet met een ‘weegschaal’ wordt gewerkt. Daar wordt niet gekeken naar wie bij wie komt of dat de ander wel net zoveel aandacht aan je geeft  in de vorm van kaartjes, cadeautjes of andere tastbare zaken als dat jij doet.

Er zijn ook families die met het fenomeen ‘familie’ niet zoveel hebben. Zij lijken het alom bekende standpunt te huldigen: vrienden kies je en familie heb je. Zij verkiezen daarom ook vaak omgang met hun vrienden en laten de familiecontacten afhangen van verjaar- en andere feestdagen.

Waarom noem ik het woord ‘complex’ naar aanleiding van de familie die meestal meekomt met een liefdesrelatie? Omdat je nooit echt familie wordt. Is dat erg? Nee, het is niet erg want in de meeste gevallen heb je zelf familie. Maar het is wel complex.

Wanneer er in families negatieve dingen gebeuren wordt dat vaak geweten aan de schoonfamilie. Het blijkt gemakkelijker te zijn om iets negatief te vinden aan iemand die geen familie van je is dan wanneer dat wel het geval is. Dat heeft denk ik alles te maken met het woordje ‘loyaliteit’.

Wanneer echter een liefdesrelatie zich ontwikkelt tot een nieuw gezin dan groeit daar ook loyaliteit uit. En dan heeft je broer, zus, zoon of dochter uiteindelijk diezelfde loyaliteit naar degene die voor jou nooit familie wordt. Complex…of niet?

Voortschrijdend inzicht

Afgelopen week stond ik voor mijn liefste een salade klaar te maken voor de lunch en ik dacht: ‘Wat is hij eigenlijk gemakkelijk en wat is het prettig dit voor hem te doen,’ Toen dacht ik, als vanzelf, terug aan ‘vroeger’. Toen we jong waren en ik vaak anders heb beweerd. Toen ik hem moeilijk vond en veel te vaak, meestal in mezelf, hem verwijten maakte. Ik begreep vaak niet waarom hij dingen zei, waarom hij dingen deed en dan kwamen er in mijn hoofd verwijten op en vond ik hem moeilijk.

Ook aan de moeizame relaties die ik lang heb gehad met andere mensen, die dicht bij mij staan, denk ik regelmatig terug. Tijd en wijsheid hebben daarin veel voor mij gedaan. En die wijsheid kan alleen maar komen met de jaren. Bij de één misschien snel en bij de ander wat langzamer. En waar ik altijd in blijf geloven is, dat in elke relatie, welke relatie dan ook, je allebei verantwoordelijkheid hebt. En als er sprake is van onmacht, dat dus ook aan beide kanten zit.

Ik zou mijn kinderen willen behoeden voor alles wat niet prettig voor ze is. Daarom heb ik veel met ze gesproken en probeer ik ook altijd open te staan voor wat voor kritiek ze ook maar op mij zouden kunnen hebben. Want dat kan en dat mag. Ik ben de oudere maar dat betekent niet automatisch dat ik in alles de wijzere ben.

Mijn schoonmoeder heeft eens iets gezegd dat ik precies zo voel. Ze zei: ‘Ik wou dat ik, toen ik jong was, al net zoveel wist als nu ik ouder ben,’ en zo voel ik dat ook. Ik zou dan anders gereageerd hebben wanneer ik mij gekwetst voelde en ik zou niet de fouten hebben gemaakt die ik gemaakt heb. Dat heet volgens mij ‘voortschrijdend inzicht’.

Tegelijk weet ik ook dat we allemaal onze eigen fouten moeten maken. Dat ik mijn kinderen niet kan behoeden voor alles wat niet prettig voor ze is. En ik weet ook dat dat niet goed zou zijn, want van fouten kunnen we leren en we worden er groot van. Al zouden we het willen, niemand kan de tijd terugdraaien en niemand kan veranderen wat is gebeurd. Wat we wel kunnen doen, met ons voortschrijdend inzicht, is nadenken over het verleden, daar lering uit trekken en besluiten wat we kunnen veranderen, in de toekomst, anders te doen.

Een kind, een toekomstig actief lid van de maatschappij

Deze week ving ik iets op dat leek op: ‘Wanneer we per gezin meer kinderen krijgen dan hoeven we geen mensen uit het buitenland te halen, of toe te laten, om hier al het werk gedaan te krijgen,’. Misschien was het wel precies dat.

