Van krasjes en scheuren

Onze weg van baby naar hopelijk ouderdom gaat niet altijd over rozen. We weten dit allemaal. Hoe we het voelen en beleven is bij iedereen anders. Fysiek liep ik al vroeg wat blessures op. Een voet in een wiel toen ik vijf was, mijn arm op twee plaatsen gebroken toen ik negen was en een zwaar verstuikte enkel op mijn dertiende. Het is allemaal min of meer goed gekomen. De littekens en vergroeiingen zijn blijvend zichtbaar. Mentaal ging het ook niet heel gemakkelijk, althans, heel lang niet. Ik heb het leven soms zwaar gevonden, voornamelijk omdat ik mezelf enorm in de weg zat. Ik wilde dat niet, natuurlijk niet, maar het duurde even voordat ik met mezelf om kon gaan. En natuurlijk waren er omstandigheden die invloed op mij hadden.

Over onze kinderen heb ik me vaak zorgen gemaakt. Ook hun leven gaat niet altijd over rozen. Heel lang voelde ik me daar schuldig over, was ik bang dat het een nalatigheid was van mij of mijn opvoeding waardoor dit kon gebeuren. Erover praten hielp altijd en dat ging de ene keer gemakkelijk en de andere keer wat moeizamer, maar we deden het wel. Altijd wilde ik zeggen, maar dat weet ik niet, want ook mijn kinderen houden dingen voor zichzelf en dat is goed, dat moet kunnen.

Met mijn jongste dochter kwam ik erover in gesprek en we ontdekten samen dat het niet erg is dat het leven soms moeite kost. Dat we ook daarin verantwoordelijkheid kunnen nemen en keuzes kunnen maken. We ontdekten de rol die we in elkaars leven spelen en de rol van onze mannen in ons leven.

Als oudere weet ik meer van het leven dan mijn kinderen want ik ben er al veel langer. Wat zij nog moeizaam ontdekken heb ik al lang meegemaakt, daarom kan ik ze daarbij helpen, wanneer ze ervoor openstaan. Doen ze dat niet dan is het ook goed, dan help ik alleen wanneer ze erom vragen. En daar ben ik niet selectief in, bij mij mag je alles vragen. Ik zeg ook nee, als ik dat het goede antwoord vind.

Onze rol als ouders van volwassen kinderen is die aan de zijlijn. En het mooiste is wanneer je dat liefdevol kunt zijn. Maar ze hebben ons wel nodig omdat ze, net als wij, op hun levenspad, krasjes en scheuren hebben opgelopen. Om die samen met hen te helen is een dankbare taak en wederom één waarvan je niet zeker weet of het lukt. En daarvoor hebben we vertrouwen nodig, vertrouwen en heel veel liefde.

Familie

‘Hij ziet zijn moeder al lang niet meer en zijn vader woont in Amerika,’ Het eerste herhaal ik in een vraag: ‘Hij ziet zijn moeder al lang niet meer?’ ‘Nee,’ is het antwoord, ‘nee,’. Er is natuurlijk een verhaal, dat kan niet anders, maar ik vraag niet verder en zij vertelt niet verder. Maar het laat mij niet zomaar los.

Ik heb gelezen en gehoord over het fenomeen ‘ouderverstoting’ en ik heb er zelf ook eens over geschreven naar aanleiding van een documentaire. Bij ouderverstoting is een kind (oud of jong) in ieder geval nog bij een ouder, of in contact met een ouder. Deze jongen heeft ouders maar hij heeft ze niet. Dat je ouders er zijn maar dat jij ze niet hebt, dat moet wat met je doen, dat kan niet anders.

Ik heb veel te maken gehad met kinderen uit een gebroken gezin. De loyaliteit die elk kind, elk mens heeft naar zijn ouders kan soms vreemde vormen aannemen. Elke dag weer bepalen of je bij de één eet of slaapt, of bij de ander. Omdat ze ‘beiden zo graag willen dat je bij ze bent’. Dat is een mooie gedachte, maar als ze niet samenzijn en beiden aan je trekken dan kun je daar aardig door verscheurd raken.

