Waar verloren we elkaar?

Cal en Emily krijgen op hun 17de dochter Hannah en na hun 30ste, wanneer ze echt volwassen zijn, nog een zoon en een dochter. Ze houden van elkaar maar er knaagt iets. Emily gaat vreemd en wil scheiden, Cal vertrekt meteen. In een bar ontmoet hij een jongeman die hem bewust maakt van de ietwat slonzige manier waarop hij door het leven gaat en, nadat hij hem een soort make over heeft gegeven,  hem kennis laat maken met wat ‘loslopende’ dames. Bij een bezoek dat ze samen doen aan de school van hun zoon bekennen Cal en Emily elkaar schoorvoetend dat ze elkaar missen.

Met Cal en Emily in de mooie film Crazy, Stupid, Love, komt het goed. Het gezin blijft bij elkaar en ieder heeft iets uit de moeilijke, gelukkig korte, periode geleerd. Een zinnetje uit de film bleef bij mij hangen. Emily vraagt Cal: ‘When did we stop being ‘us’?

Voor mij staat in deze zin het ‘us’ voor het samenzijn van twee mensen. Je hoeft niet alles samen te doen maar een vorm van ‘samenzijn’ is in een relatie wel wenselijk. Wanneer je ieder je eigen gang gaat en langzamerhand steeds minder elkaars leven gaat delen dan verlies je dat samenzijn. Wanneer dan je ex-geliefde met een ander is en je vraagt je af: ‘Waarom kan hij nu wel zo zijn, zo doen, zo praten?’ dan heeft hij blijkbaar met die ander dat samenzijn dat jullie samen ergens zijn verloren. En soms vraag je je dan, te laat, af of dat wel nodig was geweest.

Ik ben er altijd alert op geweest en misschien heeft dat, voor mijn liefste, wel eens wat beperkend gevoeld. Ik heb hem ook eens gezegd dat ik bang was ons huwelijk te verliezen aan ‘iets dat niets voorstelt’. Dat heb ik mensen wel eens horen zeggen of las het ergens: ‘Het stelde niets voor,’ en dan was wel de relatie over of verstoord. Tegelijk heb ik me ook altijd gerealiseerd dat, wat er ook gebeurt iemand altijd meer is dan die ene gebeurtenis. En dat er gelukkig mensen zijn die hebben kunnen vergeven en daarmee hun huwelijk en gezin konden redden, zoals Cal en Emily.

Wanneer je relatie niet goed voelt en je daar wat ongerust over bent kan de vraag: ‘Zijn we goed samen?’ een goede opening zijn voor een mooi gesprek.

Een Corona geval

Ik voelde de griepklachten al opkomen voordat ik wist dat ik besmet zou zijn. Ik wist dat de kans er was maar wilde er niet aan. ’s Middags wist ik het zeker en ik voelde al snel de grieppijn in mijn lijf. Het was al eerder begonnen met hoesten, wat ik ook eerst ontkende en ik was al in quarantaine vanwege mijn liefste die nog in afwachting was van het resultaat van de test.

Ik deed de derde dag een test, mijn eerste, die verliep zoals ik had verwacht. Ik moest kokhalzen toen mij de test werd afgenomen en het staafje in mijn neus voelde ik ergens in mijn voorhoofd. Ik kwam thuis en kreeg een paar uur later de uitslag: U bent positief getest voor Corona. Ik slikte de hele dag aspirine en het leek nog best goed te gaan. Het hoesten werd alleen erger en het slapen steeds minder.

Op dag vier leek het mij goed om maar in bed te blijven in de hoop daar sneller van op te knappen en ook dag vijf en zes bracht ik voornamelijk slapend door. Het voelde als griep en toch anders, vermoeiender. Ik had een milde variant, geen koorts, geen benauwdheid, de grieppijnen gingen over, alleen het hoesten en de vermoeidheid bleef.

Ik ben inmiddels beland op dag 16 na het begin van de klachten. De afgelopen dagen is het op en neer gegaan, voornamelijk met de vermoeidheid. Het hoesten neemt af, heel langzaam maar het neemt echt af. Ik loop alweer een paar dagen één keer per dag een rondje buiten. Ik ben al snel weer een keer de supermarkt in geweest en we zijn een paar dagen weg van huis. En dat is heerlijk. Even uit ons huis, even een andere omgeving.