Zo’n zinnetje triggert mij onmiddellijk.

Ik vraag mij namelijk af of ‘al het werk’ dat er nu is wel zo nodig is, wel zo zinvol. Stel dat we met elkaar minder zouden willen. Minder willen hebben, minder willen doen, dan zou er denk ik ook minder werk zijn dat gedaan moet worden. Wanneer we daarbij ook nog minder controles uitoefenen en meer vertrouwen op de expertise van bijvoorbeeld docenten en schoolleidingen. Erop vertrouwen dat er bijna niemand op uit is om fraude te plegen met subsidies of toeslagen en daarmee zoiets verschrikkelijks als ‘de toeslagenaffaire’ vermijden. Dan zou er zeker heel wat minder werk zijn.

Al dat werk staat volgens mij ten dienste van de economie die volgens mensen, met andere ideeën dan ik, steeds moet blijven groeien. En ik vraag me weer af: wat groeit eindeloos? Volgens mij niets. En ik denk dat dat goed is, er moet een grens zijn, aan alles. En dus ook aan de groei van de economie.

Wat is het belangrijkst dat er groeit op de aarde, in de wereld? Ik denk een kind. Wij mensen bepalen hier op aarde hoe het gaat. Welke delen mogen natuur blijven, welke delen worden bebouwd. Wie mag waar hoeveel vissen. Moet er statiegeld komen op blikjes, omdat er veel teveel blikjes in de natuur terecht komen?

Niet alle mensen gaan daarover. Er gaat een aantal mensen over en een aantal andere mensen heeft er allerlei commentaar op. Zo gaat het in de wereld.

Zowel de mensen die erover gaan als de mensen die de mensen kiezen die erover gaan moeten verantwoordelijkheid kunnen dragen. Wat zij doen is bepalend voor de maatschappij waarin we leven. Het is dus heel belangrijk hoe een kind uitgroeit tot een volwassene die verantwoordelijke dingen moet kunnen doen en beslissen.

Als jonge twintigers, die we waren toen wij ons eerste kind kregen, begrepen we al hoe groot en belangrijk het werk was van het opvoeden van een kind. We kregen dit mee van onze ouders die er waren en voor ons zorgden toen we jong waren, die ons voorleefden en met wie we een fijne, liefdevolle band hadden tot aan hun overlijden.

Er wordt steeds meer bekend over het belang van de eerste 1000 dagen van een kind. De eerste twee jaar waarin de goede hechting zich kan ontwikkelen, waarin het kind kan leren dat het bij zijn ouders veilig is. Wij namen er nog ruim twee jaar bij. Onze jongste dochter ging naar school toen ik weer een halve baan aannam en daarbij een HBO opleiding begon. Had ik daarvoor stilgezeten? Nee, ik had het grootste deel van de opvoeding en de huishouding gedaan. Ik had HAVO certificaten gehaald middels een thuisstudie en ik had mijn man zo goed als ik kon ondersteund bij zijn werk en de cursussen die hij deed.

Kinderen zijn maar vier jaar ‘thuis’. Daarna gaan ze elke dag naar school en is het tijd voor anderen om ze te leren waar die anderen voor gestudeerd hebben. En tot die tijd? Kunnen ze best één of twee dagen naar de opvang, maar neem ook zelf tijd om met en van je kind te genieten en ze mee te geven wat jij belangrijk vindt voor de maatschappij en de wereld waarin zij straks zelfstandig moeten functioneren.

Omgangsregeling

Het is mooi dat ouders bij een scheiding voor de helft ‘recht hebben op (de tijd van) hun kind’. Zij zijn ieder een helft van het ouderpaar. In die zin klopt het helemaal. Ik denk dat het ook voor veel ouders en kinderen de beste en mooiste optie is mits de ouders zich kunnen houden aan de gemaakte afspraken, het belang van het kind vooropstellen en ‘live’ communiceren. Dus niet via de app.

