Toch weer communicatie

‘Ik vind het niet leuk dat u het toch tegen mijn ouders hebt gezegd,’ Ze zit, samen met haar vader, tegenover mij en ik vind het dapper dat ze dat zo tegen mij zegt. Ik kijk haar deemoedig aan en voel me ook precies zo.

Eerder die week sprak ik telefonisch met haar moeder en in mijn vurig verlangen voor de zeventien jarige Belinda, een van mijn niveau 2 leerlingen, op te komen, flap ik eruit wat Belinda mij inderdaad had gevraagd niet te doen.

Belinda’s ouders zijn dan al een aantal jaren gescheiden en oorspronkelijk leeft Belinda prettig met haar vader samen terwijl haar broertje en zusje bij haar moeder en diens nieuwe vriend gaan wonen. Wanneer omstandigheden veranderen kan Belinda niet meer goed bij haar vader terecht en wijkt zij uit naar de familie van haar vriend. Bij moeder is in feite geen plaats voor haar omdat behalve haar broertje en zusje er een deel van de week ook een stief broertje woont. En Belinda… die wilde het liefst op een prettige manier bij één van haar ouders wonen. Ik vond dat helemaal geen rare wens maar Belinda had mij dus gevraagd dat niet tegen haar ouders te zeggen.

We kijken elkaar aan en terwijl ik mijn excuses daarvoor aanbied zegt vader: ‘Ik vind het wel goed dat u het heeft gezegd. Ik had geen idee dat Belinda moeite had met onze woonsituatie en ik ben het helemaal met u eens dat een meisje van zeventien bij haar vader of bij haar moeder moet kunnen wonen.’

Er zijn bijna twee weken voorbij gegaan wanneer ik van Belinda een mail ontvang. In deze mail vertelt ze dat een ruimte boven de garage aan het huis van haar moeder en stiefvader voor haar wordt klaargemaakt. In gezamenlijk overleg hebben haar ouders en stiefvader dit besloten en geregeld. Belinda mag zelf de stoffering en meubels uitzoeken en laat mij weten dat ze als hoofdkleur bordeauxrood heeft gekozen. Ze bedankt mij voor de coaching en laat weten heel blij met de uitkomst te zijn.

Hoe was het gegaan als ik niets had gezegd? Dat weten we niet. Ik zou een volgende keer aandringen op wel vertellen en heb in ieder geval dit voorbeeld om te laten zien hoe wel communiceren kan uitpakken.

Goede ouders…maar geen goede combinatie

‘Die twee passen gewoon niet bij elkaar. Ik heb dat al heel vaak gedacht,’ Ik hoor het iemand zeggen en laat het even op me inwerken. Ik ken de mensen over wie dit nu wordt gezegd en ik weet dat ze jonge kinderen hebben. ‘Doe niet,’ was mijn eerste gedachte toen ik van deze op handen zijnde scheiding hoorde. ‘Denk toch om je kinderen,’

Ik weet al lang dat niet alle scheidingen voorkomen kunnen worden. En ik denk nog steeds dat het beste is, wanneer het wel kan. Wanneer dat dan zo is? Daar heb ik veel en vaak over nagedacht. 

Er moet een vorm van liefde zijn. Geen relatie, geen huwelijk kan zonder. Er mag best veel verschil zijn tussen de echtelieden, maar de overeenkomsten zijn nodig om de verschillen te kunnen overbruggen. En de communicatie is een cruciaal gegeven. Hoe communiceer je samen, kun je elkaar bereiken? Kun je elkaar beïnvloeden? Heb je respect voor elkaar en toon je dit in je communicatie?

Soms blijkt na een aantal jaren dat een ouderpaar geen goede combinatie vormt. Als je dan toch bij elkaar kunt blijven is dat het fijnste voor de kinderen. Zij hebben je allebei evenveel nodig. Zij zullen zelf nooit voor één van de ouders kunnen kiezen. Dat is de kracht van het fenomeen loyaliteit. Elke ouder die dus de andere ouder, op wat voor manier dan ook, schaadt, schaadt hiermee ook zijn kind.