Ik heb vandaag een goede dag, gisteren een mindere. Ik heb me de afgelopen dagen vaak afgevraagd: ‘Wanneer word ik weer fit? Word ik echt weer fit? Wanneer kan ik weer hardlopen? Wanneer houdt het hoesten echt op?’ En ik heb een milde variant gehad! Dat is denk ik een ‘valkuil’ van deze ziekte. Hoe kom je eruit?

Mijn hart gaat uit naar de mensen die er heel ziek van zijn geweest. Voor hen zal het herstel er nog heel anders uitzien. En wellicht nog langer duren. Ik heb geluk gehad en realiseer me tegelijk dat nog onduidelijk is wat de uiteindelijke uitkomst zal zijn. De echte gelukkigen krijgen het niet. Het is een rotziekte…zelfs de milde variant.

Ik ben alles dat jij niet bent…en andersom

‘Een onmogelijke liefde’ zo noemde iemand het eens terwijl ze sprak over onze relatie. De relatie die ik heb met mijn liefste. Het huwelijk duurde toen 18 jaar en het waren turbulente jaren geweest. En waar het vooral niet aan ontbrak was liefde, want die was er voldoende.

Het is moeilijk elkaar te begrijpen wanneer je verschillend bent. Dat is voor iedereen gelijk. Wanneer je van dezelfde dingen houdt, hetzelfde voelt over de omstandigheden waarin je leeft, hetzelfde gevoel voor humor hebt en dezelfde dingen belangrijk vindt, dan kun je samen vloeiend door het leven gaan. Wanneer dat niet zo is…is dat lastiger.

Maar het kan heel goed, ik ervaar dat al 38 jaar en weet ook precies wat het kost. Communicatie is hierin heel belangrijk. Zowel praten als luisteren. Maar ook kijken en accepteren. Mijn liefste is daar heel goed in, in accepteren. Ik heb juist moeite met accepteren, maar ik kan heel goed onderscheid maken tussen wat ik echt belangrijk vind en wat niet. Daardoor laat ik heel veel beslissingen aan hem over. Meubels kiezen, of vakantiebestemmingen, dingen wel of niet doen? Prima. Als hij het graag wil vind ik het goed, als we het maar samen hebben en samen beleven.

Als ik iets heel belangrijk vind zou het gek zijn als het niet gebeurt en dan zou het ook gek zijn als mijn liefste daar moeite mee heeft. Want dat gebeurt gewoon niet. Het kan wel even lastig zijn, en dat heeft er dan mee te maken dat we elkaar op een punt even echt niet begrijpen, maar we komen er altijd uit…omdat we dat willen.

Waar we dan zo verschillend in zijn? In alles, echt alles. We hebben dat onlangs, en nu gelukkig glimlachend, nog samen geconstateerd. Want het is voor ons niet meer moeilijk en dat is wat de tijd die we samen zijn voor ons heeft gedaan. We hebben geleerd met elkaar mee te bewegen en te accepteren dat we zijn wie we zijn. Hoe zeg je dat ook? Oh ja, we kunnen elkaar in elkaars en onze waarde laten. 

Dat kan ik wel, oma

Wanneer baby’s peuters worden is daar altijd het moment dat ze gaan praten. Een bijzonder moment. Wanneer ze al lang groot en naar school zijn weten vaak hun mamma’s nog precies wat hun eerste woordje was. Van de meisjes herinner ik me een eerste korte zinnetje: ‘Mamma, eentje boot,’ en, nee, het eendje zat niet in de boot maar mijn kleintje nodigde mij uit om met haar de eendjes te gaan voeren. Het eerste woord van één van de kleinkinderen was volgens mij ‘baum’. Ik weet nog dat we ons verbaasd afvroegen of het een Duitstalig kindje zou worden.

De kleintjes leren van ons, ze luisteren naar onze woorden en beginnen die op enig moment na te zeggen. Heel lang praten wij tegen de kinderen en brabbelen zij hun enkele woordjes na. We glimlachen om hun verbastering van de woorden en zijn inwendig trots op het feit dat ons kleintje dat al doet. En we zijn ook blij en een beetje opgelucht, want dat de kinderen zich allemaal kunnen ontwikkelen is niet vanzelfsprekend.

En dan heb je opeens echte conversaties. Je merkt (wanneer is dat begonnen?) dat je niet meer tegen maar met je kindje praat. Wat hij ‘krom’ zegt hoef je niet te verbeteren, las ik in een Samenleren les. Zeg het liever in een vraag of antwoord op de juiste manier. Heel duidelijk merkte ik deze zomer bij ons jongste kleinkind dat hij dacht: ‘Hé, wat zei ik eigenlijk?’ Ik had voor hem en zijn broer een fles siroop meegenomen en toen hij zei: ‘Lekke(r) milonade,’ vroeg ik: ‘Ja? Vind je limonade lekker?’ Toen zag ik dat kleine koppie nadenken.