En soms kun je of het één of het ander. Als je goed bent met je vader kan het contact met je moeder moeizaam zijn en als je met haar juist goed bent kan het met je vader soms niet lukken. Moeilijk, heel moeilijk.

En dan ben jij er zelf ook nog. Zo lang je jong bent ben je van je ouders afhankelijk. Zij beslissen over je en jij hebt zelf weinig in te brengen, tenzij je heel verstandige ouders hebt en zij verstandige nieuwe partners. Dan kijken ze naar wat jij nodig hebt. Maar als je ouder bent en zelf misschien één of meer kinderen hebt, dan ga je er zelf over. Wat doe je dan?

Laat je het van je ouders afhangen hoe hun relatie is met jouw gezin? Of ga je naar ze toe al komen ze weinig bij jou? Mijn ouders kwamen nooit bij mij (of bij hun andere kinderen). Dat zat niet in hun systeem. Ik ging met de kinderen naar hen toe. Gewoon als ik daar zin in had. En ik had er altijd zin in, maar net als iedereen met kleine kinderen hadden we het daarvoor soms te druk. En dat was okay. Ik vond het wel belangrijk dat ze elkaar leerden kennen. Mijn kinderen hun familie en andersom.

Een relatie valt en staat bij interactie. Die interactie begint minimaal bij één persoon.  En de enige waar jij invloed op hebt ben jij. Niet de ander, die heeft invloed op zichzelf. Het is dus aan jou of en hoe je die relatie wilt. Het is één van de moeilijke dingen in het leven, relaties onderhouden. En als het moeizaam gaat is het vaak geen onwil maar eerder onkunde of onmacht. Daarom is het fijn dat je een keuze hebt en invloed op jezelf.

Je hebt maar één familie, hoe die er ook uitziet. En dat geldt ook voor je kinderen, wanneer die later groot zijn. Probeer het maar te koesteren want het is voor iedereen belangrijk.

Wat je ziet…

Verlegen. Ik geloof dat dat het woord is dat mij het meest typeert. Ik ben grootgebracht op een flatje met 5 slaapkamers. Voor de meeste families zou dat een grote flat zijn. Voor ons grote gezin viel dat wel mee.

Ik was zes toen ik voor het eerst naar school ging. Een Christelijke school, een heerlijke school waar prachtige Bijbelse geschiedenissen werden verteld. We leerden er ook mooie psalmen ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God…’ Als ik met mijn man ergens rijd waar maar enig hoogteverschil is, zingt die psalm door mijn hoofd. ‘Er is een roos ontloken…’ vind ik ook erg mooi. Ik denk dat ik daarom zo van rozen hou.

Ik vond het heerlijk in de klas omdat ik me daar, net als thuis, anoniem kon bewegen. Nog steeds hou ik meer van lessen dan van pauze, van wedstrijden dan van rust. Ik heb moeite te bedenken hoe ik me in die rusten en pauzes moet gedragen. Dat heeft met mijn verlegenheid te maken. Of ben ik juist verlegen omdat ik niet weet hoe ik me dan moet gedragen? Dat kan ook. Het geeft niet als mijn man er is, want dan doe ik hem gewoon na. En dat doe ik ook als ik met één van onze goede vrienden ben.

Ik weet nog goed dat mijn man mij ooit achterliet bij een groepje jonge mensen en ik naar hem op zoek ging omdat ik bij de jongelui geen aansluiting wist te maken. ‘Hè, Ro’m,’ zei hij toen ik hem gevonden had, ’wat kun jij er ongelukkig aan komen lopen.’ En dat klopte helemaal, want zo voelde ik me ook.

Ja, verlegen dus en onzeker. Toen ik jong was, en nu nog. ‘Dat zou ik nooit denken als ik je zie hoor.’ Dat hoor ik heel vaak. Dat klopt ook. Het lukt me meestal wel het te verbloemen. Ik bedenk wel een vraag en de antwoorden sla ik zo goed mogelijk op, want mijn belangstelling is echt. Ik wil echt graag weten hoe het met mensen gaat en ik probeer dat te onthouden voor een volgende keer.