Wat je wel kunt doen, als je geen goede combinatie blijkt te zijn, is goede ouders blijven. Goede ouders hebben samen, ook al zijn ze niet meer samen, toch het beste voor met hun kind. Hoe je dat doet?

Het begint met een goede zorgverdeling en evenredige afspraken. Een kind heeft niet alleen beide ouders nodig maar ook de families waarvan het onderdeel uitmaakt. Ban die dus niet uit hun leven, ook daarmee schaad je je kind. Alle betrokkenen moeten zich aan de afspraken houden. Daarmee help je je kind. Heb respect voor elkaar. Dat heb je allemaal nodig om na een scheiding toch goed voor je kind te kunnen zorgen. Alle ego’s even opzij uit liefde en respect voor je kind.

Al blijk je geen goede combinatie te zijn, je kunt wel samen goede ouders blijven.

Wat zou je dan anders doen

Niemand van ons weet, hoe oud we zullen worden. Dat is een van de mysteries van het leven. Het enige dat we zeker weten is dat we op enig moment aan het einde van ons leven zijn. En een heel grote onzekerheid, totdat het einde daar is, is wanneer dat zal zijn.

Wij hebben een broer en een zus op te jonge leeftijd verloren. Onze broer was 65, onze zus pas 48. Allebei zijn ze overleden aan een ongeneeslijke ziekte. Onlangs hebben we weer afscheid genomen van een dierbaar persoon die ook niet ouder mocht worden dan 49.

Gelukkig zijn onze ouders beiden echt oud geworden. Onze moeder 86 en onze vader 93. Dat kan dus ook. En daar hopen, denk ik, de meesten van ons op. Ze waren ook nog allebei samen tot het eind. Weliswaar in een verzorgingshuis maar wel in een echtparenkamer. En de meeste verzorging kwam toen van mijn vader. Mijn moeder was op het eind echt vergeetachtig en ze ging steeds minder eten. En terwijl ze, tijdens hun lange leven, allebei ernstig ziek zijn geweest hebben ze beiden, voor hun overlijden, geen ziekbed gehad.

Mijn ouders hielden veel van elkaar en ik vond dat voor ons een mooi voorbeeld. Natuurlijk maakten ze ook fouten en daar is geen van ons blind voor geweest. Zij waren echte mensen en echte mensen maken fouten. Maar ze hebben vooral heel veel goed gedaan, naar elkaar en naar ons, hun kinderen.

Ik probeer dat na te streven. Ik probeer goed te doen, naar mijn man en mijn kinderen, en tegelijk goed voor mijzelf te zorgen. En voldoende oog te hebben voor de mensen om ons heen. Het lukt helaas niet altijd, maar ik probeer het wel. Ik hoop dat ik, in navolging van mijn ouders oud mag worden, met mijn liefste en ons uitdijende gezin. En wanneer dat einde er is, hopelijk nog in een redelijk verre toekomst, weet ik dat ik geleefd heb zoals ik dat wilde en goed vond.

Ik vraag me wel eens af, of er mensen zijn die anders zouden leven wanneer ze zich realiseren dat een einde ook vroeg kan komen. Wat zouden ze dan anders doen?

Mijn jongetje en ik

Hij werd 4½ week te vroeg geboren en hij woog maar 1800 gram, nog geen twee pakken suiker. Ik zag hem de eerste maand alleen maar slapend in een glazen bakje in het ziekenhuis op de warmtekamer. Ik had me steeds afgevraagd of ik van dit jongetje net zoveel zou kunnen houden als van onze andere twee kleinkinderen, de kinderen van onze oudste dochter. Zij waren toen 3 en 5 en we pasten al 5 jaar elke week op hen. We zaten zo aan deze kinderen ‘vast’. Met hen hadden we de unieke band die grootouders hebben met hun kleinkinderen. Mijn liefste, de opa van deze kinderen sprak met mij wel eens over de extra unieke band die hij voelde met onze oudste kleinzoon, het ventje dat ons tot grootouders heeft gemaakt. Tot op heden tel ik voor deze jongen alleen volledig mee wanneer zijn opa er niet is. Dat geeft niets, hij heeft met zijn opa een andere band dan met mij. Specialer, het is maar net hoe we het benoemen, maar anders dan met mij, ik zie dat, ik voel dat en het is okay.