Een aantal maanden geleden, toen de jongetjes de laatste keer bij ons logeerden, kon de jongste voor het eerst (bij ons) zelf bij het fonteintje zijn handen wassen. Ik had al gemerkt dat, wanneer hij of zijn broer naar het toilet was geweest, het handdoekje op de grond, of op de pedaalemmer geslingerd lag. Ik begreep het ook wel, de ophang lus waar ik ze aan laat hangen is te breed en onhandig voor die ongedurige jongensvingers. ‘Hang hem daar maar overheen,’ zei ik, wijzend op de zwanenhals onder het fonteintje.

De volgende dag verwisselde ik het handdoekje en daaraan bleek een echt lusje te zitten. Jongste kleinzoon droogde er zijn handen aan af, zag het lusje en zei, toen ik het doekje wilde ophangen: ‘Oh, dat kan ik wel oma,’ en die zin zit sindsdien in mijn hoofd. Elke week komt dat ene lichtblauwe handdoekje, met echt lusje, een keer door mijn handen en dan hoor ik het zijn blije stemmetje weer zeggen.

Hij gaat sinds kort naar school en ik weet nu al dat wanneer hij straks echt groot en volwassen is, ik hem nog steeds voor me kan zien als driejarig jongetje en zijn blije stemmetje kan horen…voor altijd als een puntgave herinnering in mijn hoofd.

We zullen elkaar nooit helemaal kennen…en dat is eigenlijk wel oké

Ik ben een nieuwsgierig Aagje. Daar, ik heb het gezegd maar ik denk eigenlijk dat iedereen dat al lang weet. Ik kan niet liegen en dat heeft te maken met dat laatste. Ik denk dat iedereen dat ook wel weet. Als ik zou liegen dan zou dat bij wijze van spreken ‘op mijn voorhoofd geschreven staan’. Zonder letters zou er staan ‘ze jokt’. Ik hou niet van mensen die liegen. Zelfs een leugentje om bestwil vind ik meestal verkeerd, of misschien moet ik zeggen, niet nodig. Zeg gewoon hoe het is. Toen mijn man en ik nog echt jong waren zei hij een keer tegen mij: ‘Je hoeft niet roomser te zijn dan de Paus, Ro’m,’. Nu maakt me dat niet meer van streek, maar vroeger had ik een enorme hekel aan dat idee…dat hij dat van mij vond.

Omdat ik zo’n nieuwsgierig Aagje ben denk ik mijn gezin wel goed te kennen. Ik heb door de jaren heen veel met hen gesproken, over allerlei onderwerpen. Alles wat mij, en hen, bezighoudt en dat is best veel. Je zult mij niet horen zeggen: ‘Wat interesseert mij dat nou?’ Ik zeg expres dat ik ‘denk mijn gezin wel goed te kennen’ omdat ik het niet weet. Wat ze mij vertellen is waar, daar ben ik vrijwel zeker van. Maar er zullen altijd dingen zijn die ze mij niet vertellen.

En soms waag ik het erop en vraag er gewoon naar. Bij één van de dochters bijvoorbeeld. Als kinderen een bepaalde leeftijd hebben, meestal zo rond de puberteit, dan willen ze soms niet meer naast hun ouders lopen. Of ze willen in het openbaar niet meer geknuffel worden. Het lijkt een soort van schaamte. Ik heb er nooit iets van gemerkt en vroeg één van onze meisjes hoe dat vroeger was. Ze dacht er even over na en zei: ‘Nee hoor, mam. Ik had dat niet.’ En ik zag dat het zo was.

Laatst dacht ik: ‘Zouden veel mensen elkaar goed kennen? Zouden veel mensen zo communiceren dat ze daadwerkelijk weten wat de ander bezighoudt? Zouden andere mensen dat ook belangrijk vinden? Niet zomaar mensen, maar mensen die een relatie met elkaar hebben, familie, vrienden, geliefden? Zouden ‘houden van’ en ‘elkaar goed kennen’ met elkaar te maken kunnen hebben?’

Ik zei het al, ik ben een nieuwsgierig Aagje…en een mijmeraar. Ik mijmer nog even door.