Maar die verlegenheid maakt onzeker en bij iemand die toch altijd al onzeker is kan het heel lastig zijn en soms leiden tot vervelende situaties. Ik heb eens bij iemand thuis gegeten. Dat was leuk, lekker en gezellig. Toen ik de man  van het echtpaar in een andere setting tegenkwam en zei, hem een hand gevend, dat kon toen nog: ‘Wij hebben elkaar al eens de hand geschud, hè?’ kreeg ik een verontwaardigd: ‘Je hebt een keer bij mij gegeten,’. En ik kon niet anders dan kleintjes zeggen: ‘Oh sorry, ja dat dacht ik al,’ wat ook echt zo was.

En ik deed een keer, op een groot evenement, wat ik dan altijd doe: mijn man volgen en even met deze en gene een praatje maken. Bij een kennis van ons viel dat verkeerd, ik zag het aan haar reactie. Toen ik daar later iets over wilde zeggen was ze diep met iemand in gesprek en ben ik eerst even bij haar weg gelopen. Ik heb haar helaas nog niet weer gesproken maar ga daar zeker op terug komen. Misschien heb ik het verkeerd gezien en dat wil ik dan wel graag weten.

De moraal van dit verhaal? We zien dingen bij mensen waar we vaak een conclusie aan verbinden. Dat is logisch, dat is wat wij mensen doen. Als het ons niet in de weg zit en we het ook niet iemand ‘kwalijk nemen’, is dat ook helemaal prima. Maar als dat wel zo is, dan is het misschien handig er een paar woorden aan te wagen, want die kunnen dat dan ophelderen.

Zorg versus geld

Toen ons oudste meisje werd geboren spraken wij, haar ouders, samen af dat ik thuis bleef om voor ons en ons huishouden te zorgen. Mijn man bleef fulltime werken om de kosten te kunnen betalen van ons gezin en ons huishouden. We kregen van mij zorg en we kregen van hem geld. ‘Mijn’ zorg en ‘zijn’ geld waren evenveel waard.
Het lijkt op een ‘berekening’ zoals het hier staat, maar zo was het niet en dat kan ook niet. Want ik werd wel eens ziek. En dan zorgde mijn man, terwijl hij ook het geld bleef verdienen.
Toen ik later weer ging verdienen, kregen we meer geld en verder veranderde er niet veel. Mijn man ging niet opeens meer zorgen. Hij had dat sowieso gedaan wanneer het nodig was en verder deed ik het als voorheen. In onze taal heet dit ‘liefde’.
Toen we trouwden hebben we ook de belofte gedaan dat we voor elkaar zullen zorgen. ‘Till death do us part’. Dat was oorspronkelijk de opzet van een huwelijk. Ook voor ons was dat de opzet. Het moment waarop we trouwden was voor een belangrijk deel ingegeven door de baby die ik toen al bij mij droeg. Misschien was zij wel de grootste reden voor ons om dat met hart en ziel te voelen.
Mijn moeder is haar hele huwelijk financieel en emotioneel afhankelijk geweest van mijn vader en mijn vader emotioneel van mijn moeder. Ik weet niet wat zij zonder elkaar hadden gemoeten en wij zonder hen. Gelukkig zijn het nog twee op de drie huwelijken die goed gaan, toch nog de meerderheid. Ik zeg dit niet omdat het huwelijk heilig is, want dat is het niet. Ik zeg dit wel omdat een goed huwelijk, een goede relatie van onschatbare waarde is.
Met dit uitgangspunt is het niet erg wanneer één van de twee tijdelijk ‘niet financieel onafhankelijk’ is. In een relatie gaat het ook niet om één van de twee. In een relatie gaat het juist om samen. Samen deel je het geld en samen deel je de zorg. Niet op een weegschaal maar gewoon, zoals je samen goed vindt. Samen ben je ouders van je kinderen en samen draag je ook die verantwoordelijkheid.
Stoppen dus met ‘mijn geld’ en ‘jouw geld’. Je spreekt ook niet over ‘mijn zorg’ en ‘jouw zorg’. Wanneer je samen een gezin bent bepaal je samen wat er gekocht wordt en wat er gebeurt, ongeacht wie wat verdient of wie wat doet. Over het hoe hoeven we ook niet moeilijk te doen, ieder doet wat hij doet, op zijn eigen manier…MITS het ten goede komt aan het gezin. Aan het begin van dit alles staat de ‘liefdevolle communicatie’ en wanneer je dat niet beheerst is het tijd om mij te bellen.