Dat het jongetje nog een broertje zou krijgen was niet voorzien. Een tweede zou er niet komen. Nu is die tweede ons vierde kleinkindje en is de stand geworden 3-1. We hebben drie jongetjes en één meisje. Ze zijn ons allen even lief. Ze hebben ieder hun speciale plekje in ons midden. Er is maar één de oudste jongen, één de middelste en één de jongste en er is maar één meisje.

Het te vroeg geboren jongetje, dat maar 1800 gram woog bij geboorte was toen ook maar 44 cm en dat is klein voor een baby’tje. Echt klein. Hij is de enige van onze kleinkinderen op wie ik alleen heb gepast en hij is ook mijn zorgenkindje. Toen ik de cursus kindercoach deed kwam ik er pas achter dat hij jaren heeft geleden aan slaappaniekaanvallen, de officiële naam daarvoor is pavor nocturnus. Heel naar voor zijn ouders. Zelf merkte hij daar niets van, wat precies overeenkomstig de beschrijving van deze kwaal is.

Mijn jongetje is nog steeds klein en heel fijn voor een jongetje van zijn leeftijd. Ik herkende hem al snel als heel gevoelig en heel pittig, de moeilijkste combinatie die een kind kan zijn/ hebben volgens het boek dat wij hebben van babyfluisteraar Tracy Hogg. Iets wat niet mag of niet lukt is voor hem moeilijk te accepteren. De frustratie die dat oproept blijft het moeilijkst voor hemzelf.

Ik was een keer bij hun op mijn oppasdag toen hun mamma op een klein klusje na niet hoefde te werken. ‘Weet je mam,’ zei ze, ‘misschien hoefde je wel helemaal niet te komen, maar hij verlangt altijd zo naar jou,’ En voor mij voelt dat net zo.

Mijn jongetje en ik delen dat verlangen. En al hoef ik niet te komen oppassen, ik kom toch. En de vraag of ik van hem, en zijn broertje, net zoveel zou kunnen houden als van onze oudste kleinkinderen? Die is al lang beantwoord.

Het kan echt moeilijk zijn

Het is niet gek dat relaties soms niet werken. Of dat ze moeizaam gaan. Dat er problemen zijn die moeilijk zijn op te lossen. Je bent namelijk altijd twee verschillende mensen.

Wij hebben een relatie die al 38 jaar duurt. Dat is best lang. In die 38 jaar hebben zich vaak moeilijkheden voorgedaan. En ik weet inmiddels dat het altijd zo zal blijven. Ik zou het graag anders willen, maar het is niet anders. En toch zijn we bij elkaar, lange tijden achter elkaar in een heel prettige relatie. We begrijpen elkaar goed, communiceren elke dag met elkaar, we delen echt elkaars leven. We houden veel van elkaar, dat spreken we niet vaak letterlijk naar elkaar uit maar we weten het door de manier waarop we met elkaar omgaan.

Klinkt misschien saai, maar dat is het niet. Wel comfortabel, want we zijn er altijd voor elkaar. Als de één een probleem heeft zal de ander er alles aan doen om te proberen dat probleem mee te helpen oplossen. Wat daarbij helpt is onze gezamenlijke en gedeelde liefde voor onze kinderen en kleinkinderen. Te weten dat we allebei alles voor hen over hebben. En dat we ook met ze kunnen communiceren. Ook als er met de kinderen een probleem of onenigheid is kunnen we dat uitspreken. Dat is ook comfortabel.