Er kunnen legio redenen zijn waardoor zo’n 50/50 afspraak niet het handigste is. Het kan komen door werk. Stel dat je zoveel moet werken, of op tijden die je niet kunt verzetten. Dan kan zo’n afspraak onhaalbaar zijn. Ik heb daar diverse oplossingen bij gezien. Kinderen die op zulke tijden steeds naar de andere ouder moesten worden gebracht omdat van een van de ouders de grootouders niet mochten worden ingeschakeld. Heel onrustig voor de kinderen. Of kinderen die steeds bij hun stiefouder moesten zijn omdat hun eigen ouder niet beschikbaar was. Ook heel onrustig voor de kinderen.

Stel dat er één kind is dat aan beide kanten nieuwe broertjes en zusjes heeft. Hij moet zich (in zijn eentje) steeds aan twee gezinnen aanpassen. Theoretisch hoort hij bij twee gezinnen maar vaak blijkt dat het kind van geen van de beide gezinnen echt deel uitmaakt. Hij mist bij beide gezinnen een half leven en als hij echt pech heeft is hij er steeds net niet bij als er iets leuks gebeurt. Het andere uiterste is dat hij bij beide gezinnen alles moet mee maken en letterlijk van hot naar her wordt gesleept, met alle vermoeiende gevolgen van dien.

Voor deze kinderen denk ik dat de aloude omgangsregeling misschien beter zou zijn. En zo’n omgangsregeling kan ook van gezin tot gezin verschillen. Het is belangrijk dat de ouders daarover goede afspraken maken en dat, als de kinderen daarvoor oud genoeg zijn, ook zij hierover worden gehoord en mogen meebeslissen. Kinderen kunnen dan in ieder geval bij één gezin echt horen en het is belangrijk dat de ouder die ‘met minder genoegen neemt’ ook eens meer tijd, wanneer dat aan de orde is, wordt gegund. Maar het allerbelangrijkste is en blijft hoe er met de kinderen wordt omgegaan. Dat ze van beide ouders en families mogen blijven houden.

Misschien zijn er mensen die dit vloeken in de kerk vinden maar ik blijf opkomen voor de kinderen. Ouders kunnen hun eigen belang voorop stellen en dat kunnen kinderen niet. Daarvoor zijn ze altijd afhankelijk…van hun ouders.

Het zwarte schaap

Lang geleden las ik in een tijdschrift over een meisje dat de helft was van een tweeling. Wanneer ze jarig waren werd er voor haar broertje een groot feest georganiseerd met vriendjes en vriendinnetjes, met haar, omdat zij nou eenmaal het zusje was, en met enorm veel cadeautjes waarmee het broertje werd overladen. Voor haar was er niets, geen feestje en geen cadeaus. Ik kon het bijna niet geloven, hoe kan iemand zo met haar kinderen omgaan, want het was de moeder die haar zelfs een keer naar het leven stond. En ik dacht: ‘En de vader dan, en de rest van de familie?’ maar ik weet niet zeker of die er wel waren.

Nu ben ik vele jaren verder en heb heel wat meer gezien en gehoord van wat je denk ik wel kunt noemen: het zwarte schaap. Ik hou van mijn kinderen evenveel. Met elk kind en kleinkind heb ik een andere band, een andere relatie maar ik hou evenveel van allemaal. Betekent dit dat in de families met wat je kunt noemen ‘een zwart schaap’ dit niet zo is? Wordt er van ‘zo’n’ kind minder gehouden? Ik weet het niet.

Ik weet ook niet of mijn kinderen allemaal voelen hoeveel ik van ze hou. Ik heb wel eens het gevoel dat ik bij een (klein)kind tekort schiet. Maar ik weet niet hoe zij dat beleven. Wat ik dan kan doen is erbij stilstaan en genoeg aandacht geven want dat is waar (klein)kinderen recht op hebben, de aandacht van hun ouders en grootouders.

Wat ‘zwarte schapen’ in families meemaken weet ik niet. Ik weet wel dat je er op verschillende manieren mee kunt omgaan. Je kunt je leven lang een wrok tegen je ouders koesteren met alle gevolgen van dien. Of je kunt vergeven en ook dat heeft gevolgen voor hoe je verder leeft.

Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe iemand heeft kunnen vergeven. Ik hoop dat hij de rust en de liefde die hij uitstraalde ook zelf heeft kunnen voelen. Hij was een geweldig mens en een geweldige zoon voor zijn ouders. En ik denk toch dat hij ‘een zwart schaap’ was.