Mag ik even uw aandacht?

Het was een jongetje dit keer en de aanleiding zo anders dan toen het de meisjes overkwam. Ik was vijf toen het mij overkwam, gezeten achterop de fiets van een hooguit zevenjarige. Zij was een vriendinnetje uit de straat, trots op haar nieuwe fiets met bagagedrager waarop ze mij meenam naar huis. We waren al achter in mijn eigen straat, maar ze vroeg het zo lief dat ik natuurlijk achterop klom. Ik denk niet dat ze al eerder met iemand achterop had gefietst en 55 jaar later denk ik ook niet dat het mocht. Ze slingerde vervaarlijk en ik hield me stevig aan haar zadel vast. Maar mijn benen…die slingerden mee en toen ik bijna thuis was, ter hoogte van het rijtje waar zij met haar familie woonde, sloeg het noodlot toe. Een van mijn slingerende voetjes, in open sandaaltje gestoken, gleed soepeltjes in het wiel. Een pijnscheut vlijmde door mijn lijf en omdat we abrupt stilstonden vielen we samen om en op straat, mijn vriendinnetje, haar fiets en ik.
Ik denk dat ik gilde en heel hard huilde want in no time stonden er mensen om ons heen en er kwam iemand met een deken. Het volgende wat ik me herinner is dat ik in een taxi naar het ziekenhuis werd gereden, mijn bloedende voet bij mijn vader op schoot en zijn met bloed doordrenkte zakdoek. Voordat ik in die taxi werd gedragen had ik heel hard geroepen: ‘Doe er maar een pleister op,’ Ik was vijf.
Tien jaar later was het een nichtje dat achterop bij haar moeder, achterstevoren als ik het goed heb begrepen, met haar voet tussen de spaken kwam. De bijzonderheden omtrent dit gebeuren heb ik nooit geweten. Misschien heb ik me ervoor afgesloten of hield de familie het bij mij weg, want het trauma dat ik nog geen tien jaar daarvoor had opgelopen was nog niet van mij weg. Het enige wat ik er ooit van heb geweten is dat zij daarbij haar enkeltje had verbrijzeld. Het is goed gekomen, dat weet ik maar ik heb er ook later nooit naar gevraagd.
En nu dit kleine jongetje. Hij is nog maar drie. Hij kan al heel veel maar is ook continue op ontdekkingsreis. In zijn hoofdje gaan de hele tijd vragen om: ‘Hoe…, wat? Stel je voor dat…,’ en zo zat dat kleine voetje tussen het wiel, terwijl de vraag doorging: ‘ …ik mijn voet tussen het wiel steek, zou die dan stoppen?’
Hij stopte, en hoe? Terwijl hij een gil gaf, misschien zijn moeder ook en zijn broertje die voor hun fietste, in de berm stuurde, van de fiets sprong en geschrokken naast hun stond. Na zorgvuldig onderzoek blijkt zijn voetje heel en hij kan hem zelf bewegen, zelf met zijn tenen wiebelen. Wat een geluk, mamma en broertje herademen, jongetje komt bij, ook enorm geschrokken van zijn ondoordachte daad. Is dan alles er ongeschonden afgekomen? Nee, zijn ene schoentje is aan flarden. Gelukkig, want die heeft zijn voetje beschermd. Terwijl ze nog een beetje natrillend naar huis lopen kijkt hij trouwhartig zijn mamma aan en zegt: ‘Nu heb ik alleen nog mijn witte…,’