December 2017

Het is weer december. Zoals het elk jaar december wordt. Het sneeuwt, bij ons de eerste droge sneeuw van dit winterseizoen. De grote boom, achter mijn raam, staat aan de overkant maar zijn takken lijken heel dichtbij. Alsof ik ze vanaf mijn balkon, zo zou kunnen aanraken. De boom heeft heel veel takken met hier en daar nog een bijna losgewaaid blaadje eraan. Door de gestaag vallende sneeuw worden de takken steeds witter.

Achter mij branden de lichtjes in de kerstboom. We hebben geluk met de boom dit jaar. Hij stond in al zijn schoonheid gewoon bij de Praxis op ons te wachten. We doen nooit moeilijk over een boom, we kiezen er gewoon één uit en dan blijken thuis aan één kant kortere takken te zitten dan aan de andere kant, of de stam loopt scheef. Of hij wil niet in de houder, of in ieder geval niet zoals mijn liefste dat wil. Nu klopt alles. En omdat ik me er niet mee bemoeid heb is hij sober ingericht. Met kleine balletjes en kleine dennenappeltjes en kleine andere versierinkjes. En in plaats van een piek hangen aan de top het engeltje en het skiestertje, voor mij. Onder de boom staat het kleine mandje met de twee grappige beren met de kerstmutsen op en het lelijke kerstmannetje. Een ander poppetje heeft er ook een plekje in gekregen. Hij is oud en smoezelig, maar mag wel blijven.

Het jaar is al bijna weer om en het is weer snel gegaan. Het was weer een jaar met veel vreugde en ook wat verdriet. Ziekte wat gelukkig niet fataal werd, maar het wel had kunnen worden. Een scheiding waarbij gelukkig het belang van de kinderen voorop kan worden gesteld. Daarom is het niet minder verdrietig maar misschien, hopelijk minder schadelijk dan wanneer hun belang niet voorop had gestaan. Het is een jaar met heel veel liefde en dankbaarheid. Een jaar met liefdevol communiceren waardoor we voelen hoeveel we om elkaar geven en ook weten dat we afstand kunnen nemen als we dat nodig hebben.

Buiten sneeuwt het nog steeds en binnen is het warm en knus en veilig.

Eternal flame

Ik werd wakker met het mooie liedje ‘Eternal flame’ van The Bangles in mijn hoofd. Zin voor zin kwam bewust in mij op. ‘I believe, ’t was meant to be, darling. I watch you when you are sleeping, you belong with me’. En dan verder in het liedje ‘A whole life, so lonely and then you come and ease the pain, I don’t want to loose this feeling’.

En opeens weet ik het: dit zijn wij, dit gaat over ons. Onze relatie, ons samenkomen was tegelijk onmogelijk en onvermijdelijk. Aldoor vraag ik mij af hoe het kan dat ik me tegenover hem vaak zo voel: blij, trots, een beetje verlegen en ook een beetje dankbaar.

Ik ben nog steeds in een menigte of zelfs een kleinere groep mensen ‘verloren’. En dan is hij mijn veilige baken. Zoals ik in de vroege ochtend schreef in een gedicht ‘… my beacon in the crowd’. Ook in abstracte zin klopt het. Deze wereld is voor mij complex, zoals het is voor veel mensen. En lang geleden, toen ik mij net in een onmogelijk leven had gestort, was hij daar en loste het voor mij op. Nu zorgen wij, al heel lang, voor elkaar. Hij lenigt mijn nood en ik die van hem en ik weet: our flame wil eternally burn.

Om dat in woorden te vatten is niet gemakkelijk en daarom werd ik vanmorgen met het liedje wakker en moest ik huilen omdat ik het opeens begreep. Ik stond op en schreef de eerste woorden van het gedicht ‘I wake up with the song in my head…’.

Ik voel me Santiago, de jonge herder uit het bekende boek van Paulo Coelho ‘De Alchemist’. Om op mijn leeftijd de schat te vinden die er altijd al lag ontroert me diep.

Ik had al heel veel liefde toen hij in mijn leven kwam. Ik heb het al vaker geschreven, van mijn grote familie had ik niemand kunnen missen. Van hen heb ik mijn leven lang de onvoorwaardelijke liefde gekregen zoals wij, hij en ik, die nu ook geven aan onze kinderen en hun gezinnen. Behalve natuurlijk onze schoonzoons zijn zij onze bloedverwanten en dat maakt het tussen hem en mij anders. Dat hij kwam en onder de toen lastige omstandigheden bleef was een keuze…en dat maakt dat het me zo ontroert.