Het enige dat het moeilijk kan maken is een probleem of onenigheid tussen ons. Ik kan daar niet tegen. Ik word daar boos, gefrustreerd en vooral heel verdrietig van. De problemen tussen ons hebben jarenlang onze relatie moeizaam gemaakt. Te vaak onplezierig. Waren ze dan groot? Nee, dat waren ze niet. Juist helemaal niet. Het was het gedrag dat wij erbij vertoonden dat het groot maakte. Dat de tijd waarin ik (en mijn liefste in mindere mate) me naar voelde soms zo lang maakte. Dat die tijd voorbij is daar ben ik diep dankbaar voor want ik weet nog precies hoe het voelde. Naar.

Van de week overkwam het ons weer. Zomaar in wat ze noemen ‘a split second’ was het er. Er gebeurt iets, ik reageer, het valt bij hem verkeerd en BAM. We bereiken elkaar niet. Ik kon er niet van slapen, een lange slapeloze nacht. En het moment dat hij zijn ogen open deed heb ik het gezegd, heel rustig, waarom ik het niet goed vond wat er gebeurde. Hij reageerde rustig en duidelijk en het was klaar. Echt klaar. We konden gewoon goed communiceren, geen naar gevoel meer en ik wist dat we er op een ander moment op terug zouden komen. En dat is gebeurd.

We hebben het uitgesproken, dat we al heel ver gekomen zijn samen. Dat we goed hebben leren communiceren en dat toch de ongemakkelijke momenten er zullen zijn, alleen nu nog maar heel soms. Gelukkig. En kort.

Op zulke momenten denk ik dan dat het niet zo gek is dat zoveel relaties stranden. Want dan weet ik weer dat het soms echt moeilijk kan zijn, om elkaar te begrijpen. Om te luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. Om te begrijpen dat je allebei tekortkomingen hebt en om dan toch de liefde te blijven koesteren.  

De wereld is zo mooi

Mijn uitgangspunt is dat we gezond zijn. Dat denk ik en dat hoop ik. Het betekent niet dat we geen zorgen, beperkingen en ongemakken hebben, want die hebben we wel. Als je bijna 60 en 60+ bent dan zou het heel bijzonder zijn als je dat niet had.

Maar dan zo’n mooie dag. Zo’n mooie eerste, heerlijke zon dag, na een donkere periode met af en toe regen. Zo’n periode waarop menigeen, midden in deze zomer, verzuchtte dat het wel herfst lijkt. Zo’n dag is dan weer even bijzonder.

De zwaluwtjes vliegen als levende pijltjes door de lucht en de musjes vliegen in paartjes of groepjes van de ene boom naar de andere, op steigers, hekken of heggen, of even op je eigen veranda dicht bij je huis.

De wereld is mooi. Het groen en de bloemetjes in onze eigen tuin en om ons heen. De zon in nu nog gesluierde lucht en het water dat ik zie blikkeren in het zonlicht. Het water dat zo rustgevend langs de steiger stroomt.

Voor mij is ook het leven mooi. Ondanks de zorgen, beperkingen en ongemakken die ook mij van tijd tot tijd plagen. En ik begrijp dat het veel te maken heeft met deze mooie plek waar wij elke zomer weer mogen neerstrijken. De plek die zo geschikt voor mij is, juist omdat alles hier klein en overzichtelijk is, de plek waar mijn onrustige geest altijd weer de ruimte vindt om te herstellen van onrustige gedachten.  

Deze plekken zijn overal te vinden en vroeger zocht ik die op wanneer ik het nodig had. Dan zat ik een poosje bij een vijver, op een bankje of in het gras. Of in een parkje of plantsoen. Daar staan die bankjes er voor. Om even bij te komen van onrustige gedachten.

Die bankjes zoeken we ook op als we echt even gaan fietsen, niet een rondje maar even verder. Met een tasje met boterhammen en wat lekkers mee, een boekje of een blad. En dan voor mij het ultieme, als mijn liefste zich uitstrekt op zo’n bankje en met zijn hoofd in mijn schoot even wegdommelt en ik op zo’n mooi plekje ongestoord kan lezen.