Van de tering en de nering

Volgens mij hoor ik niet meer zo vaak spreekwoorden voorbij komen. Hoewel, die ik laatst wel voorbij hoorde komen ‘Bezint eer ge begint’ en de variant die ik er ooit op hoorde ‘Bezint eer ge bemint’ behoren tot mijn favorieten.
Mijn man en ik kregen ons eerste kindje in de jaren ’80 waarvan ik heel veel later hoorde dat er een economische crisis was. Wij wisten van niks. Mijn man werkte voor een klein loon in zijn eerste baan om in ons levensonderhoud te voorzien en ik was druk met onze kleine baby leren kennen en verzorgen.
Natuurlijk wisten we dat we niet veel ‘te makken hadden’ zoals we destijds zeiden maar dat was een gegeven. Een zorgelijk gegeven en dat ging samen met de zorgen die we toch al hadden vanwege ons heel prille ouderschap. Wat we gelukkig ook hadden was twee liefdevolle families die ons met raad en daad en een beetje geld bijstonden wanneer we dat nodig hadden. Van een voedselbank had ik nog niet gehoord en tweedehands kleren dragen was helaas nog niet ‘hip’.
Best moeilijk, en ook niet altijd mogelijk, zetten we toch zoveel als we konden ‘De tering naar de nering’ en dat hield in dat we eerst en vooral voor onze kleine meisjes zorgden. Wat zij nodig hadden kwam er, daarna waren wij aan de beurt. We liepen schulden op en betaalden die zo snel en zo goed als we konden af.
Gelukkig kreeg ik werk toen de kinderen groter werden en dat kon omdat ze groter werden en naar school gingen. Ik ging weer werken om te kunnen studeren en dat heeft ons gezin financieel een stuk vooruitgebracht.
Vijf jaar geleden stopte ik vrijwillig met werken, zonder uitkering, terecht, wel met een kleine bijdrage van school, ook terecht en dat heeft weer ons gezin erg veel goed gedaan. Ik kon hierdoor mijn man ondersteunen toen hij dat nodig had, onze vier kleinkinderen zien opgroeien omdat ik ze respectievelijk elke week en om de andere week kon verzorgen en de cursussen doen die mij goed deden.
Nu maak ik me, met heel veel meer mensen, zorgen om de jongelui die werk nodig hebben en die dat werk moeilijk kunnen krijgen. En dat is een understatement. Of de jongelui die een half, weinig betaald baantje krijgen. Hoe onderhoud je je leven daarvan? Tegelijk zijn er mensen die wel minder zouden willen werken, willen stoppen of misschien tegen heug en meug blijven werken als ze al niet met een burn-out thuis zitten. Mensen die dat financieel ook zouden kunnen. En ik realiseer me, kunnen is nog anders dan willen, en we doen meestal wat we denken dat we willen.
Iedereen heeft natuurlijk recht op zijn werk maar misschien is dit juist een tijd om daar nog eens goed over na te denken. Kun je, wil je stoppen met je werk dan is er een ander, die nu geen werk heeft, die dat kan overnemen. Of misschien kun je minder gaan werken en je partner ook zodat je samen die nering binnen haalt, en samen wat meer vrije tijd hebt. Ook dan kan het werk dat je achterlaat door een ander worden gedaan.
Wij ouderen hebben al heel veel meer gehad dan de jongeren die nog moeten beginnen. En natuurlijk weet ik ook dat dat niet voor iedereen geldt. Maar als je er wel eens over hebt nagedacht om minder te gaan werken, dan is dit misschien wel het moment.