De waarheid

We hebben allemaal onze eigen kijk op gebeurtenissen. Dingen gebeuren en daar vinden we wat van. Moet dat? Nee, dat hoeft niet, maar het is wel menselijk, het ‘overkomt’ de meesten van ons. Echt kwaad doet het op dat moment nog niet. We kunnen iets mooi of lelijk vinden, leuk of niet leuk. We kunnen het ook met anderen delen want we vragen ons ook vaak af, wat een ander daarvan vindt. En we voelen ons dan het prettigst wanneer de ander onze mening deelt. Dat voelt gewoon het fijnst.

Wij mensen zijn bijzondere creaturen, of ik moet dat in mijn eentje zijn, maar dat geloof ik eigenlijk niet. Onze reactie op wat wordt gezegd hoeft niet iets te zeggen over hoe we ons er echt over voelen. Dat kan namelijk van moment tot moment verschillen. Het ene moment wordt mij iets verteld en heb ik de behoefte daartegen te ageren omdat ik het er niet mee eens ben. Op een ander moment kan de sfeer zodanig zijn dat ik over dezelfde uitspraak totaal niet de behoefte heb ertegen te ageren. Ik bent het er niet mee eens maar weet dat de spreker er stellig van overtuigd is. Ik heb er niets meer of minder om wanneer ik ertegen ageert terwijl ik me ervan bewust ben hoe lastig het voor de ander is wanneer ik dat wel doe.

Voor mij maakt het inmiddels niet meer uit. NIVEA, niet invullen voor een ander, dat ik lang geleden leerde in een cursus op school, beheers ik tegenwoordig. Tegen mij kun je alles zeggen, op wat voor toon dan ook, want ik laat het bij jou. Ik ga uit van je goede bedoeling en zal hoogstens zeggen dat ik dat anders zie. Of vragen waarom je iets vraagt of zegt wanneer ik dat niet begrijp.

Soms vellen mensen een oordeel over je en kunnen dat niet meer bijstellen. Zij hebben ‘de waarheid in pacht’, zij weten hoe het zit. Ik kan dat niet. ‘De waarheid’ bestaat volgens mij niet. Je kunt overal wat van vinden, je kunt het ergens mee eens of oneens zijn. Maar het kan niet zo zijn dat jij gelijk hebt omdat jij dat vindt en ‘dus’ de ander ongelijk heeft. Zo ‘werkt’ het in het leven niet. Dat is althans mijn mening.  

Doelgroep

Ik vraag me best vaak af wat de reden is dat mensen niet vragen om de hulp die ze nodig hebben, of de hulp die ze krijgen aangeboden afslaan. Ik werk voor een project dat lessen biedt aan ouders van jonge kinderen tussen de 2 en 7 jaar. Het filmpje dat wij daarover kregen bij de start liet een peuter zien op een stoeltje voor de televisie. Elders in huis hielden de ouders zich met andere dingen of zichzelf bezig en wanneer zij in beeld kwamen maakten ze geen contact met het kindje.

In de volgende beelden zagen we het kindje groter worden, naar school gaan, blijven zitten op de basisschool en stranden op het voortgezet onderwijs omdat ze gaande weg steeds meer begon achter te lopen op haar klasgenoten. Wanneer opnieuw een peuter op een stoeltje voor de televisie in beeld komt is mij duidelijk hoe ook dit kindje begint aan eenzelfde leven als haar moeder en daarmee verminderde kans op een geslaagde schoolloopbaan en aansluitende arbeidsloopbaan.

De cursus is oorspronkelijk bedoeld om laaggeletterdheid in ons land tegen te gaan en na het geven van de lessen aan meerdere groepen cursisten kan ik zeggen dat de enkele, vermoedelijk laaggeletterde ouder die we hebben gehad in een aanmelding is afgehaakt en nog waarschijnlijker is dat juist degenen die de doelgroep vormen zich niet aanmelden.