De wereld is mooi en soms…is het leven ook even, heel mooi.

NLP

Ik kwam met NLP in aanraking toen ik op school (als docent) op een punt was aanbeland dat ik niet meer wilde werken zoals ik moest. En ik wist dat wellicht binnen afzienbare tijd ik het ook niet meer zo zou kunnen. Door de cursus NLP practitioner kwam ik steeds dichter bij mezelf en steeds verder van school. De keus om school te verlaten was toen snel gemaakt.

Neuro Linguïstisch Programmeren. Neuro heeft betrekking op de zenuwen en/of hersenen, linguïstisch heeft te maken met taal, en programmeren met sturen. Heel kort door de bocht zeg ik daarover altijd: ‘Je gedachten bepalen je stemming en je stemming stuurt je gedrag.’

In de cursus NLP heb ik onder andere geleerd dat iemand met wat hij doet altijd een goede bedoeling heeft. Dat vond ik in het begin heel moeilijk te begrijpen. Stel dat iemand een ander kwaad doet. Waar is dan de goede bedoeling? Daar kunnen we veel over zeggen. Ieder bepaalt voor zichzelf wat ‘kwaad doen’ inhoudt. Daar is niet iets eenduidigs over te zeggen.

En iemand die een moord pleegt dan? Dat vind ik een extreem voorbeeld. Gelukkig zijn dat uitzonderingen en geen regel, net als andere kwade dingen als bijvoorbeeld mishandeling. De goede bedoeling zit dan bij de dader. Die is dan voor hemzelf. Of voor haarzelf.

In de meer gangbare zaken, de gewone omgang tussen mensen, kunnen veel dingen als kwetsend worden ervaren. Ik denk dat in de meeste gevallen de opzet er niet is. De interactie tussen mensen (mensen die in welke vorm dan ook een relatie hebben) is complex. Wat er wordt gezegd wordt niet altijd als zodanig begrepen. Wanneer er in een dergelijk geval niet verder naar wordt gevraagd, dan kan er een verstoring komen in de relatie.

Hoe weet je dan of je niet hebt begrepen wat er is gezegd? Misschien kun je dan eens nagaan hoe je gevoel en je gedachten daarover zijn. Want wat ik absoluut geloof is dat je gedrag daardoor wordt gestuurd. Voel je je niet prettig over iets dat wordt gezegd of dat gebeurt dan lost het vaak al veel op door verduidelijking te vragen.

Ik deed de eerste NLP cursus in 2014 en langzamerhand heb ik sindsdien de overtuiging dat niemand iets kan doen of zeggen waar ik me niet prettig door zal voelen. Ik ga uit van de goede bedoeling van de ander. En wanneer ik mij door iemand gekwetst zou voelen dan zal ik om verduidelijking vragen omdat ik ook niet wil dat de relatie die ik met iemand heb om onduidelijke redenen kan worden verstoord.

Mijn lieve stiefoma

Liefmoeder, bonusmoeder, plusmamma. Namen om het door velen gehate ‘stiefmoeder’ te omzeilen. Via LinkedIn is er een discussie over gaande waarbij de aanleiding een heel positieve is. ‘Vrouw van mijn vader’, ‘vriendin van mijn vader’ kan afstandelijk klinken wanneer de betreffende dame al lang aan jou verbonden is. Ik begrijp dat wel. Maar wat is er mis met een liefdevol uitgesproken: ‘Dit is mijn stiefmoeder,’ of zo je wilt: ‘Dit is mijn lieve stiefmoeder,’ dat vertelt direct iets over je relatie.

Elke moeder, die niet die van jou is, kan voelen als surrogaat. Dat kan een stiefmoeder zijn, een pleegmoeder, een adoptiemoeder en ook een schoonmoeder. Want je hebt maar één moeder. Je bent maar uit één moeder gekomen.