OuderTeam.nl

Twintig jaar geleden kregen we als gezin contact met een jongen die sinds zijn zesde jaar, met zijn gezin, hulp kreeg van Jeugdzorg. Hij was toen 16 jaar. In de twee jaar dat we hem kenden heb ik veel gezien van het onmachtige gezin waarin hij is opgegroeid. Zijn ouders waren gescheiden, toen hij nog maar een baby was, en zijn vader ging in Frankrijk wonen en kreeg daar een nieuw gezin. Zijn moeder kreeg een nieuwe vriend en een nieuw kind. De jongen had nu ‘een nieuwe vader’. De eerste tien jaar van zijn leven had de jongen daardoor geen contact met zijn biologische vader. Nadat ook de tweede relatie was gestrand wilde zijn moeder dat hij weer contact kreeg met zijn vader in Frankrijk. Het contact is tot stand gekomen maar van een ouder-kind relatie is nooit sprake geweest.

In die tijd ging ik werken op een ROC en sindsdien kreeg ik, als docent en leerlingbegeleider, steeds meer te maken met jongeren met soortgelijke problemen. Vaak waren het ook kinderen uit gebroken gezinnen en te vaak was er bij de ouders onmacht om de gezinsverhoudingen in goede banen te leiden.

Inmiddels weten we dat er veel kinderen met problemen binnen hun gezinnen te maken hebben. We weten ook, door wetenschappelijke onderzoeken en artikelen in wat we vroeger noemden ‘damesbladen’, dat veel van deze problemen voorkomen hadden kunnen worden wanneer aanstaande ouders beter waren voorbereid op het ouderschap.

Een van deze wetenschappelijke onderzoeken is uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam en heeft geleid tot de online cursus PinkCloud. Een ander onderzoek is uitgevoerd door de Hogeschool van Leiden en heeft geleid tot het ontwikkelen van de gedeeltelijke online en gedeeltelijke offlinecursus OuderTeam. Persoonlijk denk ik dat een online cursus gemakkelijk gedaan kan worden door paren die daarnaar, uit zichzelf, op zoek zijn en er samen het beste uit kunnen halen. En ik vermoed dat er veel meer paren zijn die gebaat zouden zijn bij een oudercursus met de steun van offline lessen.

Bottomline is dat deze oudercursussen met veel inspanning, geld en menskracht wetenschappelijk zijn onderzocht en dat het erop lijkt dat het hierbij blijft. En dat is niet genoeg…ik zeg: weten is niet genoeg, het gaat erom wat er met die wetenschap gebeurt.

Om zoveel als mogelijk problemen in gezinnen te voorkomen moet er, volgens mij, aan de voorkant iets structureel verbeteren. In het zorgpakket voor ouders is alle zorg rond de geboorte van een baby geregeld. Maar er is tegelijk de geboorte van een gezin en daarmee moeten deze cursussen, daar ben ik heilig van overtuigd, in het zorgpakket een plaats krijgen. Daarbij zouden ouders de keuze hebben tussen een online cursus als PinkCloud of de (in mijn ogen completere) cursus OuderTeam. De verloskundige kan daarbij adviseren om te kiezen voor het ene of het andere, maar alle aanstaande en prille ouders zouden daarbij gebaat zijn.

Uiteindelijk zullen meer gezinnen zelfstandig (zonder hulp van instanties) en tot hun eigen tevredenheid en geluk kunnen functioneren. Dit zal de gemeenschap geld schelen. Elk gezin dat door een instantie geholpen moet worden kost veel geld en dat valt nog in het niet bij het levensgeluk dat die gezinnen ontberen door de problemen die ze hebben.

De destijds zestienjarige jongen is inmiddels de 30 al lang gepasseerd. Een paar jaar geleden kwamen we hem tegen op het voormalig terrein van Dennenoord waar mensen met psychische problemen worden opgevangen en begeleid. Hij woonde op dat terrein. We spraken hem kort en ik ben bang dat uitgekomen is waar ik al die jaren al bang voor was, dat hij nooit zelfstandig zal kunnen wonen en voor zichzelf zorgen. Bijna een leven lang afhankelijk zijn van instanties, dat kost de gemeenschap veel geld en de persoon in kwestie onbetaalbaar levensgeluk.