Wat klaar is, is klaar

Het was een enorme sprong in het diepe. Ik werd al jaren gedreven door de vraag: wat kan ik doen om ervoor te zorgen dat meer kinderen hun kerngezin kunnen behouden? ‘Alleen op mijn zolderkamertje,’ zoals één van de docenten het in één van de lessen noemde, was ik daar al jaren mee aan het werk.
Toen kwam de mogelijkheid om Healthy Ageing Professional (HAP) te gaan doen en nam ik dus die sprong. Zonder verwachting, open-minded. Ik had wel verwacht dat het moeilijk zou zijn maar wat dat ‘moeilijk’ zou inhouden, dat wist ik niet.
Ik nam de moeilijke theorie, de voor mij ‘vreemde taal’ en de methodologie, zo goed als ik kon tot me. Ik printte, verzamelde en bestudeerde alles wat ik dacht dat belangrijk was en ik vond een opdrachtgever bij wie ik mijn innovatie kon ontwikkelen.
Met de theoretische kant was ik voorzichtig begonnen en dat ging me moeilijk af. Maar moeilijk heeft mij nog nooit ergens van weerhouden. Ik kan hard werken en ik ga ervoor…altijd.
En toen vond ik de websites van de cursussen OuderTeam.nu en PinkCloud. Ouderschapscursussen gericht op het versterken van de relaties van aanstaande ouders. OuderTeam.nu is onderzocht en ontwikkeld door mevrouw Gravesteijn, lector Ouderschap en Ouderbegeleiding aan Hogeschool Leiden. PinkCloud is in samenwerking met experts, praktijkprofessionals en jonge ouders door de Universiteit van Amsterdam ontwikkeld. En ik realiseerde mij, het is er al. Terwijl ik alleen bezig was op mijn zolderkamertje waren er mensen die het ook onderzochten en ontwikkelden, mijn innovatie waarvoor ik aan de opleiding begonnen ben.
Mijn hart maakte een sprongetje, want het klopt dus. Waar ik me ongerust over maak, al jaren. Teveel kinderen die de dupe worden van de scheiding van hun ouders. Dat daar meer aan moet gebeuren en liefst aan de voorkant, voordat de baby geboren wordt. Dat het kan helpen de relatie van de aanstaande ouders te ondersteunen, zodat zij beter voorbereid, bewuster aan het avontuur van het worden van een gezin kunnen beginnen. Dat zij grotere kans maken op Healthy Ageing from the start. Mijn onderwerp is hiermee gevalideerd.
En nu? Ik ben dankbaar voor het afgelopen half jaar. Voor de mensen die ik heb leren kennen, mee mocht optrekken en die ik bewonder om wie zij zijn en wat zij kunnen. Ik ben blij met het kijkje dat ik mocht hebben in de wereld van de wetenschap, en met de wetenschap, het inzicht, dat dat niet mijn wereld is.
Ik stop…met de opleiding, maar mijn zoektocht gaat verder. Want wat is het rendement van de cursussen. Is het structureel opgezet of als (aflopend) project? Zijn er resultaten van bekend? Zijn de ouders die aan de cursussen hebben deelgenomen bij elkaar gebleven? Hebben hun kinderen bij hen een goed en veilig thuis en ervaren zij daar ‘positieve gezondheid’? Zijn de oudercursussen de nu nog ontbrekende schakel in de zorgketen rond de ‘geboorte’ van een gezin? En als dat zo is, hoe gaan we er dan voor zorgen dat ze in het zorgpakket voor gezinnen worden opgenomen?
Pas als ik de antwoorden heb op deze vragen is mijn zoektocht afgelopen. En ondertussen blijf ik opkomen voor de kinderen. Ik blijf ‘De Prille-ouder coach’ en ik blijf mijn blogs schrijven en verspreiden.
Voor mij is de opleiding klaar. Wat er al is kan ik niet meer onderzoeken. Maar iets maken, ontwikkelen, weten is niet genoeg. Het gaat erom wat ermee wordt gedaan.