Maar het hoeft niet als surrogaat te voelen en het hoeft niet zo over te komen. Je bepaalt dat zelf. Elke relatie is anders. Stel je voor dat je een éénduidig, nieuw woord bedenkt dat vervolgens iedereen zou behoren te gebruiken om af te zijn van het woord ‘stiefmoeder’, dan zou dat voor heel veel (andere) mensen niet goed kunnen voelen.

Ik zou meer aandacht willen vragen voor de relatie tussen stiefkinderen en hun stiefouders. Die is minstens zo belangrijk als de relatie tussen ouders en hun kinderen. Heel anders, maar minstens zo belangrijk. En ik wil er ook nog graag dit spreekwoord bij benoemen, namelijk: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

Als ouders bepaal je hoe de relatie is tussen jullie en je kinderen en indien van toepassing, tussen jullie en je stiefkinderen. Wanneer je het zelf goed (voor)doet dan is dat er één van wederzijds respect. Je hoeft niet van je stiefkinderen te houden, al is het heel prettig als dat uiteindelijk wel gebeurt. Forceer het vooral niet, kinderen hebben daar een feilloos gevoel voor. Maar behandel ze met respect, zoals je ook zelf door hen behandeld wilt worden.

Mijn ouders noemden mijn oma allebei ‘tante’ al scheelden ze er maar zes en twaalf jaar mee en mijn moeder benoemde haar altijd als haar stiefmoeder, want dat was ze. Maar door de liefde die er zichtbaar voor elkaar was is het woord ‘stiefmoeder’ voor mij altijd een liefdevolle geweest.

Mijn kleinste, grote jongen

Oh mijn jongetje toch. Stel dat we jou niet gehad hadden, wat hadden we dan enorm veel gemist. Alleen al het feit dat jij mij laat zien hoe mijn eigen kleinste meisje eruit had gezien als zij van het andere geslacht was geweest. Daarvoor krijgen, denk ik, niet veel mensen de kans.

Na al die Coronamaanden heb ik vandaag weer een keer op je gepast. Ik was wel klaar met dat niet meer oppassen op jou en je broer. Ik werd verwelkomd met een straaltje water die jij vanaf jullie balkon uit je waterpistooltje schoot.

Je wilde meteen naar de speeltuin om daar ook met een waterpompje te schieten en daarvoor kregen we van je mamma een bakje mee (met deksel) met daarin een laagje water. ‘Maar liefje, daar is toch een kraan in die speeltuin?’ vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde zij, ‘maar we hoeven dit water toch niet weg te gooien?’ Tegen zoveel logica kon ik niet op. In de speeltuin bleek het ook wel handig te zijn, dat bakje, omdat ik nu niet iedere keer naar de kraan hoefde te lopen.

De hele dag klets jij aan één stuk door en ik vind het zo aandoenlijk hoe jij probeert de woorden helemaal goed uit te spreken. Wat je bedoelt met ‘milonade’ is mij volkomen duidelijk en als ik herhaal met: ‘Oh, hebben jullie limonade?’ zie ik aan je koppie dat je iets opmerkt wat je nog niet helemaal begrijpt.

In de HEMA ontdek jij allemaal mooie en leuke dingen die je gaat kopen ‘als je net zo groot als oma bent’. En ik denk: ‘Nee, dat doe je dan niet,’ maar ik snap wel dat je dat nu graag zou willen. Wanneer je iets mag uitzoeken wijs je een groot doosje met stempeltjes aan. Een kleinere variant ligt ernaast en ik zeg: ‘Zullen we deze doen. Die zijn toch ook mooi?’ Je laat de twee doosjes node omruilen en zegt: ‘Als ik net zo groot ben als oma, dan koop ik die grote,’ en ik denk: ‘Flauw hoor oma, voor die ene euro kun je hem toch ook die grotere geven,’ ‘Okay,’ zeg ik, ‘pak die grote maar en dan is die voor jullie samen,’ Met een gelukzalige glimlach ruil je ze om en zegt: ‘Ja, voor ons allebei,’

Later in de speeltuin vertel je aan de moeder van een vriendje dat je pappa een nieuwe motor heeft gekocht. Aan mij vraagt ze: ‘Heeft hun pappa een motor gekocht of is het misschien een scooter,’ ‘Nee, ‘ zeg ik, ‘het is een nieuwe motor voor onze boot,’ Dat was ook wel wat veel voor jou om uit te leggen. En jij had het helemaal goed gezegd.