Verder merk ik in mijn omgeving veel van mensen die hulp kunnen gebruiken en daar niet om vragen of het afwijzen. Ik begrijp het heel goed wanneer het schaamte is, of misschien willen of kunnen ze er niet voor betalen. En ik vind het ook jammer. Toen ik 32 jaar geleden door de huisarts werd doorverwezen naar een psychologencollectief kon ik hun hulp niet betalen. De psycholoog die ik sprak vond wel dat ik geholpen moest worden en zij adviseerde mij met de brief van de huisarts naar de toenmalige GGZ te gaan. Wat ik daar moest betalen was een fractie van wat ik bij het collectief had moeten betalen. In twaalf sessies ben ik daar enorm goed op weg geholpen en het heeft mij jaren aan mezelf werken gekost, met behulp van mijn ‘zelfhulpschrift’, om te komen waar ik nu ben. ‘Gekost’, maar ik had het voor mezelf en mijn gezin over en ik blijf die eerste psycholoog die ik sprak en mij doorverwees eeuwig dankbaar voor haar hulp. Voor het onderkennen van mijn probleem en mij te helpen door mij naar een ander door te verwijzen.

Toen tegelijk een aantal familieleden achter elkaar overleed in korte tijd en ik op school niet meer kon functioneren zoals ik wilde en goed vond, heb ik alle hulp ingezet die ik kon krijgen en daar veel voor betaald (een psycholoog en een psychiater, na de coach die door school voor mij was ingezet) omdat we dat inmiddels konden en ik die hulp nodig had.

Onze geestelijke en lichamelijke gezondheid is wat er echt toe doet. Het heeft invloed op ons en onze omgeving en op wat we willen en kunnen. Schaam je nooit omdat je hulp nodig hebt, daar zijn hulpverleners voor. En zoek verder wanneer je hulp wordt geboden dat voor jou niet goed (meer) voelt.

Het wordt wat luchtig gezegd in een L’Oreal reclame, maar ze hebben helemaal gelijk. Doe het: Omdat je het waard bent.

Saai? Nee hoor

Mijn man staat op en ik zeg: ‘Ik kom ook zo,’ Ik trek de gordijnen open en pak mijn telefoon. Ik begin aan mijn dagelijkse twee lesjes Engels-Spaans met Duolingo. Uit de keuken roept mijn man: ‘Wil je ook thee?’ en even later komt hij er al mee binnen en zet mijn theeglas op het nachtkastje: ‘Ha, lekker,’ zeg ik, ‘dank je,’

Als ik in de kamer kom, na mijn lesjes, zegt mijn man: ‘Het is mooi weer,’ en ik zie door ons raam het mooie rustige herfstweer. Hij gaat naar de keuken en vraagt: ‘Even lopen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik moet nog een broodje,’ ‘Ik ook,’ zegt hij.

Buiten is het pittig, fris. Onze dochter is bij ons geweest en heeft een pakje laten liggen dat we lopend gaan brengen. We praten best veel onderweg. Ik heb de neiging om al het moois dat ik zie op te noemen en hij knikt soms instemmend, kijkt mij aan met een lachje, of geeft er zijn commentaar op. En we praten ook over de grote gebeurtenissen in de wereld, de Covid die we proberen op onze manier mee te bestrijden en de wisseling van presidenten in het door midden gescheurde Amerika. ‘Wie er ook bij ons wordt gekozen…,’ zegt mijn man, ‘niemand gaat de straat op of schreeuwt of huilt erom,’ Het is bij ons gelukkig niet zo extreem en ik geloof niet dat hier iemand zo overtuigd is van zijn gelijk als de president van Amerika van de afgelopen vier jaar. Ook niemand die zulke bijzondere tweets uitdoet en zo respectloos het woord respect in de mond neemt.

Wanneer we de spoorbrug zien waar we vaak onderdoor zijn gereden zegt mijn man: ‘Ik wil er wel een keer op,’ en wanneer hij ’s middags zegt: ‘Zullen we nog even naar buiten,’ weet ik dat we die kant op gaan. Fietsen gelukkig want de wandeling van de ochtend en die van de vorige dag zit aardig in mijn benen.

We vinden het fietspad naar de spoorbrug en fietsen de best lange brug over. ‘Kijk,’ zegt mijn man, ‘daar, de bruggen (waar we vaak over rijden, fietsen of lopen), de wijk van ons kind. Wat een uitzicht.’ We zien van ver de koeien in de wei, de mooie bomenreeksen. Het mooie Groningerland. We fietsen nog een nieuw pad door dat mooie land en zien hier en daar de mooie huisjes en boerderijen. Wat een heerlijke dag, genieten.

‘Wat fijn dat ik niet hoef te koken,’ zeg ik, want we eten die avond bij familie. Thuis drinken we een kopje thee, zien een (stuk van een) wedstrijd en maken ons klaar voor de avond. Zo’n lekker dagje, niets moet, niets hoeft…genieten.