Weinig kan ook genoeg zijn

Op de radio hoor ik over een jong stel dat net samenwoonde in een tiny house toen de Coronacrisis uitbrak. Ze leven samen op 30 vierkante meter. Nu ze veel bij elkaar zijn is dat moeilijk. De mannelijke helft van het paar heeft daarom naast het huis een tentje op gezet om ze beiden wat privacy te gunnen. Mooie oplossing, zeker wanneer je die nodig hebt.
Ik hoor het bericht terwijl ik zelf in mijn tiny house sta af te wassen. Hier wonen mijn man en ik met mooi weer, op iets minder dan de oppervlakte van de jongelui. We hebben hier wel om ons heen een ruimte van 100 vierkante meter waar we het grootste deel van de mooie dagen buiten wonen, in onze buitenkamer op de steiger. Toen in Nederland een totale lockdown een optie werd zei mijn man direct dat we in ons tiny house zouden gaan wonen als dat zou gebeuren. We hebben dat namelijk al eens gedaan met regen, wind en kou toen we een periode van 15 maanden overbrugden zonder ander huis dan dit kleine, ons zo dierbare huis.
Ons huis in de stad is ook relatief klein. Een appartement met twee slaapkamers. Qua oppervlakte drie keer ons klein huisje. Wij delen het met ons tweeën maar 200 kilometer verderop woont onze jongste dochter met haar man en twee drukke jongetjes van 3 en 6 in een soortgelijk appartement. Ook zij zijn door de lockdown al zes weken alle dagen met zijn vieren thuis. Zij waren al gewend aan thuis werken al is het natuurlijk een heel ander gebeuren met, dan zonder de jongetjes thuis. Maar ze redden zich prima. Stiekem verdenk ik ze ervan dat ze het zelfs wel fijn vinden om zoveel samen te zijn. Ze hebben het zelfs voor elkaar gekregen om in het kleinste kamertje een kantoortje te maken wat het thuis werken nog gemakkelijker maakt. Het was een logeerkamertje/slaapkamertje van oma en dat betekent dat daar weer een andere oplossing voor komt als er iemand komt logeren.
Weinig is soms echt genoeg en dat maakt dan het leven best gemakkelijk.

Het kleine meisje

Oma en het kleine meisje waren heel goede vriendinnetjes. Zes jaar al, want zo oud was het kleine meisje. Elke week kwamen ze bij elkaar en dan brachten ze samen de dag door. Het was eigenlijk altijd leuk. Oma keek en luisterde goed naar wat het kleine meisje nodig had en ze probeerde zo goed mogelijk daaraan gehoor te geven.
Toen de pappa en mamma van het kleine meisje uit elkaar gingen was het meisje heel verdrietig. Had ze iets verkeerd gedaan? Maar pappa en mamma zeiden dat zij niets verkeerd had gedaan en dat ze heel veel van haar hielden. Toen was ze niet meer alleen verdrietig maar toen was ze ook in de war en later werd ze ook boos. Ze begreep er helemaal niets van.
Nog steeds kwam het kleine meisje elke week bij oma en nu bleef ze er ook meestal slapen. Nog steeds waren ze vriendinnetjes maar soms werd het kleine meisje zo boos dat oma zich geen raad wist. Soms was het zelfs zo erg dat oma haar geduld dreigde te verliezen. Uit onmacht. Dat mocht natuurlijk nooit gebeuren.
Oma moest alle zeilen bijzetten om het meisje uit haar boosheid te krijgen. Soms met afleiden, soms met troosten, soms met een enkel boos woord, ondanks haarzelf, uit haar eigen frustratie geuit. Nooit wist ze of het aankwam, of het meisje haar goede bedoeling voelde. Meestal kwamen ze er samen uit, en als het een enkele keer niet lukte en het kleine meisje boos de kamer verliet, met het dichtslaan van een deur, ging oma’s hart nog het meest naar haar uit. Als ze dan weer in de kamer kwam, waar oma ogenschijnlijk met iets bezig was, deden ze beiden of er niets was gebeurd.
De pappa en mamma van het meisje deden er alles aan het zo gemakkelijk mogelijk voor het meisje te maken en langzamerhand merkte oma verandering. Het meisje sliep niet meer zo vaak bij haar maar ze waren nog elke week samen. De boze buien namen af en op een dag sloeg het meisje haar armen om oma’s middel en ze uitte maar één woord: ‘Oma,’
Een paar jaar later is de rust weergekeerd. Het meisje wordt een groot meisje en ze is allang gewend aan het wonen in twee huizen. Wanneer ze bij oma slaapt is het een groot feest en daar zijn ze beiden blij mee. Dat het minder vaak gebeurt begrijpt oma heel goed. Elk kind wil toch het allerliefst bij pappa of mamma zijn.
Het meisje en oma zijn goede vriendinnetjes. Ze hangen zelfs een beetje aan elkaar en stiekem denkt oma dat het kleine meisje, in die moeilijke fase, toch oma’s goede bedoeling heeft gevoeld. En oma is blij, zo blij dat ze altijd haar kleine meisje kon geven wat ze verdiende. Alles om het meisje te helpen. Want zij, de kleine en jonge jongetjes en meisjes, hebben het meest onze steun en aandacht nodig in een moeilijke situatie. Want zij zijn klein en wij zijn groot.