Ik had juist gedacht dat het laatste jaar op jouw passen was ingegaan toen de Coronacrisis de boel kwam verstoren en ik maanden niet bij jullie mocht oppassen. Nu gaat het om de laatste maanden en ik ben blij dat we het weer hebben opgepakt. Je wordt al zo groot mijn jongetje, van ‘klein’ kunnen we straks helemaal niet meer spreken. En ook als jij naar school gaat kom ik om de andere week naar jullie toe om in ieder geval nog een paar uur op die dagen bij jullie te zijn.

Van liefde naar haat?

Op LinkedIn wordt ik attent gemaakt op een interview in een radio programma. Het gaat over vechtscheidingen en het lot van de kinderen daarin. Ik luister en hoor weer de onmacht van de ouders die deze vechtscheidingen veroorzaken. Meerdere malen hoor ik de dame die wordt geïnterviewd zeggen: ‘Maar de andere ouder haat haar … of haat hem,’ En ik denk: ‘Haat,’ waar liefde was?

Mensen komen bij elkaar, vormen een paar omdat ze van elkaar houden. Dat denk ik echt. Er springt een vonk over en de ander is even, of langere tijd heel speciaal. Hij of zij is exclusief voor je en je wilt samen je leven delen. Op enig moment wil je zelfs samen ouders worden. Samen leef je daar naar toe. En dan is het zover. De één is zwanger en de ander gloeit ook van trots. WE krijgen een baby. Wat een blijdschap, wat een geluk.

Tot zover gaat het allemaal goed, de liefde verdiept zich. Hoe je communiceert is nu belangrijk voor je relatie. Want er is de ongelijkheid dat één van de twee zwanger is… en de ander niet. De ander kan zich verdiepen in het proces van de zwangerschap. Hij of zij kan lezen over hoe een kindje groeit in de moederbuik, samen kun je daarover spreken. Samen kun je je voorbereiden op de werkelijke komst van het kindje, de bevalling. De zwangere kan het zwaar hebben, want een zwangerschap is niet altijd een roze wolk. Voor velen is het zwaar, een aanslag op je lichaam en je geest. Daarom heb je de ander nodig en moet je de ander toelaten. Jij bent zwanger maar je krijgt samen een kind.

Daarna is alles anders. Je hebt samen het wonder meegemaakt van het krijgen van een kind. Je wordt samen beperkt in je bewegingen zoals je die voordien gewend was. Want er is een hulpeloos wezentje, afhankelijk van jullie samen. Er is heel veel communicatie nodig bij het goed doorkomen van dit proces, bij het anticiperen op dit proces. Verbale en non-verbale communicatie. Er wordt een aanslag gedaan op je gevoel, op je luistervaardigheid op je intelligentie en bovenal op je verantwoordelijkheid.

Heb elkaar lief in deze tijd, heb compassie met elkaar want je staat voor het moeilijkste dat er op de wereld is. Een kind krijgen is niet altijd moeilijk, maar het grootbrengen wel. Daarom moet je ook streng voor elkaar zijn en elkaar aanspreken wanneer je ziet of voelt dat wat de ander doet niet goed is voor het gezin.  Je kunt het je niet veroorloven om het niet te doen. Want als het onderhuids gaat broeien, als op- of aanmerkingen ongezegd blijven kan het er uiteindelijk uitkomen als verwijten. Dat kan ontaarden in gekibbel, of erger, daar gaat liefde onder lijden en als je dan niet oppast kan blijkbaar liefde veranderen in… haat.