Relatieslim 2.0

‘Misschien zijn we wel relatieslim, mam,’ een opmerking van mijn dochter nadat we hebben gekeken naar een uitzending op t.v. over relaties. ‘Die houd ik erin, ‘ zei ik toen. Misschien zijn wij wel relatieslim.
Ik heb vaak aan haar opmerking gedacht omdat ik me oprecht afvraag waarom veel mensen tegenwoordig zo worstelen met het wel of niet willen of hebben van een relatie. Ik heb verhalen gelezen en gehoord over datingsites, voor hoger opgeleiden of om een relatie naast je relatie te hebben met de vraag: ‘Ben jij gelukkig getrouwd? Ik ook,’ En ik vraag me af: als je gelukkig getrouwd bent waarom zou je er dan een relatie naast willen hebben? Ik heb het dan over een liefdesrelatie. Tegelijk denk ik dat we op het gebied van familierelaties, voor mij het vervolg op een liefdesrelatie, ook relatieslim zijn.
De relaties van onze dochters en mij hebben veel verschillen maar waarschijnlijk meer overeenkomsten. We zijn vroeg met vriendjes begonnen, niet met de eerste de beste getrouwd en relatief vroeg getrouwd en moeder geworden.
Oudste dochter en ik zijn beiden twee keer getrouwd. Haar eerste huwelijk duurde acht jaar en ze kreeg met haar ex-man twee prachtige kinderen. Mijn eerste huwelijk duurde maar een jaar en was gelukkig kinderloos. Zij trouwde na drie jaar met haar tweede man, ik na ruim één jaar met mijn tweede man, de vader van onze twee prachtige kinderen.
Ik denk dat veel overeenkomsten zitten in hoe we met onze relaties omgaan. Niet ‘wat zit er voor ons in’ was ons uitgangspunt maar eerder ‘wat hebben we te geven in deze relatie’. Dat we daarbij verliefd waren is een belangrijk onderdeel van dat uitgangspunt, en ook dat de verliefdheid overging in houden van.
Toen ik mijn dochter ermee complimenteerde dat zij zo goed met haar ex-man was
meebewogen toen hij grote moeite had om met hun scheiding om te gaan zei zij: ‘Ja mamma, maar hij heeft zich ook aangepast en er veel voor over gehad,’ Hun goede wil en inspanning heeft de pijn en het verdriet van de kinderen, na de scheiding, kunnen verzachten. Zij weten dat ze van pappa en mamma evenveel mogen houden en dat ze in hun beide huizen evenveel betekenen.
Is het vertrouwen dat we hadden in dat het goed zou komen? Konden we daardoor weer openstaan voor een nieuwe relatie? Is het de verantwoordelijkheid die we hebben genomen in ons aandeel in de relaties die niet zijn gelukt? Hebben wij kunnen leren van onze eerdere relaties?
Ik gun iedereen die dat wil een mooie relatie. En ik vraag me af: ‘Worden mensen nog spontaan verliefd en kunnen ze nog vol overgave en in vol vertrouwen van iemand houden?’ Ik ben daar oprecht benieuwd naar.